40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs | BWBR0035059 | ministeriele-regeling | geldend | 2022-04-06 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0035059 | Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs |
Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvullende eisen: eisen als bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, en 7.26a, eerste lid, van de wet;
- accreditatieorgaan: Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie, bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- aspirant-student: degene die zich wil aanmelden of laten inschrijven voor de eerste peridode van een associate degree-opleiding met een studielast van 60 studiepunten, voor een propedeutische fase van een bepaalde bacheloropleiding, of indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten;
- bewijs van toelating: op naam gesteld document, afgegeven door de instelling, dat aantoont dat een aspirant-student de selectie heeft doorlopen en geplaatst is binnen de door het instellingsbestuur vastgestelde onderwijscapaciteit;
- bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs: eisen als bedoeld in artikel 7.25a van de wet;
-
diploma:
1. diploma, als bedoeld in artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel een daarmee gelijkgesteld diploma als bedoeld in artikel 7.28, tweede lid, eerste volzin, van de wet; 2. diploma, als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet; 3. gewaarmerkte verklaring van het bestuur van een instelling, inhoudende dat de aspirant-student met toepassing van de artikelen 7.25, derde lid of vijfde lid, 7.28, lid 1a, tweede lid, of 7.29, eerste, derde of vierde lid, van de wet, onverminderd artikel 7.28, vierde lid, van de wet, tot de opleiding van zijn keuze kan worden toegelaten; -
-
diploma, als bedoeld in artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel een daarmee gelijkgesteld diploma als bedoeld in artikel 7.28, tweede lid, eerste volzin, van de wet;
-
-
-
diploma, als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet;
-
-
-
gewaarmerkte verklaring van het bestuur van een instelling, inhoudende dat de aspirant-student met toepassing van de artikelen 7.25, derde lid of vijfde lid, 7.28, lid 1a, tweede lid, of 7.29, eerste, derde of vierde lid, van de wet, onverminderd artikel 7.28, vierde lid, van de wet, tot de opleiding van zijn keuze kan worden toegelaten;
-
- domein: opleidingsdomein als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB;
- fixusopleiding: opleiding waarvoor op grond van de artikelen 7.53 of 7.56 van de wet een beperkt aantal studenten kan worden ingeschreven;
- fixustraject: traject binnen een opleiding waarvoor een beperkt aantal studenten kan worden ingeschreven;
- getuigschrift: getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de wet;
- hogeschool: hogeschool als bedoeld in onderdelen c en g van de bijlage bij de wet;
- instelling: instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste en tweede lid, van de wet of een rechtspersoon voor hoger onderwijs;
- instellingsbestuur: instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, eerste gedachtestreep van de wet;
- lerarenopleiding op het gebied van kunst: lerarenopleiding als bedoeld in artikel 7.26a, van de wet;
- minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- nadere vooropleidingseisen vo-ho: eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste en tweede lid, van de wet;
- nadere vooropleidingseisen mbo-hbo: eisen als bedoeld in artikel 7.25, derde lid, van de wet;
- opleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, van de wet; opleiding op het gebied van de kunst: opleiding als bedoeld in 7.26a van de wet;
- plaats: plaats als opgenomen in de mededeling bedoeld in artikel 7.53, zesde lid, van de wet;
- profiel: profiel als bedoeld in artikel 2.20, tweede en derde lid, van de WVO 2020;
- rangnummer: uniek nummer dat door de instelling toegekend wordt aan een aspirant-student die de selectie heeft doorlopen, waaruit blijkt hoe hij ten opzichte van de andere deelnemers aan de selectie is beoordeeld;
- rechtspersoon voor hoger onderwijs: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van de wet;
- selectie: selectieprocedure als bedoeld in artikel 7.53 van de wet;
- studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daarop volgende jaar;
- Studielink: gemeenschappelijke aanmeld- en inschrijfapplicatie van de hogescholen en de universiteiten;
- traject: een programma binnen een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding waarvan de studielast en de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student bij de beëindiging van de opleiding moet hebben verworven, gelijk zijn aan die van de opleiding;
-
universiteit:
1. universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij de wet, 2. Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij de wet, of 3. levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in onderdeel i, van de bijlage bij de wet; -
-
universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij de wet,
-
-
-
Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij de wet, of
-
-
-
levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in onderdeel i, van de bijlage bij de wet;
-
- variant: de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding;
- vooropleidingseisen: eisen als bedoeld in artikel 7.24 van de wet;
- WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;
- wet: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
-
- WVO 2020:* Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 1.2
Voor de toepassing van deze regeling gelden door instellingen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen, met uitzondering van artikel 3.2, tweede lid.
Artikel 1.3
De data in deze regeling vallen steeds in het studiejaar dat voorafgaat aan het studiejaar waarvoor de aspirant-student zich wil aanmelden of wil inschrijven, tenzij anders is bepaald en met dien verstande dat de data tussen 31 augustus en 1 oktober telkens vallen in het studiejaar.
Artikel 1.4
De volgende diploma’s zijn tenminste gelijkwaardig als bedoeld in artikel 7.28, tweede lid, van de wet aan een diploma als bedoeld in artikel 7.24 van de wet:
a. a. het schooldiploma als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES voor wat betreft de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs; b. b. het schooldiploma als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a of b, van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES voor wat betreft de toelating tot het hoger beroepsonderwijs; c. c. het diploma behaald in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of Suriname op grond van de in die landen geldende wetgeving dat overeenkomt met het equivalent van een diploma als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs BES dat aangemerkt is als opleidingseis voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs; d. d. het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school als bedoeld in artikel 17 van de Toegevoegde Overeenkomst bij het Statuut van de Europese School houdende vaststelling van een regeling voor het Europese Baccalaureaat voor zover dat diploma het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat.
Artikel 1.5
1. Het instellingsbestuur kan een aanvraag indienen voor de aanwijzing van een opleiding of groep van opleidingen in deze regeling als bedoeld in artikelen 7.26 en 7.26a van de wet.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt elektronisch of per post ingediend.
3. Voor de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het formulier, zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.
Hoofdstuk 2. Nadere vooropleidingseisen
Paragraaf 1. Nadere vooropleidingseisen vo-ho
Artikel 2.1
1. Voor opleidingen aan universiteiten kan het instellingsbestuur bepalen dat slechts aspirant-studenten worden ingeschreven die voldoen aan de nadere vooropleidingseisen die zijn opgenomen in bijlage A.
2. Voor opleidingen aan hogescholen kan het instellingsbestuur bepalen dat slechts aspirant-studenten worden ingeschreven die voldoen aan de nadere vooropleidingseisen die zijn opgenomen in bijlage B.
3. Als de naam van een opleiding wordt gewijzigd, blijven de nadere vooropleidingseisen gelden zoals die golden voor het tijdstip van de naamswijziging.
4. Bij samenvoeging van bestaande opleidingen blijven voor de samengevoegde opleidingen de nadere vooropleidingseisen gelden, totdat voor de samengevoegde opleidingen nieuwe nadere vooropleidingseisen zijn vastgesteld.
Paragraaf 2. Aanwijzing opleidingen inzake toelating deficiënte studenten
Artikel 2.2
Vervallen
Artikel 2.3
Als de naam van een opleiding wordt gewijzigd, blijft de toelatingsmogelijkheid voor die opleiding gelden.
Paragraaf 3. Nadere vooropleidingseisen mbo-hbo
Artikel 2.4
Vervallen
Paragraaf 4. Bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs
Artikel 2.5
1. Voor wat betreft het kennisgebied aardrijkskunde, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het primair onderwijs, beschikt een aspirant-student over voldoende kennis, indien die kennis voldoet aan het niveau dat is vastgesteld in bijlage F, onderdeel I.
2. Voor wat betreft het kennisgebied geschiedenis, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, beschikt een aspirant-student over voldoende kennis, indien die kennis voldoet aan het niveau dat is vastgesteld in bijlage F, onderdeel II.
