40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte | BWBR0024730 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-11-23 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0024730 | Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte |
Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*Minister:* Minister van Economische Zaken;
b. b.
*aanvrager:* degene die een aanvraag doet als bedoeld in artikel 3;
c. c.
*deelnemer:* aanvrager die toegelaten is tot de veiling;
d. d.
*bod:* een of meer biedingen, uitgebracht door middel van een biedkaart;
e. e.
*groep:* groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
f. f.
*rente:* de volgens actual/360 berekende rente op basis van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde Euro Overnight Index Average, minus 4 basispunten;
g. g.
*categorie digitale omroep:* de frequentieruimte binnen het bereik van 174–230 MHz (Band III), de frequentieruimte binnen het bereik van 470–582 MHz (Band IV), de frequentieruimte binnen het bereik van 582–862 MHz (Band V) en de frequentieruimte binnen het bereik van 1452–1479,5 MHz (L-band), die in het frequentieplan, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, bestemd is voor ‘Omroep, TV (analoog en DVB-T).’, ‘Omroep. DVB-T.’ of ‘Digitale omroep als bedoeld in de ITU Radiodienst ‘verkort’, HOL002.’;
h. h.
*multiplex:* ten minste eenderde deel van de netto-capaciteit van een aaneengesloten blok frequentieruimte waarmee in één afgebakend gebied (allotment) meerdere programma’s kunnen worden uitgezonden.
Paragraaf 2. Beschikbare vergunningen
Artikel 2
Ingevolge het besluit van de Minister van 5 november 2008 (Stcrt. 2008, 227) zijn de volgende vergunningen beschikbaar om door middel van een veiling te worden verleend:
a. a. vergunning A: een vergunning met een regionale indeling en een frequentiebereik van 174,160 MHz–175,696 MHz (frequentieblok 5A), 175,872 MHz–177,408 MHz (frequentieblok 5B), 177,584 MHz–179,120 MHz (frequentieblok 5C), 179,296 MHz–180,832 MHz (frequentieblok 5D), 191,584 MHz–193,120 MHz (frequentieblok 7C), 198,592 MHz–200,128 MHz (frequentieblok 8C), 216,160 MHz–217,696 MHz (frequentieblok 11A), 217,872 MHz–219,408 MHz (frequentieblok 11B), 224,880 MHz–226,416 MHz (frequentieblok 12B); b. b. vergunning B: een vergunning met een lokale indeling en een frequentiebereik van 1452,192 MHz–1479,408 MHz, verdeeld in zestien afzonderlijke frequentieblokken, LA tot en met LP.
Paragraaf 3. Vergunningaanvraag
Artikel 3
1. Degene die voor één of beide vergunningen in aanmerking wil komen, dient een aanvraag in.
2. In de aanvraag wordt aangegeven welke vergunning of vergunningen, bedoeld in artikel 2, wordt of worden aangevraagd.
3. In de aanvraag worden de namen vermeld van ten minste één en ten hoogste vier natuurlijke personen, die beschikken over een rechtsgeldige en toereikende volmacht om namens de aanvrager handelingen te verrichten gedurende de veiling.
4. De aanvraag bevat verder de gegevens en bescheiden, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage I, en wordt overeenkomstig het model in die bijlage ingedeeld.
5. De aanvraag is in de Nederlandse taal gesteld.
6. Met de gegevens en bescheiden, bedoeld in het vierde lid, worden gelijkgesteld zodanige gegevens en bescheiden krachtens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
7. De gegevens en bescheiden, bedoeld in het zesde lid, mogen in afwijking van het vijfde lid, in een van de officiële talen van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte worden gesteld. In dat geval worden die gegevens en bescheiden vergezeld van een Nederlandse vertaling van die gegevens en bescheiden.
Artikel 4
1. Elke aanvrager dient slechts één aanvraag in. Per groep is er maar één aanvrager.
2.
De aanvraag wordt uiterlijk op 9 januari 2009 om 14.00 uur per post ontvangen op dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend bij het volgende adres:
De Minister van Economische Zaken
p/a werkgroep Digitale Omroep
Agentschap Telecom
Emmasingel 1
9726 AH Groningen
3. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, wordt de aanvraag geweigerd.
Artikel 5
1. De aanvrager informeert de Minister onmiddellijk, per brief geadresseerd aan het adres, vermeld in artikel 4, tweede lid, over wijzigingen met betrekking tot de in artikel 3, derde en vierde lid, bedoelde gegevens en bescheiden.
2. Na het tijdstip, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt de aanvraag niet gewijzigd.
3. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, of artikel 4, eerste lid, gestelde eisen, deelt de Minister dit de aanvrager mee en stelt de Minister de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid het verzuim te herstellen.
4. De aanvrager heeft gedurende vijf werkdagen, te rekenen vanaf de dag nadat de mededeling, bedoeld in het derde lid, is verstuurd, de gelegenheid het verzuim te herstellen.
5. De gegevens ten behoeve van het verzuimherstel, bedoeld in het derde lid, worden per post ontvangen op dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend bij het adres, vermeld in artikel 4, tweede lid.
6. Indien het verzuim, bedoeld in het derde lid, binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, niet is hersteld of de aanvraag na herstel niet voldoet aan de in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, of artikel 4, eerste lid, gestelde eisen, wordt de aanvraag overeenkomstig artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht niet in behandeling genomen.
Artikel 6
1. De aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon naar Nederlands recht of het equivalent daarvan naar het recht van een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en heeft zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte.
2.
De aanvrager voldoet voorts aan de volgende eisen:
1°. 1°. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement of liquidatie; 2°. 2°. de aanvrager is geen surseance van betaling verleend, noch is door de aanvrager surseance van betaling aangevraagd; en 3°. 3°. er is geen beslag gelegd op het vermogen dan wel een of meer bedrijfsmiddelen van de aanvrager, die een aanmerkelijk deel van het vermogen van de aanvrager vormen.
3. Met de eisen van het tweede lid, onder 1, 2 en 3, worden gelijkgesteld zodanige eisen volgens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
4.
Binnen vier weken na het tijdstip, bedoeld in artikel 4, tweede lid:
a. a. stelt de Minister vast of de aanvrager wiens aanvraag in behandeling is genomen, voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, en b. b. geeft de Minister toepassing aan artikel 6a, tweede lid, van het Frequentiebesluit.
5. Indien uit de aanvraag niet blijkt dat aan de eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is voldaan dan wel de Minister krachtens artikel 6a, tweede lid, van het Frequentiebesluit een aanvrager volledig uitsluit van deelname aan de veiling, wijst de Minister de aanvraag af.
Paragraaf 4. Vaststelling van de maximale hoeveelheid te verwerven frequentieruimte in de categorie digitale omroep
Artikel 7
Bij een procedure van veiling of vergelijkende toets, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, van het Frequentiebesluit, kan een aanvrager als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet binnen de categorie digitale omroep niet meer frequentieruimte verwerven dan vier multiplexen die elkaar alle over en weer op ten minste één dezelfde locatie in Nederland overlappen.
Paragraaf 5. Verwerving van frequentieruimte in de categorie digitale omroep na het indienen van de aanvraag
Artikel 8
Indien na het tijdstip, bedoeld in artikel 4, tweede lid, en voor de datum van vergunningverlening als bedoeld in artikel 28, eerste lid, de aanvrager frequentieruimte verkrijgt binnen de categorie digitale omroep als gevolg van een overdracht of een overgang, dan wel als gevolg van het feit dat een andere rechtspersoon of vennootschap die houder is van een vergunning binnen de categorie digitale omroep is gaan behoren tot de groep van de aanvrager, kan de Minister, voor zover noodzakelijk in afwijking van de artikelen 9 tot en met 28, de besluiten nemen die nodig zijn om te bereiken dat de aanvrager niet meer frequentieruimte kan verkrijgen dan de frequentieruimte, bedoeld in artikel 7, daaronder begrepen frequentieruimte die niet op basis van deze regeling wordt verdeeld. Hiertoe kan hij onder meer besluiten dat:
a. a. bij het vaststellen van schaarste de aanvraag van de aanvrager voor één of beide vergunningen niet wordt meegerekend; b. b. de uitkomst van een of meer biedronden of een of meer biedingen ongeldig is; c. c. een of meer biedronden opnieuw moeten worden gehouden, of d. d. een aanvraag van de aanvrager voor één of beide vergunningen wordt geweigerd.
Paragraaf 6. Vaststelling eventuele schaarste
Artikel 9
1. Indien de Minister voor een vergunning als bedoeld in artikel 2 op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel a, vaststelt dat, uitgezonderd de aanvragers waarvan de aanvraag is geweigerd op grond van artikel 6, vijfde lid, slechts één aanvrager voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 6, vindt veiling van die vergunning niet plaats en wordt die vergunning aan de betreffende aanvrager verleend.
2. Indien de Minister voor een vergunning als bedoeld in artikel 2 op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel a, vaststelt dat, uitgezonderd de aanvragers waarvan de aanvraag is geweigerd op grond van artikel 6, vijfde lid, meerdere aanvragers voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 6, wordt die vergunning geveild.
3. Indien een aanvrager op grond van een krachtens artikel 6a, tweede lid, van het Frequentiebesluit genomen besluit slechts één vergunning mag verwerven, wordt hij voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitsluitend aangemerkt als een aanvrager voor die vergunning waarvoor hij een voorkeur heeft aangegeven als bedoeld in bijlage I, onderdeel A.3.
Artikel 10
1. Indien na toepassing van artikel 9 de noodzaak van veilen is komen vast te staan, deelt de Minister de desbetreffende aanvragers dit schriftelijk mede. De Minister deelt iedere aanvrager hierbij tevens mede of en voor welke vergunning of vergunningen hij als deelnemer wordt toegelaten tot de veiling alsmede hoeveel vergunningen hij op basis van een krachtens artikel 6a, tweede lid, van het Frequentiebesluit genomen besluit ten hoogste mag verwerven tijdens de veiling.
2. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de deelnemers tevens bekendgemaakt hoeveel deelnemers er per vergunning zijn en hoeveel deelnemers aan de veiling er in totaal zijn.
Paragraaf 7. Zekerheidstelling
Artikel 11
1. Iedere deelnemer voldoet een bedrag tot zekerheid van de gestanddoening van zijn bod. Het bedrag is gelijk aan € 300.000 per vergunning. Uiterlijk 48 uur voor het in artikel 12, eerste lid, bedoelde tijdstip, is het bedrag ontvangen op bankrekeningnummer 19.23.23.806, ten name van de Staat der Nederlanden onder vermelding van ‘Ministerie van Economische Zaken/Agentschap Telecom’, of is voor het bedoelde bedrag ter zekerheidstelling een bankgarantie volgens het model dat als bijlage II bij deze regeling is gevoegd, per post ontvangen op dan wel door persoonlijke overhandiging ingediend bij het in artikel 4, tweede lid, vermelde adres.
2. De deelnemer die heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is gerechtigd om een bod uit te brengen tijdens de eerste ronde van de veiling.
3. De deelnemer die niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is niet gerechtigd om een bod uit te brengen.
Paragraaf 8. Algemene bepalingen omtrent de veiling
Artikel 12
1. De Minister bepaalt de plaats van de veiling alsmede het tijdstip waarop de veiling een aanvang neemt. De plaats en het tijdstip van de veiling worden schriftelijk aan de deelnemers medegedeeld.
2. De veiling wordt uitsluitend op werkdagen gehouden.
Artikel 13
De Minister leidt de veiling en draagt zorg voor een goed verloop van de veiling.
Artikel 14
Gedurende de veiling geschiedt alle communicatie tussen een deelnemer en de Minister uitsluitend schriftelijk.
