40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015 | BWBR0035982 | ministeriele-regeling | geldend | 2015-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0035982 | Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015 |
Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
bedrijfscommissie overheid: de bedrijfscommissie voor de overheid, bedoeld in artikel 2;
-
ondernemingsraad: een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een vergadering als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden;
-
bemiddeling: de bemiddeling zoals bedoeld in artikel 4;
-
werkgevers en verenigingen van werkgevers: de sector Rijk, de sector Politie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging werken voor waterschappen en het Interprovinciaal Overleg;
-
centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel, de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel, het Ambtenarencentrum, en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen; a. de sector Rijk: de ambtelijke diensten van:
a. elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie; b. de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal; c. de Raad van State; d. de Algemene Rekenkamer; e. de Nationale ombudsman; f. de Hoge Raad van Adel; g. het Kabinet van de Koning; h. de Kanselarij der Nederlandse Orden; i. het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; j. de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden; k. het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
a. a. elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie; b. b. de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal; c. c. de Raad van State; d. d. de Algemene Rekenkamer; e. e. de Nationale ombudsman; f. f. de Hoge Raad van Adel; g. g. het Kabinet van de Koning; h. h. de Kanselarij der Nederlandse Orden; i. i. het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; j. j. de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden; k. k. het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
Artikel 2
1. Er is een bedrijfscommissie overheid.
2. De bedrijfscommissie overheid vervult de taak zoals opgedragen in de Wet op de ondernemingsraden.
3. De bedrijfscommissie overheid bestaat uit leden die worden benoemd door de werkgevers en verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel.
4. De bedrijfscommissie overheid heeft een secretariaat.
Hoofdstuk 2. Taak bedrijfscommissie overheid
Artikel 3
1. De bedrijfscommissie overheid behandelt aangelegenheden, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de ondernemingsraden.
2.
De bedrijfscommissie overheid geeft uitvoering aan haar taak, bedoeld in het eerste lid, door in ieder geval:
a. a. op verzoek te bemiddelen bij geschillen en bij het niet slagen van de bemiddeling te adviseren over de oplossing van het geschil; b. b. op verzoek te adviseren over toepassing van de Wet op de ondernemingsraden; c. c. voorlichting te verzorgen over de Wet op de ondernemingsraden en de toepassing van de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 4
1. Iedere belanghebbende kan de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
2. De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
3. De ondernemingsraad en ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad kunnen de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
4.
Een in te dienen verzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. a. partijen bij het geschil hebben overeenstemming over het verzoek om bemiddeling door de bedrijfscommissie overheid; b. b. partijen zien af van de gang naar de kantonrechter zolang de bemiddeling van de bedrijfscommissie overheid duurt, dan wel bij niet geslaagde bemiddeling de bedrijfscommissie overheid haar advies heeft uitgebracht; en c. c. het verzoek is voldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd.
5. De voorwaarde bedoeld in onderdeel b van het vierde lid, is niet van toepassing als partijen het geschil al aan de kantonrechter hebben voorgelegd en zijn ingegaan op de door de kantonrechter geboden mogelijkheid te proberen het geschil op te lossen zonder uitspraak van de kantonrechter.
6. Bij een verzoek om bemiddeling kan de verzoeker vragen om behandeling volgens de verkorte bemiddelprocedure, zoals beschreven in paragraaf 3.2.
Artikel 5
1. Partijen bij het geschil bepalen of de bemiddeling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, geslaagd is.
2. Het advies van de bedrijfscommissie overheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, dat volgt op een niet geslaagde bemiddeling is een niet-bindend advies.
3. Partijen bij het geschil kunnen, in afwijking van het tweede lid, overeenkomen het advies van de bedrijfscommissie overheid te aanvaarden als een bindend advies.
Hoofdstuk 3. Werkwijze van de bedrijfscommissie overheid bij een verzoek om bemiddeling
Paragraaf 3.1. Reguliere bemiddelprocedure
Artikel 6
1. Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling als bedoeld in artikel 4, gaat de bedrijfscommissie overheid na of zij bevoegd is het verzoek te behandelen.
