40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen | BWBR0027331 | ministeriele-regeling | geldend | 2010-03-02 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0027331 | Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen |
Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*hogeschool:* een bekostigde instelling voor hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 2
De minister kan voor de periode van 1 mei 2010 tot en met uiterlijk 31 mei 2014 subsidie verlenen voor het in financiële zin of anderzins stimuleren van:
a. a. kennisuitwisseling tussen hogescholen en het midden- en kleinbedrijf en tussen hogescholen en de publieke sector; b. b. kennisuitwisseling tussen hogescholen en buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven; en c. c. praktijkgericht onderzoek bij hogescholen.
Artikel 3
De subsidie bedraagt voor de periode, genoemd in artikel 2, ten hoogste € 66.941.000,–.
Artikel 4
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het verleende subsidiebedrag verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat.
Paragraaf 2. Aanvraag en verlening
Artikel 5
1.
De subsidieaanvraag wordt voor 1 april 2010 ingediend bij:
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
t.a.v. de directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering
IPC 2250
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag
2. De subsidieaanvraag omvat een meerjarenactiviteitenplan, een meerjarenraming en een activiteitenplan voor het jaar 2010.
3. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een afschrift van de geldende statuten van de subsidieaanvrager.
Artikel 6
Het meerjarenactiviteitenplan bevat in elk geval:
a. a. een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de jaren waarin deze plaatsvinden; b. b. een beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de subsidieontvanger financiële steun verleent aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2; c. c. een overzicht van de aan de activiteiten gerelateerde doelstellingen, prestatie-indicatoren en streefwaarden; en d. d. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten en resultaten in verband met de verplichting, bedoeld in artikel 15, vierde lid, onafhankelijk worden gemonitord en geëvalueerd.
Artikel 7
De meerjarenraming biedt inzicht in de inkomsten en uitgaven in de onderscheiden jaren die de aanvrager in verband met de te subsidiëren activiteiten voorziet.
Artikel 8
1. De subsidieontvanger zendt voor 1 november 2010, 2011 en 2012 een activiteitenplan voor het daaropvolgende jaar ter instemming aan de minister.
2. Het activiteitenplan bevat in ieder geval de verdeling van het beschikbare budget over de activiteiten, bedoeld in artikel 2, onder a, b en c.
3. De beslissing omtrent instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 januari van het desbetreffende jaar genomen.
Artikel 9
1. Subsidie wordt slechts aan één aanvrager verleend.
2. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en onverminderd het vierde, tot en met zesde lid worden subsidieaanvragen die op of na 1 april 2010 worden ingediend, afgewezen.
3. De beschikking tot verlening impliceert instemming met het activiteitenplan voor het jaar 2010.
4. Subsidie wordt uitsluitend verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen de doelstellingen van de subsidieverlening.
5. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op de tijdig ingediende aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan het stimuleren van praktijkgericht onderzoek bij hogescholen en de kennisuitwisseling tussen hogescholen en het midden- en kleinbedrijf, tussen hogescholen en de publieke sector en tussen hogescholen en buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven.
6.
Bij zijn beslissing houdt de minister rekening met:
a. a. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht alle activiteiten, bedoeld in artikel 2, uit te voeren; b. b. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht de activiteiten, bedoeld in artikel 2, in samenhang uit te voeren; en c. c. de mate waarin de aanvrager in het verleden aantoonbaar op projectbasis heeft samengewerkt met hogescholen, midden- en kleinbedrijf en publieke sector.
7. De minister beslist vóór 1 mei 2010.
Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 10
De subsidieontvanger werkt desgevraagd mee aan overleg over een ingediend activiteitenplan.
Artikel 11
De subsidieontvanger houdt bij de bedrijfsvoering rekening met de tijdelijkheid van de subsidieverlening.
Artikel 12
1. De subsidie wordt besteed overeenkomstig de activiteitenplannen, voor zover de minister daarmee heeft ingestemd.
2. Tenminste acht procent van de verleende subsidie wordt besteed aan de kennisuitwisseling tussen hogescholen en buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven.
Artikel 13
1. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten gedurende zeven jaren bewaard.