3. Voor wat betreft het kennisgebied de natuur, waaronder biologie, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, beschikt een aspirant-student over voldoende kennis, indien die kennis voldoet aan het niveau dat is vastgesteld in bijlage F, onderdeel III.
Artikel 2.6
1. Een aspirant-student voldoet in ieder geval aan de bijzondere nadere vooropleidingseisen op het kennisgebied aardrijkskunde, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het primair onderwijs, indien het vak aardrijkskunde deel heeft uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 2.5 van de WVO 2020.
2. Een aspirant-student voldoet in ieder geval aan de bijzondere nadere vooropleidingseisen op het kennisgebied geschiedenis, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, indien het vak geschiedenis deel heeft uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 2.5 van de WVO 2020.
3. Een aspirant-student voldoet in ieder geval aan de bijzondere nadere vooropleidingseisen op het kennisgebied de natuur, waaronder biologie, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, indien het vak natuurkunde, biologie of nlt (natuur, leven en technologie) deel heeft uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 2.5 van de WVO 2020.
Hoofdstuk 3. Aanvullende eisen voor opleidingen, opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst
Artikel 3.1
1. De opleidingen waarvoor aanvullende eisen gelden, die verband houden met de uitoefening van een beroep of de beroepen waarop zij voorbereiden, zijn opgenomen in bijlage D.
2.
De minister neemt, al dan niet op een aanvraag, een opleiding op in de in het eerste lid bedoelde bijlage, als:
a. a. objectieve gronden in verband met de toekomstige beroepsuitoefening het stellen van de aanvullende eisen voor toelating tot deze opleiding rechtvaardigen, b. b. de aanvullende eisen geen betrekking hebben op een bepaald vakgebied of discipline, en c. c. het stellen van de aanvullende eisen geen afbreuk doet aan de toegankelijkheid van het betreffende hoger onderwijs.
3. De gronden bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden in bijlage D bij de betreffende opleiding vermeld.
4. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid kan worden ingediend door het instellingsbestuur of, indien het een opleiding betreft die door meerdere instellingen wordt verzorgd, de betreffende instellingsbesturen gezamenlijk. In de aanvraag wordt gemotiveerd aangevoerd waarom wordt voldaan aan de in het tweede lid opgesomde voorwaarden.
5. Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarvoor de aanvullende eisen voor het eerst zullen gelden.
6. Het instellingsbestuur maakt tijdig de criteria bekend, die op basis van de gronden bedoeld in het tweede lid, onderdeel a zijn vastgesteld, alsmede de procedure voor selectie van de aspirant-studenten.
Artikel 3.2
1. De opleidingen waarvoor aanvullende eisen gelden, die verband houden met de organisatie en inrichting van het onderwijs zijn opgenomen in bijlage E.
2.
De minister neemt op een aanvraag van het betreffende instellingsbestuur, of de betreffende instellingsbesturen gezamenlijk als het betreft alle opleidingen met dezelfde naam, een opleiding op in bijlage E, indien met de aanvraag is aangetoond, dat:
a. a. de opleiding zich onderscheidt door een specifiek onderwijsconcept, b. b. objectieve gronden het stellen van aanvullende eisen voor toelating tot de opleiding noodzakelijk maken in verband met het tot zijn recht komen van het onderwijsconcept, c. c. de aanvullende eisen geen betrekking hebben op een bepaald vakgebied of discipline, en d. d. het stellen van de aanvullende eisen geen afbreuk doet aan de toegankelijkheid van het betreffende hoger onderwijs.
3. De gronden bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden in bijlage E bij de opleiding vermeld.
4. Bij de aanvraag legt het instellingsbestuur een door de NVAO opgesteld advies met betrekking tot de in het tweede lid, onderdeel a tot en met c genoemde voorwaarden over.
5. Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarvoor de aanvullende eisen voor het eerst zullen gelden.
6. Het instellingsbestuur maakt tijdig de criteria bekend die op basis van de gronden bedoeld in het tweede lid, onderdeel b zijn vastgesteld, alsmede de procedure voor selectie van de kandidaten.