2. Als een andere bedrijfscommissie bevoegd is het verzoek te behandelen, wordt het verzoek direct doorgezonden naar die commissie. Van de doorzending wordt gelijktijdig met de doorzending de verzoeker op de hoogte gesteld.
3. Verklaart de bedrijfscommissie overheid zich onbevoegd op een andere grond dan genoemd in het tweede lid, dan stelt zij de verzoeker hiervan direct op de hoogte. De kennisgeving gebeurt schriftelijk en gemotiveerd.
Artikel 7
1. Een verzoek om bemiddeling is ontvankelijk als het voldoet aan het gestelde in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid.
2. Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling gaat de bedrijfscommissie overheid na of het verzoek voldoet aan het gestelde in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid.
3. Als de bedrijfscommissie overheid een verzoek niet-ontvankelijk verklaart, wordt de verzoeker hiervan direct op de hoogte gesteld. De kennisgeving gebeurt schriftelijk en gemotiveerd.
4. Als de bedrijfscommissie overheid een verzoek onvoldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd vindt, dan vraagt zij de verzoeker om aanvulling. Daarbij wordt aangegeven welke punten moeten worden aangevuld en welke documenten moeten worden aangeleverd. Zij stelt daarbij aan de verzoeker een termijn. Een verzoek is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, wanneer de verzoeker daarin niet zijn reactie geeft op het standpunt van de wederpartij in het geschil, zoals dit standpunt uit de meegestuurde documenten blijkt.
Artikel 8
1. Nadat is vastgesteld dat de bedrijfscommissie overheid bevoegd is en het verzoek ontvankelijk is, stelt de bedrijfscommissie overheid de verzoeker er van op de hoogte dat het verzoek in behandeling wordt genomen.
2. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt informatie verstrekt over de procedure en de vermoedelijke duur daarvan, de aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 11, en de eventuele opschorting daarvan.
Artikel 9
1. De bedrijfscommissie overheid beslist over de wijze waarop zij het verzoek om bemiddeling zal behandelen.
2. Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten.
3. Partijen bij het geschil worden gevraagd voor het starten van de bemiddeling aan te geven of zij artikel 5, derde lid, toepassen en het advies dat volgt op een niet geslaagde bemiddeling als een bindend advies aanvaarden.
Artikel 10
1. De bedrijfscommissie overheid brengt van elke bemiddeling schriftelijk verslag uit van haar bevindingen.
2.
Het schriftelijk verslag bevat ten minste de volgende onderdelen:
a. a. de datum waarop het verzoek is ingediend; b. b. een duidelijke vermelding van de partijen in het geschil; c. c. een omschrijving van het geschil en van de standpunten en argumenten van partijen, onder vermelding van het artikel of de artikelen van de Wet op de ondernemingsraden waarop het geschil betrekking heeft; d. d. een mededeling over de wijze waarop de bedrijfscommissie overheid tussen partijen heeft bemiddeld; e. e. bij een niet geslaagde bemiddeling, een advies aan partijen over de oplossing van het geschil en of er sprake is van een bindend advies omdat partijen toepassing hebben gegeven aan artikel 5, derde lid; f. f. de datum van het verslag.
3. De bedrijfscommissie overheid stuurt het verslag zo spoedig mogelijk aan partijen.
Artikel 11
1. De termijn voor de behandeling van een verzoek om bemiddeling, inclusief het uitbrengen van het schriftelijk verslag, genoemd in artikel 10, bedraagt maximaal twee maanden.
2. De termijn vangt aan op de dag waarop het verzoek bij de bevoegde bedrijfscommissie overheid is ontvangen.
3. De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de bedrijfscommissie overheid de verzoeker uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. De bedrijfscommissie overheid verlengt de termijn, bedoeld in artikel 7, vierde lid, in elk geval als een van de partijen hierom verzoekt en de andere partij hiermee instemt.
5. Als de bedrijfscommissie overheid het schriftelijk verslag, genoemd in het eerste lid, niet binnen de hiervoor bepaalde uiterste termijn kan uitbrengen, brengt zij betrokken partijen daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Zij stelt daarbij een nieuwe uiterste termijn.
Artikel 12
1. De bedrijfscommissie overheid kan interne regels maken over haar werkwijze. De regels moeten goedgekeurd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties.
2. Over het verlenen of onthouden van goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besloten nadat overleg met de WOR-kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid heeft plaatsgevonden.
Paragraaf 3.2. Verkorte bemiddelprocedure
Artikel 13
Op de verkorte bemiddelprocedure zijn de artikelen 6, 7, 8, 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Bemiddeling volgens de verkorte bemiddelprocedure houdt in dat op locatie een mondelinge behandeling plaatsvindt om een minnelijke schikking tot stand te brengen.
Artikel 15
1. De verkorte bemiddelprocedure wordt toegepast bij de behandeling van geschillen over de uitleg en toepassing van de Wet op de ondernemingsraden waarbij het waarschijnlijk is dat het geschil tussen partijen door bemiddeling volgens de verkorte procedure kan worden opgelost.
2. Na ontvangst van het verzoek om toepassing van de verkorte bemiddelprocedure beoordeelt de voorzitter of het geschil daarvoor geschikt is. Indien dit het geval is wordt de verkorte bemiddelprocedure toegepast.
Artikel 16
1. De termijn voor de verkorte bemiddelprocedure bedraagt maximaal drie weken.
2. Binnen twee weken na ontvangst van het verzoek om bemiddeling vindt de bemiddeling op locatie plaats.
3. Binnen één week na de bemiddeling volgt het schriftelijk verslag, genoemd in artikel 10.
4. De termijn vangt aan op de dag waarop het verzoek bij de bevoegde bedrijfscommissie overheid is ontvangen.
Artikel 17
1. Als de bemiddeling volgens de verkorte bemiddelprocedure niet slaagt, kunnen de partijen bij het geschil alsnog verzoeken om behandeling via de reguliere bemiddelprocedure.
2. Als een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan, wordt in het schriftelijk verslag van de verkorte bemiddelprocedure geen advies opgenomen. In plaats daarvan wordt vermeld dat partijen hebben verzocht om behandeling via de reguliere bemiddelprocedure. Op de behandeling via de reguliere bemiddelprocedure zijn de bepalingen van paragraaf 3.1 van toepassing.
Hoofdstuk 4. De samenstelling van de bedrijfscommissie overheid
Artikel 18
1. De bedrijfscommissie overheid bestaat uit tien leden en tien plaatsvervangende leden.
2. Van de leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissie overheid wordt de helft benoemd door werkgevers en verenigingen van werkgevers en de andere helft door de centrales van overheidspersoneel.
3.
Er wordt één lid en één plaatsvervangend lid benoemd door en namens:
a. a. de sector Rijk; b. b. de sector Politie; c. c. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; d. d. de Vereniging werken voor waterschappen; e. e. het Interprovinciaal Overleg.
4. De bedrijfscommissie overheid wordt door de partijen genoemd in tweede lid, meteen na de benoeming schriftelijk geïnformeerd over de benoeming van een lid of een plaatsvervangend lid.
Artikel 19
1. De leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissie overheid treden om de vier jaar tegelijk af en kunnen direct opnieuw worden benoemd.
2. Het tijdstip waarop de eerste zittingsperiode aanvangt, wordt bepaald door de WOR-kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
3. Degene die tot lid of tot plaatsvervangend lid van de bedrijfscommissie overheid is benoemd om een tussentijds opengevallen plaats te vervullen, treedt af op het tijdstip waarop het oorspronkelijke lid of plaatsvervangende lid, had moeten aftreden.
Artikel 20
1. Twee leden van de bedrijfscommissie overheid worden door de andere bedrijfscommissieleden aangewezen om bij toerbeurt op te treden als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter. De toerbeurten worden vastgelegd in een rooster.
2. Een van de twee leden, bedoeld in het eerste lid, is benoemd door een werkgever of een vereniging van werkgevers als bedoeld in artikel 18, derde lid.
3. Een van de twee leden, bedoeld in het eerste lid, is benoemd door een centrale van overheidspersoneel.
4. In afwijking van bovenstaande kan de bedrijfscommissie overheid een voorzitter aanwijzen die geen lid is en aan deze wel of geen stemrecht verlenen.
Artikel 21
1. De bedrijfscommissie overheid kan kamers vormen.
2. Aan de kamers kunnen bevoegdheden of delen van bevoegdheden van de bedrijfscommissie overheid worden overgedragen.
3. Aan het overdragen van de bevoegdheden kunnen voorwaarden worden verbonden.
Hoofdstuk 5. Besluitvorming door de bedrijfscommissie overheid
Artikel 22
1. Een vergadering van de bedrijfscommissie overheid vindt alleen plaats als meer dan de helft van de leden volgens de presentielijst aanwezig is.
2. De in het eerste lid genoemde voorwaarde is niet van toepassing bij een tweede oproep voor de vergadering.
Artikel 23
1. De leden van de bedrijfscommissie overheid stemmen zonder last of ruggespraak.
2. Ieder lid brengt één stem uit.
3. Over zaken wordt mondeling gestemd. Over personen wordt met gesloten, ongetekende briefjes gestemd.
Artikel 24
1. Voor het tot stand komen van een besluit is volstrekte meerderheid van uitgebrachte stemmen vereist.
2. Indien bij het nemen van een besluit over een zaak geen van de leden om stemming vraagt, is het voorstel aangenomen.
Artikel 25
1. De leden van de bedrijfscommissie overheid stemmen niet over zaken als er sprake is van belangenverstrengeling of de schijn van belangenverstrengeling.
2. Van belangenverstrengeling of de schijn van belangenverstrengeling is in ieder geval sprake wanneer het zaken betreft die de leden van de bedrijfscommissie overheid, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan.
Artikel 26
1. Voor het bepalen van de geldigheid van een stemming tellen alleen de stemmen mee van de leden die bevoegd zijn te stemmen.
2. Als in overeenstemming met artikel 20, vierde lid, een voorzitter is aangewezen die geen lid is en wel stemrecht heeft, telt zijn stem mee bij het bepalen van de geldigheid van een stemming.
3. Een stemming is nietig als de helft of minder dan de helft van de tot stemmen bevoegde leden aan de stemming heeft deelgenomen.
4. In geval van een nietige stemming vindt in een volgende vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht het aantal leden dat aan de stemming heeft deelgenomen.
5. Een stemming gehouden in een vergadering als bedoeld in artikel 22, tweede lid, is geldig, ongeacht het aantal leden dat aan de stemming heeft deelgenomen.
Artikel 27
1.
Bij staking van stemmen in een voltallige vergadering wordt:
a. a. indien het zaken betreft, het voorstel geacht niet aangenomen te zijn, b. b. indien het personen betreft, door het lot beslist.
2. Bij staking van stemmen in een niet voltallige vergadering, wordt het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering. In die vergadering worden de beraadslagingen heropend. Als de stemmen opnieuw staken, is het eerste lid van toepassing.
Hoofdstuk 6. Advies en informatie aan ministers en raad voor het overheidspersoneelsbeleid
Artikel 28
1. De bedrijfscommissie overheid informeert en adviseert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de WOR-Kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid op verzoek of uit eigen beweging over alle zaken die haar werkterrein betreffen.
2. De bedrijfscommissie overheid informeert en adviseert de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over alle zaken die haar werkterrein betreffen, wanneer de minister daarom verzoekt.
Artikel 29
De bedrijfscommissie overheid stelt het jaarlijks verslag algemeen verkrijgbaar. De bedrijfscommissie overheid kan hiervoor kosten in rekening brengen.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 30
De Regeling samenstelling en werkwijze Bedrijfscommissie voor de Overheid 2002 wordt ingetrokken.
Artikel 31
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015.
Artikel 32
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.