40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 | BWBR0018382 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-07-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0018382 | Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 |
Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. a. ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, b. b. bewindspersoon: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c. c. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, d. d. staatssecretaris: Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, e. e. secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, f. f. plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, g. g. directeur-generaal: directeur-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, h. h. inspecteur-generaal: inspecteur-generaal van het onderwijs, i. i. hoofd van het agentschap: hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen of directeur van het agentschap Rijksarchiefdienst, j. j. directeur: degene die aan het hoofd staat van een beleidsdirectie, een ondersteunende directie, een programmadirectie of een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage bij dit besluit, k. k. budgethouder: functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten, l. l. budget: aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van een deel van de begroting, m. m. bestedingsplan ter uitvoering van de begroting, opgesteld ten behoeve van het aangaan van verplichtingen anders dan:
–
in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging,
–
in het kader van het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de cultuurnota,
–
subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988,
– – in het kader van de reguliere of aanvullende bekostiging, – – in het kader van het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de cultuurnota, – – subsidies op grond van artikel 34 van de Monumentenwet 1988, n. n. managementafspraak: afspraak omtrent de vertaling van beleidsdoelen in de begroting en de doelstellingen voor de interne bedrijfsvoering naar concrete acties en activiteiten, benodigde middelen en bevoegdheden of de prestatie- en kwaliteitsnormen ten aanzien van de te leveren producten of diensten, dan wel beide, met inbegrip van het bestedingsplan.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:
a. a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en b. b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Artikel 3
1.
Het ministerie bestaat uit:
a. a. de ondersteuningskolom waaronder de ondersteunende directies vallen, b. b. drie beleidskolommen (directoraten-generaal) waaronder de beleidsdirecties vallen, c. c. de Inspectie van het onderwijs, d. d. de Erfgoedinspectie, e. e. het agentschap Centrale Financiën Instellingen, en f. f. het agentschap Rijksarchiefdienst.
2. De secretaris-generaal kan programmadirecties en projecten instellen en mandaat verlenen aan projectleiders.
3. Vervallen.
4. De organisatie van het ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage.
5. Wijziging van de bijlage geschiedt door de secretaris-generaal.
6. De directeur Personeel en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de bijlage door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.
Artikel 4
1.
Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:
a. a. gericht aan de Koningin, b. b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges, c. c. gericht aan ministers en staatssecretarissen, d. d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris, e. e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies, f. f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State, g. g. gericht aan de Algemene Rekenkamer, h. h. houdende beslissingen op een beroepschrift, i. i. betreffende het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren waarbij de secretaris-generaal als direct-leidinggevende optreedt, en j. j. houdende algemeen verbindende voorschriften.
2.
Aan de minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:
a. a. houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst, en b. b. de goedkeuring van het departementale bestedingsplan.
3. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.
Artikel 5
1. De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.
2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de directeuren van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen.
3. De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de hoofddirecteur van het agentschap Centrale Financiën Instellingen en de directeuren van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen.
4. De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering en in de gevallen daartoe door de secretaris-generaal aangewezen. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.
5. Voorzover de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de directeuren van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. De directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op het terrein van hun directoraat-generaal.
2. De directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de directeuren van de onder hen ressorterende dienstonderdelen. De desbetreffende directeur-generaal geeft leiding aan de directeur van het agentschap Rijksarchiefdienst.
3. De directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De directeuren-generaal kennen aan de directeuren de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.
Artikel 7
1. De inspecteur-generaal heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.
2. De directeur van de Erfgoedinspectie heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.
3. De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.
Artikel 8
1. De hoofden van de agentschappen hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.
2. De hoofden van de agentschappen zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.
Artikel 9
1. De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.
2. De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de directeur-generaal toegewezen budgetten.
3. Voor zover het betreft besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden hebben de directeuren mandaat onverminderd artikel 12, eerste lid, onder f, artikel 13, eerste lid, onder b en f, en artikel 15.
4.