Artikel 3.3
1. De minister kan een opleiding uit bijlage D, respectievelijk bijlage E verwijderen, als de omstandigheden op grond waarvan is besloten de opleiding in de bijlage te vermelden, zijn komen te vervallen.
2. Het instellingsbestuur stelt de minister op de hoogte van een wijziging in de omstandigheden, die aanleiding kan zijn voor toepassing van de bevoegdheid genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk 4. Aanmelding, selectie en inschrijving
Paragraaf 1. Algemene bepalingen aanmelding
Artikel 4.1
1. De aspirant-student die zich overeenkomstig artikel 7.31a, eerste lid, van de wet aanmeldt, doet dat met behulp van DigiD via Studielink.
2. Onverminderd de artikelen 4.3 en 4.8 kan de in het eerste lid bedoelde aanmelding betrekking hebben op ten hoogste vier trajecten of varianten binnen ten hoogste drie opleidingen.
3. De minister verifieert de persoonsgegevens van de aspirant-student aan de hand van de over de aspirant-student in de basisregistratie personen, bedoeld in de Wet basisregistratie personen opgenomen gegevens.
4. Als de aspirant-student buiten Nederland woonachtig is, verstrekt hij gegevens die tenminste betrekking hebben op de naam, de geboortedatum, het adres, de nationaliteit en de vooropleiding. Tevens verstrekt de aspirant-student een fotokopie van de persoonsgegevens uit zijn paspoort of (Europees) identiteitsbewijs, een uittreksel uit het bevolkingsregister of een daarmee overeenkomend register, dan wel een uittreksel uit of een fotokopie van de geboorteakte. Het instellingsbestuur verifieert de gegevens.
5. Als de aanmelding betrekking heeft op een fixusopleiding of een fixustraject, vindt de verificatie van de gegevens, bedoeld in het vierde lid plaats voor 15 juni.
Artikel 4.2
1. De minister zendt de aspirant-student die zich overeenkomstig artikel 4.1 heeft aangemeld, een elektronische bevestiging.
2.
De minister maakt aan de aspirant-student tevens zo spoedig mogelijk bekend:
a. a. of de opleiding of het traject waarvoor hij zich aanmeldt, een fixusopleiding of een fixustraject is, b. b. of de instelling voor die fixusopleiding of een fixustraject decentrale selectie zal toepassen.
Paragraaf 2. Aanmelding voor opleidingen waarvoor aanvullende eisen gelden
Artikel 4.3
1. De aspirant-student die wenst te worden ingeschreven voor een opleiding waarvoor krachtens artikel 7.26a van de wet aanvullende eisen zijn gesteld, meldt zich voor 15 januari aan bij de desbetreffende instelling voor het onderzoek dienaangaande.
2. De aspirant-student die aan de aanvullende eisen voldoet en aan de desbetreffende opleiding wil worden ingeschreven, meldt zich overeenkomstig artikel 4.1, aan bij de minister.
3. In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur van een opleiding waarvan de organisatie en inrichting van het onderwijs als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, uitgaat van een internationale studentenpopulatie, een uiterste datum voor aanmelding na 15 januari vaststellen.
Paragraaf 3. Bepalingen voor fixusopleidingen en fixustrajecten
Artikel 4.4
Het instellingsbestuur doet de mededeling, bedoeld in artikel 7.53, zesde lid, van de wet, aan de minister.
Artikel 4.5
1. Een aspirant-student kan per fixusopleiding maximaal drie keer deelnemen aan de selectieprocedure.
2. Onverminderd het eerste lid, kan het instellingsbestuur per fixusopleiding vaststellen hoeveel keer een aspirant-student kan deelnemen aan de selectie voor de opleiding aan de instelling.
2a. Het instellingsbestuur dat binnen een opleiding één of meerdere fixustrajecten heeft vastgesteld, kan bepalen dat de aspirant-student zich slechts voor één of enkele van die fixustrajecten kan aanmelden.
3. Een aspirant-student kan zich voor een studiejaar voor ten hoogste twee fixusopleidingen aanmelden, met uitzondering van de in het vierde lid genoemde opleidingen.
4. Voor de opleiding Geneeskunde, Tandheelkunde, Fysiotherapie, Mondzorgkunde en Verloskunde kan een aspirant-student zich voor een studiejaar bij niet meer dan een instelling aanmelden voor eenzelfde opleiding.
5. Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid vervalt als de aspirant-student deze uiterlijk 15 januari intrekt.
6. Een aspirant-student kan een verzoek bij het instellingsbestuur indienen om zijn deelname aan selectie niet mee te laten tellen voor het maximum aantal deelnames bedoeld in het eerste lid, als hij er in dat jaar niet in slaagt te voldoen aan de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24 van de wet, dan wel aan nadere vooropleidingseisen vo-ho, de nadere vooropleidingseisen mbo-hbo of de bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25a en 7.25b van de wet.
7. Het instellingsbestuur laat de aanmelding van een aspirant-student vervallen, als de aspirant-student voor 1 september bij het instellingsbestuur daartoe een verzoek indient als bedoeld in het zesde lid. Het instellingsbestuur handelt het verzoek voor 1 oktober af.
Artikel 4.6
1. De aspirant-student die wil deelnemen aan de selectie meldt zich in de periode van 1 oktober tot en met 15 januari, via Studielink, aan bij de instelling die de fixusopleiding of het fixustraject verzorgt.
2. In afwijking van het vorige lid laat het instellingsbestuur de aspirant-student deelnemen aan de selectie als deze zich na 15 januari aanmeldt, als het vaststelt dat er bij weigering van deelname sprake zou zijn van onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 4.7
1. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de selectieprocedure uiterlijk 14 april is afgerond.
2. Het instellingsbestuur kan voor 15 januari beginnen met de selectie, mits alle aspirant-studenten die zich uiterlijk 15 januari hebben aangemeld, kunnen deelnemen aan de volledige selectie.
3. Als het aantal aanmeldingen lager is dan of gelijk is aan het aantal beschikbare plaatsen, vindt geen selectie plaats.
Artikel 4.7a
1.
Het instellingsbestuur maakt tijdig bekend:
a. a. onder welke voorwaarden een aspirant-student op basis van tenminste twee kwalitatieve selectiecriteria meteen wordt toegelaten tot de opleiding; en b. b. onder welke voorwaarden een aspirant-student in aanmerking komt voor een rangnummer op grond van loting bij de keuze voor toepassing van artikel 7.53 tweede lid, onderdeel c, van de wet.
2. Indien een instelling gewicht toekent aan de loting op basis van de kwalitatieve selectiecriteria zoals bedoeld in artikel 7.53 tweede lid, onderdeel c, onder 2, van de wet, dan maakt zij tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure bekend hoe dit gewicht wordt bepaald;
3. Indien een instelling werkt met lotingsklassen, dan maakt zij tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure bekend wat de verhouding in toelatingskans is tussen de verschillende lotingsklassen.
4. De loting wordt verricht in het bijzijn van een door het instellingsbestuur aan te wijzen notaris.
Artikel 4.7b
Het instellingsbestuur kan in het reglement, bedoeld in artikel 7.53, derde lid, van de wet, bepalen dat de instelling een herkansingsmogelijkheid biedt aan een aspirant-student die niet heeft kunnen deelnemen aan de selectieprocedure, zodat alsnog aan de kwalitatieve selectiecriteria kan worden voldaan, indien zonder deze herkansingsmogelijkheid sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard. Het aanbieden van een dergelijke herkansingsmogelijkheid is uitsluitend mogelijk in het geval dat:
a. a. de instelling gebruik maakt van de selectievorm, bedoeld in artikel 7.53, tweede lid, onderdeel a, van de wet; of b. b. de instelling gebruik maakt van de selectievorm, bedoeld in artikel 7.53, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de loting nog niet heeft plaatsgevonden.
