rijk/ministeriele-regeling/regeling-aanvullende-voorschriften-besmettelijke-dierziekten-en-zoönosen/BWBR0012537
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen BWBR0012537 ministeriele-regeling geldend 2004-12-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012537 Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen

Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen

Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Stickering

Artikel 2

1. Vervoerseenheden die worden gebruikt voor het vervoer van mest van evenhoevigen, diervoeders of rauwe melk en gebracht worden op bedrijven of andere plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, zijn voorzien van een kenteken als bedoeld in bijlage II, dat overeenkomt met een van de gebieden waarbinnen voornoemde bedrijven of plaatsen bezocht worden.

2. Vervoerseenheden die worden gebruikt voor het vervoer van gestorven slachtdieren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Destructiewet voorzover afkomstig van plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, zijn voorzien van een kenteken als bedoeld in bijlage II, dat overeenkomt met een van de gebieden waarbinnen gestorven slachtdieren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Destructiewet voorzover afkomstig van plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, wordt opgehaald.

3. Het is verboden vervoerseenheden die overeenkomstig het eerste lid voorzien zijn van een kenteken in een ander gebied te brengen op bedrijven of andere plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, met dien verstande dat de gebieden Noord 1, Noord 2, Noord 3, Zuid 1, Zuid 2 en Zuid 3 als een gebied worden aangemerkt.

4. Het is verboden met vervoerseenheden die overeenkomstig het tweede lid voorzien zijn van een kenteken in een ander gebied gestorven slachtdieren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Destructiewet voorzover afkomstig van plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, op te halen, met dien verstande dat de gebieden Noord 1, Noord 2, Noord 3, Zuid 1, Zuid 2 en Zuid 3 als een gebied worden aangemerkt.

5. Het kenteken, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt afgegeven door de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de belanghebbende en na legitimatie van de bestuurder door middel van het rijbewijs en na overlegging van het kentekenbewijs of registratiebewijs van het betreffende vervoermiddel, met dien verstande dat per vervoerseenheid ten hoogste een kenteken wordt afgegeven.

6. Het eerste tot en met vijfde lid, zijn uitsluitend van toepassing op vervoermiddelen ten aanzien waarvan op grond van artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs, dan wel een registratiebewijs is afgegeven, en op vervoermiddelen waarvan in het land van herkomst, indien dat niet Nederland is, een gelijkwaardig kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

Artikel 3

1. Vervoerseenheden die worden gebruikt voor het vervoer van evenhoevigen en gebracht worden op bedrijven of andere plaatsen waar evenhoevigen worden gehouden, teneinde evenhoevigen op te halen, zijn voorzien van een kenteken als bedoeld in bijlage II, dat overeenkomt met een van de gebieden waarbinnen voornoemde bedrijven of plaatsen bezocht worden.

2. Het is verboden vervoerseenheden die overeenkomstig het eerste lid voorzien zijn van een kenteken in een ander gebied te brengen, met dien verstande dat de gebieden Noord 1, Noord 2, Noord 3, Zuid 1, Zuid 2 en Zuid 3 als een gebied worden aangemerkt.

3. Het kenteken, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven door de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de belanghebbende en na legitimatie van de bestuurder door middel van het rijbewijs en na overlegging van het kentekenbewijs of registratiebewijs van het betreffende vervoermiddel, met dien verstande dat per vervoerseenheid ten hoogste een kenteken wordt afgegeven.

4. Het eerste, tweede en derde lid zijn uitsluitend van toepassing op vervoermiddelen ten aanzien waarvan op grond van artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs, dan wel een registratiebewijs is afgegeven, en op vervoermiddelen waarvan in het land van herkomst, indien dat niet Nederland is, een gelijkwaardig kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

Artikel 4

In afwijking van artikel 2, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 3, derde lid, kan ten aanzien van een vervoerseenheid waarvoor reeds een kenteken is afgeven, aan de belanghebbende op aanvraag door de Dienst Wegverkeer een ander kenteken worden afgegeven indien:

a. a. de vervoerseenheden zijn gereinigd en ontsmet op een door de Minister geregistreerde wasplaats overeenkomstig een door de Minister goedgekeurd hygiëneprotocol en van deze reiniging en ontsmetting een verklaring wordt afgegeven; b. b. het overeenkomstig artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, derde lid, afgegeven kenteken aan de Dienst Wegverkeer wordt geretourneerd, en c. c. ten genoegen van de Dienst Wegverkeer is aangetoond dat de vervoerseenheid in de 72 uur voorafgaand aan de aanvraag geen bedrijf met evenhoevigen heeft bezocht.

Artikel 5

1. Het buiten een gebied brengen van vervoermiddelen, die worden gebruikt voor het vervoer van evenhoevigen, mest van evenhoevigen, diervoeders of rauwe melk en die niet zijn voorzien van een krachtens artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 afgegeven kentekenbewijs, dan wel registratiebewijs is verboden.

2. Het buiten een gebied brengen van vervoermiddelen die worden gebruikt voor het vervoer van evenhoevigen, mest van evenhoevigen, diervoeders of rauwe melk en afkomstig zijn uit een land, niet zijnde Nederland, ten aanzien waarvan in het land van herkomst geen kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven, is verboden.

3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de gebieden Noord 1, Noord 2, Noord 3, Zuid 1, Zuid 2 en Zuid 3 aangemerkt als een gebied.

Paragraaf 3. Reiniging en ontsmetting

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

1.

Een persoon die ter uitoefening van beroep of bedrijf in contact komt met evenhoevigen dan wel een deel van een bedrijfsgebouw betreedt waarbinnen evenhoevigen verblijven:

a. a. gebruikt bedrijfseigen kleding en schoeisel of eigen kleding, mits hij met die kleding geen ander bedrijf bezoekt waar evenhoevigen verblijven; b. b. reinigt en ontsmet zijn schoeisel voor het betreden en bij het verlaten van het bedrijfsgebouw, en c. c. gebruikt zoveel mogelijk de reeds op het bedrijf aanwezige gereedschappen. Indien de benodigde gereedschappen niet op het bedrijf aanwezig zijn, draagt de bezoeker zorg voor reiniging en ontsmetting van de gebruikte gereedschappen.

2. Onder bedrijfsgebouw, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan een bedrijfsgebouw dat deel uitmaakt van een op grond van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 erkend varkensverzamelcentrum, runderverzamelcentrum, schapenverzamelcentrum of geitenverzamelcentrum dan wel, indien van toepassing, een plaats waar een tentoonstelling of keuring wordt gehouden, mits voldaan is aan paragraaf 5 van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000.

Paragraaf 4. Het fokken van schapen

Artikel 8

1. Ter voorkoming van overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen en ter uitvoering van artikel 2 van beschikking (EG) nr. 2003/100 wordt medewerking gevorderd van het Productschap Vee en Vlees.

2.

De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:

a. a. de opstelling van en het uitvoering geven aan het fokprogramma voor schapen, bedoeld in artikel 2 van beschikking (EG) nr. 2003/100, en b. b. het bij verordening stellen van regels ten aanzien van het fokken van schapen ter voorkoming van overdraagbare spongiforme encefalopathieën, waaronder in ieder geval wordt begrepen een verbod op het fokken met schapen die niet in het bezit zijn van een erkenning van het Productschap Vee en Vlees en het stellen van voorwaarden aan het verkrijgen van deze erkenning.

3. Uiterlijk op 1 april 2005 is het fokprogramma, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, verplicht voor schapen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van beschikking (EG) nr. 2003/100.

4. Het Productschap Vee en Vlees kan vrijstelling of ontheffing verlenen van deelname aan het fokprogramma, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, overeenkomstig bijlage I, Deel 3, van beschikking (EG) nr. 2003/100.

5. Het Productschap Vee en Vlees kan bij verordening bepalen dat bij overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Verordening fokken van TSE-ongevoelige schapen (PVV) 2004 van het Productschap Vee en Vlees, tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

Artikel 9

1.

De TSE-resistente status van een koppel schapen als bedoeld in artikel 4 in samenhang met bijlage II van beschikking (EG) nr. 2003/100 kan worden erkend, indien bij de aanvraag van een erkenning aangetoond wordt dat het een koppel schapen betreft:

a. a. dat uitsluitend bestaat uit schapen met genotype ARR/ARR of b. b. waarvan het nageslacht uitsluitend is verwekt door rammen met genotype ARR/ARR.

2. Ter uitvoering van het eerste lid wordt medewerking gevorderd van het Productschap Vee en Vlees.

3. De in het tweede lid bedoelde medewerking bestaat uit het verlenen van de erkenning door het Productschap Vee en Vlees.

Artikel 9a

1. Een aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 9, derde lid, wordt ingediend bij het Productschap Vee en Vlees.

2. Het Productschap Vee en Vlees kan een erkenning als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 9, derde lid, intrekken. Een erkenning als bedoeld in artikel 9, derde lid, wordt in ieder geval ingetrokken, indien bij het onderzoek, bedoeld in bijlage II, punt 2, van beschikking (EG) nr. 2003/100, een ander genotype wordt geconstateerd dan het genotype, bedoeld in artikel 9, eerste lid.

3. Voor de behandeling van een aanvraag van een erkenning, of voor de behandeling van een aanvraag van een wijziging daarvan, en voor de instandhouding van een erkenning, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 9, derde lid, kan het Productschap Vee en Vlees een vergoeding van kosten heffen, overeenkomstig een door haar vastgesteld tarief.

4. Het Productschap Vee en Vlees kan voor de onderzoeken en verrichtingen die zij uitvoert in het kader van het artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot schapen of producten of voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn afkomstig van schapen, voorzover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, of op verzoek van betrokkene plaatsvinden, een vergoeding van kosten heffen.

5. De minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de in artikel 8, eerste lid, en artikel 9, tweede lid, gevorderde medewerking.

Paragraaf 4a. De monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren

Artikel 9a*

1. Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel.

2. De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit het stellen van regels ten behoeve van onderzoek naar de aanwezigheid van zoönosen, zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, overeenkomstig richtlijn nr. 2003/99/EG;

3. Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel verstrekken de minister de gegevens die zij hebben verzameld in het kader van het tweede lid.

4. Het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees, het Productschap Diervoeder en het Productschap Zuivel kunnen voor de onderzoeken of verrichtingen die de productschappen uitvoeren in het kader van het eerste en tweede lid een vergoeding van kosten heffen.

Artikel 9b

1. Ter uitvoering van artikel 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.

2.

De in het eerste lid gevorderde medewerking bestaat uit:

a. a. het stellen van regels met betrekking tot het verrichten van onderzoek ten behoeve van de monitoring van zoönosen, zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde voorschriften ter uitvoering van artikel 4 verordening (EG) nr. 2160/2003; b. b. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van het nationale bestrijdingsprogramma zoönosen en zoönoseverwekkers, bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr. 2160/2003, voorzover het gaat om:

        1°.
        hygiënemaatregelen en vervoersbeperkingen op pluimveebedrijven en bedrijven die producten van pluimvee verwerken ter voorkoming van een besmetting met, naar aanleiding van een verdenking van een besmetting met en naar aanleiding van een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker;
      
      
        2°.
        het doen van onderzoek ten behoeve van de controle op een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker;
      
      
        3°.
        het traceren van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn of zijn geweest op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker;
      
      
        4°.
        het afvoeren, vernietigen en behandelen van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker;
      
      
        5°.
        het vergoeden van de dieren en dierlijke producten, bedoeld onder 4°.

1°. 1°. hygiënemaatregelen en vervoersbeperkingen op pluimveebedrijven en bedrijven die producten van pluimvee verwerken ter voorkoming van een besmetting met, naar aanleiding van een verdenking van een besmetting met en naar aanleiding van een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker; 2°. 2°. het doen van onderzoek ten behoeve van de controle op een besmetting met een zoönose of een zoönoseverwekker; 3°. 3°. het traceren van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn of zijn geweest op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker; 4°. 4°. het afvoeren, vernietigen en behandelen van de dieren en dierlijke producten die aanwezig zijn op een pluimveebedrijf en worden verdacht van of zijn besmet met een zoönose of een zoönoseverwekker; 5°. 5°. het vergoeden van de dieren en dierlijke producten, bedoeld onder 4°. c. c. het stellen van regels met betrekking tot de uitvoering van de speciale bestrijdingsmethoden die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op basis van artikel 8 van verordening (EG) nr. 2160/2003 voorschrijft; d. d. het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden ter uitvoering en controle van de regels die op grond van de onderdelen a, b en c worden gesteld.

3. Het Productschap Pluimvee en Eieren verstrekt de minister de gegevens die het productschap verzamelt in het kader van het tweede lid.

4. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan in de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2005, de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2005 en de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Verordening Hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2005, bepalen dat bij overtreding van deze artikelen tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

5. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de regels waarvoor, overeenkomstig het vierde lid, tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

6. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan voor de onderzoeken of verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het eerste en tweede lid een vergoeding van kosten heffen.

Artikel 9c

De termijn, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten bedraagt twee jaar.

Artikel 9d

1. Artikel 9a en artikel 9b zijn van toepassing vanaf het moment dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 2160/2003 het nationale bestrijdingsprogramma zoönosen en zoönoseverwekkers heeft goedgekeurd.

2. Van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, doet de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mededeling in de Staatscourant.

3. Overeenkomstig artikel 15 van richtlijn 2003/99/EG zijn tot het moment van goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, de maatregelen van toepassing die zijn vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig richtlijn 92/117/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen (PbEG 1993 L 62).

Paragraaf 5. Verzamelen van evenhoevigen

Artikel 10

1. Onverminderd het bepaalde in de Regeling handel levende dieren en levende producten is het verboden evenhoevigen, niet zijnde varkens en ingeschaarde schapen, van een bedrijf of andere plaats, niet zijnde een erkend verzamelcentrum, af te voeren indien in de periode van 21 dagen voorafgaand aan het voorgenomen vervoer op dat bedrijf of die plaats evenhoevigen zijn aangevoerd.

2.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van:

  • evenhoevigen rechtstreeks naar een slachthuis, of
  • evenhoevigen, niet zijnde weiderunderen, als bedoeld in de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000, via een erkend verzamelcentrum naar een slachthuis, indien de af te voeren evenhoevigen direct voorafgaand aan de afvoer tenminste 21 aaneengesloten dagen op de plaats van afvoer hebben verbleven.

3.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van runderen van een opfokbedrijf naar een melkveehouderijbedrijf, mits het opfokbedrijf:

a. a. is geregistreerd door de Minister; b. b. uitsluitend runderen, jonger dan 26 maanden, die op ten hoogste drie verschillende bedrijven zijn geboren, en droogstaande koeien houdt. c. c. uitsluitend runderen afvoert naar het melkveehouderijbedrijf van herkomst of een slachthuis; d. d. geen andere evenhoevigen houdt dan de onder b bedoelde runderen, en e. e. documenten aanwezig heeft waaruit blijkt op welk bedrijf de gehouden runderen zijn geboren.

4.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor de afvoer van runderen, jonger dan 12 maanden, en droogstaande koeien van een melkveehouderijbedrijf, naar:

a. a. een op grond van het derde lid, onderdeel a, geregistreerd opfokbedrijf, indien deze runderen van het opfokbedrijf worden afgevoerd naar het melkveehouderijbedrijf van herkomst of een slachthuis, of b. b. een erkend runderverzamelcentrum.

5. Het melkveehouderijbedrijf, bedoeld in het vierde lid, is geregistreerd door de Minister.

6. Het is een bedrijf, niet zijnde een erkend varkens- of runderverzamelcentrum, waarop evenhoevigen worden gehouden verboden om op dezelfde dag evenhoevigen aan te voeren en af te voeren.

7. Het in het eerste en zesde lid bedoelde verbod alsmede de verplichting, bedoeld in het tweede lid, gelden niet voor het vervoer van meer dan licht zieke of licht gewonde evenhoevigen ter noodslachting, bedoeld in artikel 10 van het Besluit dierenvervoer 1994, en voor het vervoer van runderen, jonger dan zes maanden, van een op grond van artikel 9 van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra erkend runderspermawincentrum naar een slachthuis.

8. Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een bedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het in zoverre in afwijking van het zesde lid toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op het bedrijf van herkomst aan te voeren en, na gedeeltelijke lossing, de niet geloste varkens direct weer af te voeren.

9. De aanvraag voor de registratie, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt bij de Voedsel en Waren Autoriteit ingediend op een daartoe ter beschikking gesteld formulier.

10.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor

a. a. de afvoer van runderen, schapen of geiten van een plaats waar een tentoonstelling of keuring heeft plaatsgevonden, mits voldaan is aan paragraaf 5 van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000, en b. b. de afvoer van evenhoevigen van een plaats, voorzover daar geen evenhoevigen bijeen zijn gebracht afkomstig van verschillende plaatsen.

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

1. Het is verboden evenhoevigen, niet zijnde runderen, varkens, schapen of geiten, afkomstig van verschillende plaatsen, voor een kortere periode dan 21 dagen bijeen te brengen op een plaats, waaronder mede wordt verstaan een vervoermiddel.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het bijeenbrengen van evenhoevigen op een slachthuis.

3. Het is verboden evenhoevigen, niet zijnde runderen, varkens, schapen, of geiten, af te voeren van een slachthuis.

Artikel 13

1. Evenhoevigen, die binnen Nederland worden gebracht, worden rechtstreeks vervoerd naar en afgeleverd op één bedrijf, waaronder worden begrepen een erkend runderverzamelcentrum of een op grond van artikel 9l van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 erkend schapen- of geitenverzamelcentrum, of één slachthuis.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover evenhoevigen rechtstreeks worden vervoerd naar een land, niet zijnde Nederland.

Artikel 14

Vervallen

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 15

1. De registratie van een opfokbedrijf, bedoeld in artikel 10, derde lid, onderdeel a, kan door de Minister worden doorgehaald, indien het opfokbedrijf niet voldoet aan artikel 10, derde lid, onderdelen b, c, d of e.

2. De registratie van een melkveehouderijbedrijf, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, kan door de Minister worden doorgehaald, indien het melkveehouderijbedrijf niet voldoet aan artikel 10, vierde lid, onderdeel a of b.

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

1. Een hygiëneprotocol dat op grond van artikel 4.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Regeling compartimentering Nederland mond- en klauwzeer 2001 III door of namens de Minister is goedgekeurd, geldt als een door de Minister op grond van artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b goedgekeurd hygiëneprotocol.

2. Een kenteken dat op grond van artikel 2.1, vijfde lid, 2.2, derde lid, of 4 van de Regeling compartimentering Nederland mond- en klauwzeer 2001 III door de Dienst Wegverkeer is afgegeven, geldt als een door de Dienst Wegverkeer op grond van artikel 2, vijfde lid, 3, derde lid, of 4 afgegeven kenteken.

Artikel 18

Wijzigt de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000.

Artikel 19

De Regeling compartimentering Nederland mond- en klauwzeer 2001 III wordt ingetrokken.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen.

Artikel 21

Deze regeling wordt op 6 juni 2001 om 19:00 uur bekendgemaakt aan de media en treedt onmiddellijk daarna in werking.

Artikel 22

1. Deze regeling berust op de artikelen 17, 18, tweede lid, 30, eerste en derde lid, en 77 en 94, eerste lid, onderdelen i, j en k, 108 en 108a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

2. Deze regeling berust mede op de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke dierziekten.

Bijlage I. bij de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen

Bijlage II. behorende bij de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Noord 2. Dit kenteken heeft een gele achtergrond

[afbeelding]

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Noord 3. Dit kenteken heeft een donkerblauwe achtergrond.

[afbeelding]

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Noord 1. Dit kenteken heeft een rode achtergrond.

[afbeelding]

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Zuid 1. Dit kenteken heeft een groene achtergrond.

[afbeelding]

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Zuid 2. Dit kenteken heeft een paarse achtergrond.

[afbeelding]

Kenteken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behorende bij gebied Zuid 3. Dit kenteken heeft een lichtblauwe achtergrond.

[afbeelding]