Artikel 15
1. Een deelnemer onthoudt zich voorafgaand aan en gedurende de veilingprocedure van afspraken of gedragingen die afbreuk doen of kunnen doen aan een goed verloop van de veiling, de mededinging in de veilingprocedure daaronder begrepen.
2. De Minister kan een deelnemer die handelt in strijd met het eerste lid van deelname of van verdere deelname aan de veiling uitsluiten.
Artikel 16
1. De Minister kan de veiling stopzetten of opschorten.
2. De Minister kan onder meer tot stopzetten of opschorting van de veiling overgaan indien naar zijn oordeel sprake is van afspraken of gedragingen in strijd met artikel 15, eerste lid.
3.
Indien een deelnemer in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste lid, kan de Minister:
a. a. de uitkomst van een of meer biedronden ongeldig verklaren; en b. b. besluiten dat een of meer biedronden opnieuw moeten worden gehouden.
Artikel 17
Een deelnemer is onvoorwaardelijk en onherroepelijk aan zijn bod gebonden.
Paragraaf 9. De veilingprocedure
Artikel 18
De vergunningen, waarvan is komen vast te staan dat die op grond van artikel 9, tweede lid, worden geveild, worden gelijktijdig bij opbod geveild. De veiling vindt in ronden plaats.
Artikel 19
1.
De Minister stelt voorafgaand aan de eerste ronde met betrekking tot die ronde vast:
1°. 1°. vanaf welk tijdstip de biedkaarten kunnen worden ingeleverd; en 2°. 2°. op welk tijdstip de biedkaarten uiterlijk moeten zijn ingeleverd.
2.
De Minister stelt voorafgaand aan elke volgende ronde vast:
a. a. met betrekking tot de voorgaande ronde:
1°.
het rondenummer;
2°.
het aantal keren dat op de onderscheidenlijke vergunningen een geldig bod is uitgebracht;
3°.
het door middel van een geldig bod hoogste geboden bedrag per vergunning alsmede het aantal keren dat dit hoogste bedrag is geboden; en
4°.
de deelnemer die, na eventuele loting als bedoeld in artikel 25, tweede lid, wordt aangemerkt als degene die de hoogste geldige bieding heeft uitgebracht.
1°. 1°. het rondenummer; 2°. 2°. het aantal keren dat op de onderscheidenlijke vergunningen een geldig bod is uitgebracht; 3°. 3°. het door middel van een geldig bod hoogste geboden bedrag per vergunning alsmede het aantal keren dat dit hoogste bedrag is geboden; en 4°. 4°. de deelnemer die, na eventuele loting als bedoeld in artikel 25, tweede lid, wordt aangemerkt als degene die de hoogste geldige bieding heeft uitgebracht. b. b. met betrekking tot de volgende ronde:
1°.
het rondenummer;
2°.
het aantal deelnemers dat gerechtigd is een bod uit te brengen op de onderscheidenlijke vergunningen;
3°.
het minimaal te bieden bedrag per vergunning;
4°.
vanaf welk tijdstip de biedkaarten kunnen worden ingeleverd; en
5°.
op welk tijdstip de biedkaarten uiterlijk moeten zijn ingeleverd.
1°. 1°. het rondenummer; 2°. 2°. het aantal deelnemers dat gerechtigd is een bod uit te brengen op de onderscheidenlijke vergunningen; 3°. 3°. het minimaal te bieden bedrag per vergunning; 4°. 4°. vanaf welk tijdstip de biedkaarten kunnen worden ingeleverd; en 5°. 5°. op welk tijdstip de biedkaarten uiterlijk moeten zijn ingeleverd.
3. Onverminderd artikel 24, tweede lid, eindigt een ronde op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, sub 2, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onder b, sub 5, of zoveel eerder als alle biedkaarten zijn ingeleverd met inachtneming van artikel 21, eerste lid.
4. De Minister deelt hetgeen hij heeft vastgesteld op grond van het eerste lid, het tweede lid, aanhef en onder a, sub 1 tot en met 3, en het tweede lid, aanhef en onder b, aan alle deelnemers mee, met dien verstande dat hij per vergunning het op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, sub 3 vastgestelde hoogste geboden bedrag naar boven afrondt op eenheden van € 1.000.
5. De Minister deelt hetgeen hij heeft vastgesteld op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, sub 4, mee aan de betreffende deelnemer.
Artikel 20
1. De Minister verstrekt voorafgaand aan elke ronde een biedkaart aan iedere deelnemer die gerechtigd is een bod uit te brengen. Het model van de biedkaart is als bijlage III bij deze regeling gevoegd.
2. Een bod wordt uitgebracht door middel van de in het eerste lid bedoelde biedkaart.
3. De biedkaart wordt in de Nederlandse taal ingevuld en op de plaats van de veiling bij de Minister ingeleverd.
4. Het bedrag van een bieding of een bod wordt zowel in cijfers als letters geschreven en wordt vermeld in hele euro’s.
Artikel 21
1.
Een bod wordt uitgebracht door middel van een biedkaart die:
a. a. niet eerder dan het in artikel 19, eerste lid, aanhef en sub 1, onderscheidenlijk tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, bedoelde tijdstip, en niet later dan het in artikel 19, eerste lid, aanhef en sub 2, onderscheidenlijk tweede lid, aanhef en onder b, sub 5, bedoelde tijdstip bij de Minister wordt ingeleverd; b. b. wordt ingeleverd door een deelnemer die gerechtigd is in de betreffende ronde een bod uit te brengen op de betreffende vergunning dan wel op de betreffende vergunningen; en c. c. volledig en op de juiste wijze is ingevuld en ondertekend.
2. De Minister stelt vast of degene die de biedkaart inlevert, gerechtigd is namens de deelnemer handelingen te verrichten in de veilingprocedure.
3.
De Minister neemt een biedkaart niet in ontvangst:
a. a. indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, onder a; b. b. indien de biedkaart wordt ingeleverd door een deelnemer die niet gerechtigd is een bod uit te brengen; of c. c. van degene die niet gerechtigd is namens de deelnemer handelingen te verrichten in de veilingprocedure.
Artikel 22
1. Het minimaal te bieden bedrag per vergunning in de eerste ronde is één euro.
2. De onderscheidenlijke minimaal te bieden bedragen per vergunning in elke volgende ronde, bedoeld in artikel 19, tweede lid, aanhef en onder b, sub 3, zijn gelijk aan het op grond van artikel 19, tweede lid, onder 3, hoogste geldig geboden bedrag voor de betreffende vergunning, vermeerderd met een bedrag waarvan de hoogte wordt bepaald op basis van het derde tot en met vijfde lid. De Minister rondt de minimaal te bieden bedragen naar boven af op eenheden van € 1.000.
3.
Het bedrag waarmee het hoogst geldig geboden bedrag wordt vermeerderd, is:
a. a. € 10.000 zolang het hoogst geldig geboden bedrag voor die vergunning nog geen € 100.000 bedraagt; of b. b. 10% van het hoogst geldig geboden bedrag voor die vergunning indien het hoogst geldig geboden bedrag € 100.000 of meer bedraagt.
4. In afwijking van het derde lid, onder b, bedraagt het bedrag waarmee het hoogst geldig geboden bedrag wordt vermeerderd, 5% van het hoogst geldig geboden bedrag voor die vergunning, indien het hoogst geldig geboden bedrag € 100.000 of meer bedraagt en het aantal deelnemers dat in de laatst gehouden ronde geldige biedingen heeft uitgebracht op een vergunning kleiner is dan of gelijk is aan drie.
5.
In afwijking van het tweede, derde en vierde lid stelt de Minister niet een nieuw minimaal te bieden bedrag voor een vergunning vast, indien
a. a. er in de voorafgaande ronde geen geldig bod op die vergunning is uitgebracht; b. b. de volgende ronde de laatste ronde is, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b; of c. c. de volgende ronde een extra ronde is, als bedoeld in artikel 26, derde lid.
6. De Minister kan afwijken van het tweede tot en met vijfde lid.
7. Het aantal vergunningen waarop door een deelnemer in de eerste ronde een bod wordt gedaan, is niet hoger dan de hoeveelheid vergunningen waarvan hem ingevolge artikel 10 is meegedeeld dat hij die op basis van een krachtens artikel 6a, tweede lid, van het Frequentiebesluit genomen besluit ten hoogste mag verwerven. Een deelnemer biedt uitsluitend op de vergunningen waarvoor hij is toegelaten tot de veiling op grond van artikel 10.
Artikel 23
1. De eerste ronde uitgezonderd brengt een deelnemer in een ronde een bod uit op ten hoogste het aantal vergunningen waarop zijn geldige bod in de daaraan voorafgaande ronde betrekking had.
2. In afwijking van artikel 22, tweede tot en met vijfde lid, wordt een deelnemer die in een ronde op een vergunning de hoogste geldige bieding uitbracht, geacht in de daarop volgende ronde dezelfde bieding op die vergunning te hebben uitgebracht.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op de eindronde, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b, en een extra ronde als bedoeld in artikel 26, derde lid.
Artikel 24
1. De Minister beslist over de geldigheid van een bod.
2. Indien een biedkaart niet voldoet aan de artikelen 21, eerste lid, aanhef en onder c, 22 of 23, wordt de deelnemer in totaal ten hoogste vijf keer gedurende de veiling in de gelegenheid gesteld hieraan alsnog te voldoen binnen een door de Minister te stellen termijn.
3.
Een bod is ongeldig indien:
a. a. de biedkaart niet voldoet aan de artikelen 21, eerste lid, aanhef en onder c, 22 of 23; en b. b. na toepassing van het tweede lid niet tijdig is voldaan aan de daarin genoemde bepalingen.
4. De deelnemer die een ongeldig bod, bedoeld in het derde lid, heeft gedaan, wordt hiervan door de Minister op de hoogte gesteld.
Artikel 25
Indien in een ronde twee of meer deelnemers door middel van geldige biedingen hetzelfde hoogste bedrag voor eenzelfde vergunning hebben geboden, stelt de Minister op grond van een loting vast wie van hen wordt aangemerkt als degene die in die ronde voor die vergunning het hoogste bedrag heeft geboden.
Artikel 26
1.
De veiling eindigt indien:
a. a. de hoogste geldige bieding voor elke vergunning hetzelfde bedrag oplevert als in de voorafgaande ronde; of b. b. de laatste ronde die door de Minister als eindronde is aangemerkt, heeft plaatsgevonden.
2. De eindronde, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt ten minste vier ronden van te voren aangekondigd aan de deelnemers.
3. In afwijking van het eerste lid vinden na de laatste ronde nog een of meerdere extra ronden plaats, indien twee of meer deelnemers in die laatste ronde hetzelfde hoogste bedrag voor eenzelfde vergunning hebben geboden of hebben staan.
4. In de extra ronden, bedoeld in het derde lid, zijn uitsluitend de deelnemers, bedoeld in het derde lid, gerechtigd een bod uit te brengen voor die vergunning waarvoor zij hetzelfde bedrag hebben geboden.
5. De extra ronden, bedoeld in het derde lid, eindigen zodra er niet hetzelfde hoogste bedrag voor eenzelfde vergunning meer wordt geboden door twee of meer deelnemers.
Artikel 27
De Minister stelt na het einde van de veiling voor elk van de vergunningen vast:
a. a. welke deelnemer de hoogste geldige bieding heeft uitgebracht; of b. b. dat er, na toepassing van artikel 24, geen geldig bod is uitgebracht.