Artikel 4.8
1. Het aantal bewijzen van toelating is gelijk aan het aantal beschikbare plaatsen voor een opleiding of traject.
2. Als het aantal beschikbare plaatsen kleiner is dan het aantal aspirant-studenten dat een rangummmer heeft ontvangen, wordt een bewijs van toelating uitgereikt aan de aspirant-studenten met de laagste rangummmers.
3. De instelling reikt enkel aan de aspirant-student van wie is aangetoond dat hij of zij aan de aanvullende eisen als bedoeld in artikel 7.26 van de wet heeft voldaan een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
4. De instelling bericht via Studielink op 15 april de aspirant-student over de uitkomst van de selectie voor de opleiding of opleidingen waaraan hij heeft deelgenomen en reikt daarbij tevens een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
5. De aspirant-student accepteert een bewijs van toelating binnen twee weken na ontvangst op de daartoe voorgeschreven wijze. Een bewijs van toelating dat niet binnen twee weken is geaccepteerd, vervalt.
6. Een aspirant-student kan op enig moment niet meer dan een bewijs van toelating op geaccepteerd hebben staan.
7. In afwijking van het vierde lid verstrekt het instellingsbestuur een bewijs van toelating als het vaststelt dat er sprake is van onbillijkheid van overwegende aard als geen bewijs van toelating wordt verstrekt.
8. Als een aspirant-student een bewijs van toelating niet tijdig accepteert, reikt de instelling een bewijs van toelating uit aan de aspirant-student met het laagste rangummmer, die nog geen bewijs van toelating heeft ontvangen.
9. Het instellingsbestuur stelt een uiterste datum vast waarna geen bewijzen van toelating worden uitgereikt, met dien verstande dat deze datum niet voor 1 augustus ligt.
10. Voor de uiterste datum, bedoeld in het negende lid, dienen alle bewijzen van toelating uitgereikt te zijn.
Artikel 4.9
1. De bezitter van een bewijs van toelating toont voor een door het instellingsbestuur vastgestelde datum aan dat hij voldoet aan de vooropleidingseisen of de nadere vooropleidingseisen vo-ho, de nadere vooropleidingseisen mbo-hbo of bijzondere nadere vooropleidingseisen.
2. Als de aspirant-student niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervalt zijn bewijs van toelating.
3. Als een aspirant-student voor de door het instellingsbestuur vastgestelde datum niet kan voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, kan hij het instellingsbestuur om uitstel verzoeken.
4. Het instellingsbestuur voldoet aan het verzoek, bedoeld in het derde lid, en stelt het een nieuwe termijn vast, waarbinnen de aspirant-student aan de verplichting moet voldoen.
Artikel 4.10
Vervallen
Artikel 4.11
1. Als voor een opleiding of traject gedurende het eerste studiejaar een tweede instroommoment bestaat, en er gedurende het studiejaar plaatsen opengevallen zijn, kan het instellingsbestuur bepalen dat aspirant-studenten die na de selectie voor dat studiejaar, op basis van artikel 4.8 wel een rangnummer, maar geen bewijs van toelating hebben ontvangen, een bewijs van toelating voor het tweede instroommoment ontvangen.
2. Indien de instelling gebruik maakt van het tweede instroommoment, bedoeld in het eerste lid, stelt het instellingsbestuur een procedure in voor het uitreiken en accepteren van bewijzen van toelating en maakt deze bekend.
Artikel 4.12
Vervallen
Artikel 4.13
Vervallen
Artikel 4.14
Vervallen
Artikel 4.15
Vervallen
Artikel 4.16
Vervallen
Artikel 4.17
Vervallen
Artikel 4.18
Vervallen
Artikel 4.19
Vervallen
Artikel 4.20
Vervallen
Artikel 4.21
Vervallen
Artikel 4.22
Vervallen
Artikel 4.23
Vervallen
Artikel 4.24
Vervallen
Artikel 4.25
Vervallen
Artikel 4.26
Vervallen
Artikel 4.27
Vervallen
Artikel 4.28
Vervallen
Artikel 4.29
Vervallen
Hoofdstuk 5. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 5.0.1
Voor een student die ingeschreven is geweest voor een opleiding met toepassing van de artikelen 5.0.1, eerste lid, 5.0.2, eerste lid, 5.0.3, eerste lid, 5.0.4 of 5.0.5, eerste lid, zoals deze luidden onmiddellijk voor 1 september 2021, geldt in afwijking van de in bijlage B opgenomen tabel Economie (instroom met havo-diploma) en de tabel Landbouw en natuurlijke omgeving (instroom met havo-diploma), gedurende de gehele duur van die opleiding hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald ten aanzien van de nadere vooropleidingseisen.