3. De subsidieontvanger geeft aan door of namens de minister aangewezen ambtenaren op verzoek inzage in de in artikel 17 van de Wet overige OCW-subsidies bedoelde administratie en verstrekt alle inlichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de besteding van de subsidie.
Artikel 14
1. De subsidieontvanger stuurt jaarlijks voor 1 juli een verslag aan de minister. Het verslag bevat een overzicht van de activiteiten die in het voorafgaande jaar zijn uitgevoerd.
2. Het verslag gaat vergezeld van een jaarrekening waarmee inzicht wordt gegeven in de wijze waarop de subsidie is besteed. De jaarrekening over het laatste jaar van de gesubsidieerde periode geeft eveneens inzicht in het niet bestede deel van de subsidiemiddelen.
3. De jaarrekening, bedoeld in het tweede lid, gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin deze verklaart dat de in de jaarrekening opgenomen bedragen juist en volledig zijn.
4. De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger. In dit oordeel wordt ook aangegeven of de financiële steun is verleend op de wijze en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 6, onder b.
5. De accountant richt zijn onderzoek in overeenkomstig een door de minister vast te stellen controleprotocol.
Artikel 15
1. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de minister te voeren beleid.
2. De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk een melding aan de minister, zodra aannemelijk is, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
3. De subsidieontvanger verstrekt jaarlijks uiterlijk in de maand januari aan de minister de gegevens over het afgelopen jaar met betrekking tot de geformuleerde streefwaarden en prestatie-indicatoren, bedoeld in artikel 6, onder c.
4. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de activiteiten en resultaten door een onafhankelijke partij worden gemonitord en geëvalueerd en stelt de resultaten ter beschikking aan de minister.
Artikel 16
1. De renteopbrengsten die de subsidieontvanger uit de verleende subsidie ontvangt, mogen door de subsidieontvanger worden aangewend voor het doel waarvoor het op grond van artikel 2 is verleend.
2. De bestemming van de renteopbrengsten vereist jaarlijks de instemming van de minister.
Artikel 17
1. Voor de beschikbaarstelling van goederen aan derden of het verrichten van diensten voor derden, brengt de subsidieontvanger een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
2. Indien de subsidieontvanger in het kader van de subsidieverstrekking diensten of werkzaamheden door derden wil laten uitvoeren, neemt hij daarbij de aanbestedingsregelgeving in acht.
3. De subsidieontvanger zorgt ervoor, dat de administratieve lasten voor derden zo laag mogelijk worden gehouden.
Artikel 18
1. De subsidieontvanger dient binnen zes maanden na afloop van de gesubsidieerde activiteiten, doch uiterlijk 1 juli 2014, een aanvraag tot subsidievaststelling in. Daarbij legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin deze verklaart dat de in het verslag opgenomen bedragen juist en volledig zijn.
3. De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger. In dit oordeel wordt ook aangegeven of de financiële steun is verleend op de wijze en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 6, onder b.
Artikel 19
1. De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen subsidie onverwijld terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze heeft besloten.
2. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten wordt de subsidieontvanger aansprakelijk gesteld voor de met de terugvordering verband houdende kosten. Tevens is in dat geval de wettelijke rente verschuldigd.
Paragraaf 4. Bevoorschotting, betaling en subsidievaststelling
Artikel 20
1. De voorschotten en betalingen vinden plaats in de jaren 2010 tot en met uiterlijk 2013.
2. De hoogte van de voorschotten wordt bepaald op basis van de jaarlijks door de subsidieontvanger aan te geven liquiditeitsbehoefte.
3. Het jaarlijkse voorschot wordt in vier gelijke delen in de maanden januari, april, juli en oktober betaald.
4. In afwijking van het derde lid wordt het voorschot voor 2010 in drie gelijke delen in mei, augustus en november betaald.
5. Bevoorschotting en betaling vinden slechts plaats onder de voorwaarde dat de minister heeft ingestemd met het desbetreffende activiteitenplan.
Artikel 21
1. Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.
2. Niet bestede subsidiemiddelen worden na vaststelling van de subsidie teruggevorderd.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 22
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2015.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen.