rijk/ministeriele-regeling/regeling-aanwijzing-filminvesteringen-2002/BWBR0013875
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002 BWBR0013875 ministeriele-regeling geldend 2002-07-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013875 Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002

Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 2

Als filminvesteringen als bedoeld in artikel 3.33 van de wet worden aangewezen: films die primair zijn bestemd voor vertoning in bioscopen, noch reclamefilms noch voorlichtingsfilms betreffend, aan de voortbrenging waarvan een projectvoorstel ten grondslag ligt dat bestaat uit de volgende onderdelen:

a. a. de totale productiebegroting die niet meer bedraagt dan € 15.000.000; indien de productiebegroting meer bedraagt dan € 2.500.000 wordt een kopie van de principe-overeenkomst met de completion-guarantor voor de oplevering van de film overgelegd; b. b. het financieringsplan; c. c. het verkoop- en exploitatieplan waaruit onder meer blijkt dat de opbrengstgaranties ten minste 25% van de kosten zoals opgenomen in de productiebegroting bedragen; d. d. het marketing- en promotieplan; e. e. het scenario en de synopsis; f. f. ten minste een optie op de verfilmingsrechten.

Artikel 3

1. Willekeurige afschrijving op filminvesteringen is alleen van toepassing indien door de Minister van Economische Zaken een verklaring als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet is afgegeven.

2. De Minister van Economische Zaken geeft op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek een verklaring af als bedoeld in het eerste lid indien de filminvesteringen voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 2.

3. Indien artikel VI, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur) (Stb. 2001, 641) van toepassing is, wordt de in het eerste lid bedoelde verklaring geacht te zijn verstrekt.

Artikel 4

1. De Minister van Economische Zaken geeft op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek een verklaring af als bedoeld in artikel 3.42b, eerste lid, van de wet indien de filminvesteringen voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 2, en toekenning van de filminvesteringsaftrek terzake past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag.

2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven onder de voorwaarde dat binnen 5 maanden na afgifte van de verklaring de met de belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst ter zake van de filminvesteringen aan Senter te Zwolle is overgelegd.

Artikel 5

1. Het formulier voor het indienen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Het aanvraagformulier dient volledig en juist te worden ingevuld en vergezeld van de gevraagde bijlagen schriftelijk te worden ingediend bij Senter te Zwolle.

3. De verzoeken worden in volgorde van ontvangst behandeld met dien verstande dat, indien de belastingplichtige of zijn gemachtigde niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van het verzoek en met toepassing van artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad het verzoek aan te vullen, de dag waarop het verzoek voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de behandeling als datum van ontvangst geldt.

Artikel 6

1. De in de artikelen 3 en 4 bedoelde verklaringen kunnen worden ingetrokken indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens en bescheiden volledig bekend zouden zijn geweest en de onjuistheid of onvolledigheid van de gegevens of bescheiden de Minister van Economische Zaken niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn.

2. De in artikel 4 bedoelde verklaring wordt ingetrokken indien niet binnen 5 maanden na afgifte van de verklaring de met de belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst ter zake van de filminvesteringen aan Senter te Zwolle is overgelegd.

3. De bevoegdheid tot het intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

Artikel 7

De periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, wordt gesteld op vijf jaren aanvangende met de dagtekening van de in artikel 3 bedoelde verklaring.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing filminvesteringen 2002.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A en F, en artikel VI (overgangsbepaling in verband met artikel I, onderdeel F) van de wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur) (Stb. 2001, 641) in werking treden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant 1De terinzaglegging geschiedt bij Senter, Dokter van Deenweg 108, Zwolle..