Het verlenen van ondermandaat van de in het derde lid bedoelde bevoegdheden is niet mogelijk, tenzij het betreft besluiten met betrekking tot:
a. a. opleiding,
b. b. opname van vakantie en compensatieverlof, c. c. de vergoeding van eigen vervoer bij dienstreizen, en d. d. de vergoeding van de kosten van openbaar vervoer bij dienstreizen.
Artikel 10
1. De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal en de directeur van de Erfgoedinspectie.
2. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal maken managementafspraken met de directeuren van de onder hen ressorterende directies en met de hoofden van de agentschappen.
3. De directeur Personeel en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voorzover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.
Artikel 11
1. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren kunnen ieder voor hun werkterrein ondermandaat verlenen, onverminderd artikel 9, vierde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, derde lid. Zij bepalen in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.
2. Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur die ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal, is de goedkeuring door de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal onderscheidenlijk de directeur-generaal vereist. Voor machtiging om op treden in gerechtelijke procedures en ondermandaat inzake het passeren van notariële akten is de goedkeuring niet vereist.
3. De directeur Personeel en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit besluit verleende algemene ondermandaten door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie. De inspecteur-generaal en de hoofden van de agentschappen dragen zorg voor bekendmaking van de krachtens dit besluit door hen verleende ondermandaten door openbare ter inzage legging op het ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.
4. De directeur Personeel en Organisatie houdt een register bij van de handtekeningen van de krachtens dit besluit gemandateerden.
Artikel 12
1.
De secretaris-generaal is bij uitsluiting van anderen gemandateerd met betrekking tot:
a. a. koninklijke onderscheidingen, b. b. voorstellen voor het vergezellen van de bewindspersoon bij buitenlandse dienstreizen, c. c. stukken gericht aan de Nationale ombudsman, d. d. de afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur, e. e. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt, f. f. het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdeel e, en artikel 15, voor zover het betreft:
1.
aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben ten aanzien van directeuren, het hoofd van de erfgoedinspectie, de hoofden van projecten en van ambtenaren in schaal 17 en hoger,
2.
beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 17 en hoger,
3.
ontslagbesluiten ten aanzien van ambtenaren in schaal 17 en hoger, en
4.
aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van een ambtenaar in schaal 17 en hoger,
-
-
aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben ten aanzien van directeuren, het hoofd van de erfgoedinspectie, de hoofden van projecten en van ambtenaren in schaal 17 en hoger,
-
-
-
beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 17 en hoger,
-
-
-
ontslagbesluiten ten aanzien van ambtenaren in schaal 17 en hoger, en
-
-
-
aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van een ambtenaar in schaal 17 en hoger,
-
g. g. het verlenen van mandaat inzake een bevoegdheid, bedoeld in artikel 13, h. h. het nemen van besluiten die voor alle ambtenaren van het ministerie gelden, i. i. het openstellen van externe vacatures, j. j. het bepalen van een standpunt inzake een gemeld vermoeden van een misstand, k. k. besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, l. l. voorstellen tot verzelfstandiging van een organisatieonderdeel, m. m. de opstelling van het departementale bestedingsplan, waaronder inbegrepen het doen van voorstellen aan de minister met betrekking tot verschuiven van delen van budgetten tussen directeuren-generaal, inspecteur-generaal, directeur van de Erfgoedinspectie en hoofden van agentschappen, n. n. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel h, van bedragen die hoger zijn dan € 5.000.000, o. o. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag van meer dan € 500.000 voor de duur van de overeenkomst, en p. p. het beslissen op bezwaren, voor zover die betrekking hebben op handelingen of besluiten waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is; en q. q. het beslissen op bezwaren die behandeld zijn overeenkomstig artikel 6 van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW.
2. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, is niet mogelijk.
Artikel 13
1.
De directeuren-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie en de hoofden van de agentschappen zijn bij uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:
a. a. het instellen van bezwaar en beroep tegen besluiten van andere bestuursorganen, b. b. het nemen van beloningsbesluiten ten aanzien van ambtenaren, waarbij de direct ondergeschikte van een directeur-generaal, de inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie of het hoofd van een agentschap als direct-leidinggevende optreedt, c. c. het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, waaraan geen goedkeuring is verleend door de directeur Personeel en Organisatie nadat dit aan de secretaris-generaal is voorgelegd, d. d. goedkeuring van het voorbereiden van een reorganisatie door een directeur, e. e. vaststelling of wijziging van het organisatie- en formatieplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel, f. f. het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van personele aangelegenheden, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen e en f, en artikel 15, voorzover het betreft:
1.
aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
2.
beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
3.
ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
4.
aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
-
-
aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, ten aanzien van leidinggevende ambtenaren die direct ressorteren onder de directeuren,
-
-
-
beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16,
-
-
-
ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, ontslag als bedoeld in artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, ten aanzien van ambtenaren in schaal 15 en 16, en
-
-
-
aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade als bedoeld in de artikelen 35, onder c en d, 37, derde lid, onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten aanzien van ambtenaren tot en met schaal 16,
-
g. g. opstellen van het bestedingsplan voor zijn directoraat-generaal, inspectie of agentschap op basis van de bestedingsplannen van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen, h. h. het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister goedgekeurde departementale bestedingsplan die hoger zijn dan het met betrekking tot Europese aanbestedingen geldende drempelbedrag, voor zover die niet herkenbaar zijn opgenomen in een goedgekeurd bestedingsplan of niet passen binnen het beschikbare budget, i. i. de verlening van voorschotten als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2004, voortvloeiend uit verplichtingen als bedoeld in onderdeel h, van bedragen die lager zijn dan € 5.000.000, en j. j. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.
2. Voor het inhuren van externe professionals en uitzendkrachten door een directeur is voorafgaande goedkeuring van de directeur-generaal vereist voorzover het betreft bedragen boven € 60 per uur.
3. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet mogelijk.
4. De hoofddirecteur van CFI is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, onverminderd artikel 12, eerste lid, onderdelen p en q.
Artikel 14
1. De secretaris-generaal voorziet in de vervanging bij afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal. Bij afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger en bij diens afwezigheid door de tweede plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de eerste vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat en dat het mandaat van de tweede plaatsvervanger is beperkt tot het ondertekenen van stukken.
2. De inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeuren voorzien in de vervanging bij afwezigheid of verhindering. Bij afwezigheid of verhindering wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.
3. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het eerste lid, door openbare ter inzage legging op het ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie. De inspecteur-generaal, de directeur van de Erfgoedinspectie, de hoofden van de agentschappen en de directeur dragen zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het tweede lid, door openbare ter inzage legging op het ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het ministerie.
Artikel 15
1.
Voorafgaande goedkeuring van de directeur Personeel en Organisatie is vereist voor de volgende personele aangelegenheden:
a. a. aanstellings- en benoemingsbesluiten en daaraan voorafgaande besluiten die daarop betrekking hebben, b. b. beloningsbesluiten met uitzondering van het toekennen van periodieke verhogingen als bedoeld in artikel 7 lid 1 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, c. c. ontslagbesluiten, anders dan besluiten inhoudende reorganisatieontslag, voorwaardelijk strafontslag of onvoorwaardelijk strafontslag, en d. d. aansprakelijkheidsstelling dan wel besluiten met betrekking tot vergoeding van schade ten aanzien van een ambtenaar, als bedoeld in de artikelen 35 onder c en d, 37, derde lid onder c, 38, derde lid, 66, 69 en 73 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
2. Indien de secretaris-generaal voornemens is een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, geeft de directeur Personeel en Organisatie advies aan de secretaris-generaal.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op besluiten van de inspecteur-generaal van het onderwijs en de hoofden van de agentschappen.
Artikel 16
1.
De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze,
functie van de gemandateerde,
handtekening van de gemandateerde,
naam van de gemandateerde.
2. Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding ‘b/a’ is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.
Artikel 17
1. De Organisatie- en mandaatregeling OCW 2004 (Regeling van 23 februari 2004, Stcrt. 2004, nr. 43) wordt ingetrokken.
2. Mandaten die zijn verleend op grond van de Organisatie- en mandaatregeling OCW 2004 en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor de verleende ondermandaten.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2005.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005.