Paragraaf 10. Vergunningverlening
Artikel 28
1. Na toepassing van artikel 27 wordt een vergunning verleend aan de deelnemer met de hoogste geldige bieding op die vergunning. Het door de betreffende deelnemer voor die vergunning verschuldigde bedrag is gelijk aan het door hem geboden hoogste bedrag op de betreffende vergunning. De Minister deelt alle deelnemers mee welke vergunningen aan wie zullen worden verleend.
2. De Minister wijst de overige aanvragen af.
3.
Uiterlijk twee weken nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan:
a. a. stort de Minister de waarborgsom van de deelnemer aan wie geen vergunningen worden verleend, terug; b. b. stuurt de Minister aan de bank van iedere deelnemer aan wie geen vergunning wordt verleend en die ter zekerheidstelling een bankgarantie heeft overgelegd, een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel II, onder 4, van bijlage II. Een kopie van voornoemde verklaring stuurt de Minister aan de deelnemer; c. c. betaalt de deelnemer aan wie een vergunning wordt verleend en die een bankgarantie had gesteld, het door hem verschuldigde bedrag voor die vergunning, door overmaking van dat bedrag op het bankrekeningnummer, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder vermelding van ‘Ministerie van Economische Zaken, Digitale omroepveiling’. Zodra het verschuldigde bedrag is ontvangen, stuurt de Minister een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel II, onder 4, van bijlage II, aan de Bank van die deelnemer. Een kopie van voornoemde verklaring stuurt de Minister aan de deelnemer. d. d. wordt de waarborgsom van de deelnemer aan wie een vergunning wordt verleend aangewend voor de betaling van het voor die vergunning verschuldigde bedrag, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat:
1°.
indien de waarborgsom van een deelnemer minder dan het voor die vergunning verschuldigde bedrag bedraagt, die deelnemer het restant van het verschuldigde bedrag betaalt door overmaking van dat restant op het bankrekeningnummer, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder vermelding van ‘Ministerie van Economische Zaken, Digitale omroepveiling’, uiterlijk twee weken nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan, en
2°.
indien de waarborgsom van een deelnemer meer dan het voor die vergunning verschuldigde bedrag bedraagt, het bedrag van de waarborgsom dat resteert, aan die deelnemer wordt teruggestort uiterlijk twee weken nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan.
1°. 1°. indien de waarborgsom van een deelnemer minder dan het voor die vergunning verschuldigde bedrag bedraagt, die deelnemer het restant van het verschuldigde bedrag betaalt door overmaking van dat restant op het bankrekeningnummer, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder vermelding van ‘Ministerie van Economische Zaken, Digitale omroepveiling’, uiterlijk twee weken nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan, en 2°. 2°. indien de waarborgsom van een deelnemer meer dan het voor die vergunning verschuldigde bedrag bedraagt, het bedrag van de waarborgsom dat resteert, aan die deelnemer wordt teruggestort uiterlijk twee weken nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan.
4.
De Minister vergoedt de rente over de gestorte waarborgsom vanaf de dag waarop hij de waarborgsom heeft ontvangen op het bankrekeningnummer, genoemd in artikel 11, eerste lid, met dien verstande dat de rente wordt vergoed tot en met de dag:
a. a. voorafgaand aan de dag waarop de waarborgsom door de Minister wordt teruggestort: voor de deelnemer aan wie geen vergunningen worden verleend, of b. b. waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan: voor de deelnemer aan wie een vergunning wordt verleend, met dien verstande dat er alleen rente wordt betaald over het door de deelnemer gestorte bedrag.
5. De Minister vergoedt voorts aan een deelnemer van wie de waarborgsom meer bedraagt dan het voor die vergunning verschuldigde bedrag, rente over het restant, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, sub 2°, over de periode vanaf de dag na de dag dat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop de waarborgsom door de Minister wordt teruggestort, met dien verstande dat alleen rente wordt betaald over dat restant.
6. De Minister stort de rente, bedoeld in het vierde en vijfde lid, op dezelfde dag waarop hij de waarborgsom of het bedrag dat resteert van de waarborgsom, terugstort.
Paragraaf 11. Slotbepalingen
Artikel 29
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 30
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte.