rijk/ministeriele-regeling/regeling-aanwijzing-categorieën-duurzame-energieproductie-najaar-2018/BWBR0041355
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018 BWBR0041355 ministeriele-regeling geldend 2018-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0041355 Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *algemene uitvoeringsregeling:*
    Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;

    *allesvergisting:* biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

    *beschermingszone:* beschermingszone als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

    *besluit:*
    Besluit stimulering duurzame energieproductie;

    *biosyngas;* mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

    *doublet:* combinatie van twee naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

    *hernieuwbaar gas hub:* verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie, met uitzondering van de productie-installatie, wordt ingevoed;

    *ketel:* installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met behulp van een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

    *Minister:* Minister van Economische Zaken en Klimaat;

    *netto P50-waarde vollasturen:* aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

    *nominaal elektrisch rendement:* quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:
  
    
      a.
      de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en
    
    
      b.
      het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

a. a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en b. b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

    *nominaal vermogen:* maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. In het geval van geothermische productie-installaties dient het nominaal vermogen te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

    *NTA 8003:* 2008: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;

    *hernieuwbare warmte:* nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;

    *richtlijn hernieuwbare energie:*
    richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

    *thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa:* omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:
  
    
      a.
      verbranding;
    
    
      b.
      een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of
    
    
      c.
      de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

a. a. verbranding; b. b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of c. c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

    *valhoogte:* verschil in waterpeil voor en achter de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

    *vergistingen co-vergisting van dierlijke mest:* biologische afbraakreacties van in hoofdzaak vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, al dan niet aangevuld met een of meer producten genoemd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij het restant na vergisting als meststof mag worden verhandeld;

    *vergisting van uitsluitend dierlijke mest:* biologische afbraakreacties van vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

    *waterstaatswerk:* waterstaatswerk als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, eerste lid, 20, eerste lid, 22, eerste lid, 24, 26, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, die wordt aangevraagd in de periode van 2 oktober 2018, 09:00 uur, tot 8 november 2018, 17:00 uur, bedraagt € 6.000.000.000.

2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

3. Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

4. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien de toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie, noch een gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.

5. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

7. Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.

Artikel 3

1. Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.

2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 30, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.

3. Productie-installaties als bedoeld in artikel 24, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

4. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel c, 16, 18, eerste lid, 24, onderdelen b en c, 26, 28, eerste lid, en 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid,36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

5. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, en 12, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6. Productie-installaties als bedoeld in artikel 14, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

7. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid en 20, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, artikel 18, eerste lid, en 20, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.

9. Productie-installaties als bedoeld in de artikel 26, en artikel 28, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.

10. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, 24, 26, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

11. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 26, onderdelen c, d en e, 28, eerste lid, onderdeel b, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.

12. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 16, en 26, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

Paragraaf 3. Categorieën

Paragraaf 3.1. Hernieuwbare elektriciteit

Paragraaf 3.1.1. Waterkracht

Artikel 4

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

a. a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter; b. b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of c. c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

Artikel 5

1. Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.1.2. Osmose

Artikel 6

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassas.

Artikel 7

1. Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.1.3. Wind op land

Artikel 8

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10 of 12, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2017, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. a. ≥ 8,0 m/s; b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; of d. d. < 7,0 m/s.

2. De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 9

1. Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.1.4. Wind op primaire waterkering

Artikel 10

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2017, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. a. ≥ 8,0 m/s; b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; of d. d. < 7,0 m/s.

2.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 11

1. Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.1.5. Wind in meer

Artikel 12

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.

2.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 13

1. Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.1.6. Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 14

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

a. a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp; of b. b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp.

Artikel 15

1. Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel b, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4. Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de Algemene uitvoeringsregeling duurzame energieproductie niet van toepassing.

Paragraaf 3.2. Hernieuwbaar gas

Paragraaf 3.2.1. Biomassavergisting

Artikel 16

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is; b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van vergisting van uitsluitend dierlijke mest, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

Artikel 17

1. Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.2.2. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 18

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas nieuw zijn.

2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 19

1. Subsidie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.2.3. Biomassavergassing

Artikel 20

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, door middel van vergassing.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

Artikel 21

1. Subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Paragraaf 3.3.1. Zonthermie voor warmte

Artikel 22

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

a. a. groter dan of gelijk aan 140 kW en kleiner dan 1 MW, of b. b. groter dan of gelijk aan 1 MW.

2. Het vermogen in kW van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.

Artikel 23

1. Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.2. Geothermie voor warmte

Artikel 24

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter; b. b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 500 meter; c. c. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, of b, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 500 meter; of d. d. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 3.500 meter.

Artikel 25

1. Subsidie als bedoeld in artikel 24 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.3. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 26

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is; b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is; c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt; d. d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt; e. e. een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW voor elektrisch en thermisch vermogen samen waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van vergisting van uitsluitend dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt; of f. f. een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van vergisting van uitsluitend dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

Artikel 27

1. Subsidie als bedoeld in artikel 26 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.4. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 28

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

a. a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of b. b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 29

1. Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.5. Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 30

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 500, 550 tot en met 573, 587, 592, 594, 596 en 802 van de NTA 8003: 2008 in een ketel.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 31

1. Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.6. Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 32

1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en kleiner dan 5 MW waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 33

1. Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 34

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

a. a. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt; b. b. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt; c. c. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt; d. d. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt; e. e. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt; f. f. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt; g. g. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; h. h. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 35

1. Subsidie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.8. Ketel industriële stoom uit houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 36

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van industriële stoom of hernieuwbare elektriciteit en industriële stoom geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van industriële stoom of hernieuwbare elektriciteit en industriële stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

a. a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand, b. b. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 37

1. Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van 8 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 3.3.9. Brander op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 38

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW waarin:

a. a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand; b. b. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a.

2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 39

1. Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Paragraaf 4. Fasebedragen

Artikel 40

1.

Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:

a. a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de derde fase sluit op 8 november 2018, 17:00 uur; b. b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 43a, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; c. c. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de vierde kolom genoemde bedrag.

              1
            
            
              2
            
            
              3
            
            
              4
            
          
          
            
              fase
            
            
              datum openstelling
            
            
              fasebedrag in eur/kWh
            
            
              fasebedrag hernieuwbaar gas in eur/kWh
            
          
        
        
          
            
              1
            
            
              2 oktober 2018, 9:00 uur
            
            
              0,090
            
            
              0,064
            
          
          
            
              2
            
            
              15 oktober 2018, 17:00 uur
            
            
              0,110
            
            
              0,078
            
          
          
            
              3
            
            
              29 oktober 2018, 17:00 uur
            
            
              0,130
            
            
              0,092
    1. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 22, eerste lid, 24, 26, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
    1. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, en 20, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
    1. Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag voor de productie van hernieuwbaar gas het fasebedrag gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen, tenzij het fasebedrag gelijk is aan het fasebedrag in de vierde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel, in welk geval het fasebedrag van de derde kolom geldt.

Paragraaf 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen

Paragraaf 5.1. Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 41

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag; b. b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2018 vastgesteld op:

      1°.
      voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
    
    
      2°.
      voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
    
  
  
    
      
      
      
      
      
      
      
        
          
            1
          
          
            2
          
          
            3
          
          
            4
          
          
            5
          
          
            6
          
        
        
          
            Artikel regeling
          
          
            Categorie
          
          
            Basisbedrag in eur/kWh
          
          
            Vollasturen
          
          
            Basiselektriciteitsprijs in eur/kWh
          
          
            Voorlopig correctiebedrag 2018 in eur/kWh
          
        
      
      
        
          
            
              Artikel 4, onderdeel a
            
          
          
            Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie
          
          
            0,130
          
          
            3.700
          
          
            0,027
          
          
            0,038
          
        
        
          
            Artikel 4, onderdeel b
          
          
            Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm
          
          
            0,130
          
          
            5.700
          
          
            0,027
          
          
            0,038
          
        
        
          
            Artikel 4, onderdeel c
          
          
            Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie
          
          
            0,100
          
          
            2.600
          
          
            0,027
          
          
            0,038
          
        
        
          
            
              Artikel 6
            
          
          
            Osmose
          
          
            0,130
          
          
            8.000
          
          
            0,027
          
          
            0,038
          
        
        
          
            
              Artikel 8, eerste lid, onderdeel a
            
          
          
            Wind op land, ≥ 8,0 m/s
          
          
            0,054
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 8, eerste lid, onderdeel b
          
          
            Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
          
          
            0,059
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 8, eerste lid, onderdeel c
          
          
            Wind op land,
            ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
          
          
            0,064
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 8, eerste lid, onderdeel d
          
          
            Wind op land, < 7,0 m/s
          
          
            0,073
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            
              Artikel 10, eerste lid, onderdeel a
            
          
          
            Wind op primaire waterkeringen, ≥ 8,0 m/s
          
          
            0,058
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 10, eerste lid, onderdeel b
          
          
            Wind op primaire waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
          
          
            0,063
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 10, eerste lid, onderdeel c
          
          
            Wind op primaire waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
          
          
            0,069
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            Artikel 10, eerste lid, onderdeel d
          
          
            Wind op primaire waterkeringen, < 7,0 m/s
          
          
            0,077
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            
              Artikel 12, eerste lid
            
          
          
            Wind in meer, water ≥ 1 km^2
          
          
            0,085
          
          
            netto P50-waarde vollasturen
          
          
            0,022
          
          
            0,032
          
        
        
          
            
              Artikel 14, onderdeel a
            
          
          
            Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A
          
          
            0,106
          
          
            950
          
          
            Netlevering:
            0,022
          
          
            Netlevering:
            0,038
          
        
        
          
            Niet netlevering:
            0,047
          
          
            Niet netlevering:
            0,063
          
        
        
          
            Artikel 14, onderdeel b
          
          
            Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp,
          
          
            0,099
          
          
            950
          
          
            Netlevering:
            0,022
          
          
            Netlevering:
            0,038
          
        
        
          
            Niet netlevering:
            0,039
          
          
            Niet netlevering:
            0,055

1°. 1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

Paragraaf 5.2. Hernieuwbaar gas

Artikel 42

1.

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; b. b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2018 vastgesteld op:

        1°.
        voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
      
      
        2°.
        voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.
      
    
    
      
        
        
        
        
        
        
        
          
            
              1
            
            
              2
            
            
              3
            
            
              4
            
            
              5
            
            
              6
            
          
        
        
          
            
              Artikel regeling
            
            
              Categorie
            
            
              Basisbedrag in eur/kWh
            
            
              Vollasturen
            
            
              Basisenergie-prijs in eur/kWh
            
            
              Voorlopig correctiebedrag 2018 in eur/kWh
            
          
          
            
              
                Artikel 16, onderdeel a
              
            
            
              Allesvergisting
            
            
              0,055
            
            
              8.000
            
            
              0,016
            
            
              0,017
            
          
          
            
              Artikel 16, onderdeel b
            
            
              Vergisting en covergisting van dierlijke mest
            
            
              0,065
            
            
              8.000
            
            
              0,016
            
            
              0,017
            
          
          
            
              Artikel 16, onderdeel c
            
            
              Vergisting van uitsluitend dierlijke mest ≤ 400 kW
            
            
              0,092
            
            
              8.000
            
            
              0,016
            
            
              0,017
            
          
          
            
              
                Artikel 18, eerste lid
              
            
            
              Verbeterde slibgisting bij rioolwater-zuiverings-installaties
            
            
              0,046
            
            
              8.000
            
            
              0,016
            
            
              0,017
            
          
          
            
              
                Artikel 20, eerste lid
              
            
            
              Biomassa-vergassing (≥95% biogeen)
            
            
              0,092
            
            
              7.500
            
            
              0,016
            
            
              0,017

1°. 1°. voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.

2. Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, en 20, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen.

Paragraaf 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 43

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; b. b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. c. de basisenergie- of basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en d. d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2018 vastgesteld op:

      1°.
      voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
    
    
      2°.
      voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, of 47, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
    
  
  
    
      
      
      
      
      
      
      
        
          
            1
          
          
            2
          
          
            3
          
          
            4
          
          
            5
          
          
            6
          
        
      
      
        
          
            Artikel regeling
          
          
            Categorie
          
          
            Basisbedrag in eur/kWh
          
          
            Vollasturen
          
          
            Basisenergie-prijs in eur/kWh
          
          
            Voorlopig correctiebedrag 2018 in eur/kWh
          
        
        
          
            
              Artikel 22, eerste lid, onderdeel a
            
          
          
            Zonthermie ≥ 140 kW en <
            1 MW
          
          
            0,094
          
          
            700
          
          
            0,029
          
          
            0,029
          
        
        
          
            Artikel 22, eerste lid, onderdeel b
          
          
            Zonthermie ≥
            1 MW
          
          
            0,083
          
          
            700
          
          
            0,023
          
          
            0,024
          
        
        
          
            
              Artikel 24, onderdelen a en b
            
          
          
            Geothermie warmte, diepte ≥ 500 meter
          
          
            0,053
          
          
            6.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 24, onderdeel c
          
          
            Geothermie warmte aanvullende put, diepte ≥ 500 meter
          
          
            0,034
          
          
            6.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 24, onderdeel d
          
          
            Geothermie warmte, diepte ≥ 3.500 meter
          
          
            0,060
          
          
            7.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            
              Artikel 26,onderdeel a
            
          
          
            Warmte allesvergisting
          
          
            0,061
          
          
            7.000
          
          
            0,023
          
          
            0,024
          
        
        
          
            Artikel 26,onderdeel b
          
          
            Warmte vergisting en covergisting van dierlijke mest
          
          
            0,065
          
          
            7.000
          
          
            0,023
          
          
            0,024
          
        
        
          
            Artikel 26,onderdeel c
          
          
            Gecombineerde opwekking allesvergisting
          
          
            0,067
          
          
            7.623
          
          
            0,025
          
          
            0,031
          
        
        
          
            Artikel 26, onderdeel d
          
          
            Gecombineerde opwekking vergisting en covergisting van dierlijke mest
          
          
            0,068
          
          
            7.322
          
          
            0,028
          
          
            0,035
          
        
        
          
            Artikel 26, onderdeel e
          
          
            Gecombineerde opwekking vergisting van uitsluitend dierlijke mest ≤ 400 kW
          
          
            0,124
          
          
            6.374
          
          
            0,040
          
          
            0,046
          
        
        
          
            Artikel 26, onderdeel f
          
          
            Warmte vergisting van uitsluitend dierlijke mest ≤ 400 kW
          
          
            0,100
          
          
            7.000
          
          
            0,054
          
          
            0,054
          
        
        
          
            
              Artikel 28, eerste lid, onderdeel a
            
          
          
            Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, warmte
          
          
            0,033
          
          
            7.000
          
          
            0,023
          
          
            0,024
          
        
        
          
            Artikel 28, eerste lid, onderdeel b
          
          
            Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, gecombineerde opwekking
          
          
            0,049
          
          
            5.729
          
          
            0,028
          
          
            0,035
          
        
        
          
            
              Artikel 30, eerste lid
            
          
          
            Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,073
          
          
            7.000
          
          
            0,023
          
          
            0,024
          
        
        
          
            
              Artikel 32, eerste lid
            
          
          
            Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,055
          
          
            3.000
          
          
            0,029
          
          
            0,029
          
        
        
          
            
              Artikel 34, eerste lid, onderdeel a
            
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,050
          
          
            5.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel b
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,049
          
          
            5.500
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel c
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,048
          
          
            6.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel d
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,048
          
          
            6.500
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel e
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,048
          
          
            7.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel f
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,047
          
          
            7.500
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel g
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,047
          
          
            8.000
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            Artikel 34, eerste lid, onderdeel h
          
          
            Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,047
          
          
            8.500
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            
              Artikel 36, eerste lid
            
          
          
            Ketel industriële stoom uit houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,066
          
          
            8.500
          
          
            0,016
          
          
            0,017
          
        
        
          
            
              Artikel 38, eerste lid
            
          
          
            Brander op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
          
          
            0,050
          
          
            3.000
          
          
            0,021
          
          
            0,021

1°. 1°. voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, of 47, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 44

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2018.

Artikel 45

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018.

Bijlage 1. behorende bij

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Artikel 2

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Artikel 3

1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Artikel 4

1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

4. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Artikel 5

1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Artikel 6

1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Artikel 7

1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Artikel 8

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/......

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te.....

Ondernemer

te 's-Gravenhage op.....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

....., gevestigd te....., hierna te noemen de Bank,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

VERKLAART ALS VOLGT

Getekend te

op

De Bank

Bijlage 2. behorende bij de