Artikel 5.0.2
Voor een student die ingeschreven is geweest voor een opleiding met toepassing van de artikelen 5.0.1, tweede lid, 5.0.2, tweede lid, 5.0.3, tweede lid of 5.0.5, tweede lid, zoals deze luidden onmiddellijk voor 1 september 2021, geldt in afwijking van de in bijlage B opgenomen tabel Economie (instroom met vwo-diploma), gedurende de gehele duur van die opleiding hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald ten aanzien van de nadere vooropleidingseisen.
Artikel 5.0.3
Vervallen
Artikel 5.0.4
Vervallen
Artikel 5.0.5
Vervallen
Artikel 5.1
1. Deze regeling treedt met uitzondering van de artikelen 2.1 en 2.4 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Artikel 2.1 treedt in werking met ingang van 1 september 2014, met uitzondering van de wijzigingen van de nadere vooropleidingseisen van de in bijlage A opgenomen opleiding Technische Aardwetenschappen en van de in bijlage B opgenomen opleidingen Media & Entertainment Management, Creative Media and Game Technology. Deze treden in werking met ingang van 1 september 2017.
3. Artikel 2.4 treedt in werking met ingang van 1 september 2015.
Artikel 5.2
1. De Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs, de Regeling aanwijzing opleidingen inzake toelating deficiënte studenten en de Regeling aanvullende eisen hoger onderwijs en kunstonderwijs 2007 worden ingetrokken met ingang van de dag, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.
2. De Regeling nadere vooropleidingseisen wordt ingetrokken met ingang van 1 september 2014.
Artikel 5.3
1. De deelname aan loting in het verleden, telt vanaf het studiejaar 2000/2001 mee voor het maximale aantal aanmeldingen, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid.
2. Aspirant-studenten die in het studiejaar 2016/2017, een succesvol beroep hebben gedaan op de hardheidsclausule uitgelote aspirant-studenten, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, ontvangen een bewijs van toelating voor het studiejaar 2017/2018.
3. Aspirant-studenten op wie voor het studiejaar 2016/2017, artikel 4.19, tweede lid, van toepassing is, ontvangen een bewijs van toelating voor het studiejaar 2017/2018.
4. Aspirant-studenten wiens verzoek als bedoeld in artikel 4.19, derde lid, in het studiejaar 2016/2017, gehonoreerd wordt, ontvangen een bewijs van toelating voor het studiejaar 2017/2018.
5. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat een aspirant-student die op grond van de leden 2 tot en met 5 een bewijs van toelating heeft ontvangen, wordt ingeschreven voor de betreffende opleiding.
6. Bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend naar aanleiding van het studiejaar 2016–2017 worden volgens het recht, zoals het in dat studiejaar gold, behandeld.
Artikel 5.4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs.
Bijlage A. Nadere vooropleidingseisen voor opleidingen van het wetenschappelijk onderwijs
^1 Voor alle opleidingen geldt dat de instelling aan de student met het profiel NG de gelegenheid kan geven om aan de eisen ‘nat’ en ‘wisB’ uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase te voldoen.
^2 Voor deze opleiding geldt dat de instelling aan de student met het profiel EM of CM de gelegenheid kán geven om aan de eisen ‘nat’ en ‘wisB’ uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase te voldoen.
Bijlage B. Nadere vooropleidingseisen voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs
Bijlage C. Nadere vooropleidingseisen MBO-HBO
Vervallen