rijk/ministeriele-regeling/regeling-communautair-initiatief-werkgelegenheid/BWBR0007254
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid BWBR0007254 ministeriele-regeling geldend 1995-02-24 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007254 Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid

Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. transnationaal project: een project ten aanzien waarvan de Nederlandse projectuitvoerder een samenwerkingsverband is aangegaan met een of meer instanties in tenminste twee andere EU-landen die vergelijkbare activiteiten ontplooien; b. b. Now-, Horizon- of Youthstartproject: een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b onderscheidenlijk c.

Artikel 2

1.

Een natuurlijk of rechtspersoon die een project uitvoert dat past binnen het communautair initiatief Werkgelegenheid en ontwikkeling van menselijke hulpbronnen (Pb(EG)94/

C180/10) kan overeenkomstig de navolgende artikelen in aanmerking komen voor subsidie, afkomstig uit het Europees Sociaal Fonds.

2.

Voor subsidie komen in aanmerking:

a. a. transnationale projecten ter bevordering van gelijke kansen op werk voor vrouwen, met name via maatregelen op het gebied van opleiding en vergemakkelijking van de toegang tot toekomstgerichte en leidende functies (deelinititiatief WerkgelegenheidNow); b. b. transnationale projecten, gericht op de verbetering van het uitzicht op werk van gehandicapten en andere kansarme groepen (deelinititatief Werkgelegenheid-Horizon); c. c. transnationale projecten, gericht op de bevordering van de inpassing in de arbeidsmarkt van jongeren, in het bijzonder diegenen zonder basiskwalificaties of -opleiding (deelinitiatief Werkgelegenheid-Youthstart).

3. Voor de toepassing van deze regeling is een totaalbudget van f 84.665.805,- ter beschikking gesteld, dat zal worden verdeeld over twee aanvraagperioden.

4.

Het beschikbaar budget over de periode 1 januari 1995 tot 1 juli 1997 (in guldens) bedraagt, met uitzondering van Flevoland:

Now<\t>10.253.906

Horizon-gehandicapten<\t>13.149.932

Horizon-kansarmen<\t>7.080.734

Youthstart<\t>10.538.139

5. Voor Now-, Horizon- of Youthstartprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland wordt voor de periode van 1 januari 1995 tot 1 juli 1997 een budget van f 1.310.190,- ter beschikking gesteld.

6. De procentuele verdeling van het budget over de verschillende maatregelen per deelinitiatief (zie bijlage I) is als volgt samengesteld:

Artikel 3

1.

Een project komt slechts voor subsidiëring in aanmerking:

a. a. indien dit wordt uitgevoerd binnen de periode 1995 tot en met 1999 en maximaal 3 kalenderjaren duurt; b. b. indien dit project voldoet aan de eisen, als vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage I; c. c. indien een overheidsinstelling het project uitvoert, dan wel zich garant heeft gesteld voor de goede uitvoering van het project door het opmaken van een verklaring als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage II.

2. Aan projecten mogen uitsluitend die vreemdelingen deelnemen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke ingevolge artikel 4 van de Wet arbeid vreemdelingen is voorzien van een aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Met een dergelijke aantekening wordt gelijkgesteld een verklaring verleend krachtens artikel 2 of 3 van de Wet arbeid buitenlandse werknemers.

Artikel 4

1. De subsidie-aanvraag wordt voor 1 mei 1995 schriftelijk ingediend bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Europese Subsidie-instrumenten. Het tijdvak waarin een tweede aanvraagperiode zal plaatsvinden, zal later bekend worden gemaakt.

2. De subsidie-aanvraag dient te geschieden door middel van een ondertekend en volledig ingevuld aanvraagformulier, overeenkomstig het als bijlage III bij dit besluit gevoegde model.

3. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslist voor 1 augustus 1995 of een subsidie-aanvraag al dan niet wordt gehonoreerd.

4. De behandeling van aanvragen vindt plaats in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat aanvragen, ingediend binnen vier weken na de vaststelling en bekendmaking van deze subsidieregeling geacht worden op hetzelfde tijdstip te zijn ontvangen.

Artikel 5

1.

De subsidie wordt geweigerd:

a. a. indien niet wordt voldaan aan de in artikelen 3 en 4 genoemde voorwaarden; b. b. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de beoogde effecten; c. c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het project te maken kosten; d. d. indien, gelet op het totaal der toekenningen die hebben plaatsgevonden, het ter beschikking staande budget, als vermeld in artikel 2, derde t/m zesde lid, zal worden uitgeput.

2. De subsidie kan worden geweigerd, indien dit nodig is om een spreiding van de subsidiëring over verschillende typen projecten te bewerkstelligen.

Artikel 6

1.

Voor subsidie komen in aanmerking de noodzakelijk ten behoeve van de voorbereiding, de uitvoering en het beheer van een project te maken kosten, waaronder onder meer begrepen kunnen worden:

a. a. kosten van instructiepersoneel; b. b. exploitatiekosten; c. c. aan deelnemers verstrekte inkomensvervangende uitkeringen en onkostenvergoedingen; d. d. aan het project toerekenbare overheadkosten; e. e. kosten voor studie-, materiaal- en methodiekontwikkeling f. f. kosten i.v.m. transnationale acties

2. De subsidie bedraagt 45% van de door de projectuitvoerder feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten kosten, voor zover die een in de toekenningsbeschikking te bepalen maximum niet te boven gaan. Voor de provincie Flevoland bedraagt de subsidie 65% van de door de projectuitvoerder feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten kosten, voor zover die een in de toekenningsbeschikking te bepalen maximum niet te boven gaan.

3. Het maximum, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de projectuitvoerder geraamd in zijn subsidie-aanvraag, met dien verstande, dat bepaalde, in de toekenningsbeschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.

4. Geen recht op subsidie bestaat voor kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd.

Artikel 7

De beslissing en, indien deze geheel of gedeeltelijk afwijzend luidt, de motivering, wordt schriftelijk vastgelegd en aan de aanvrager toegezonden dan wel uitgereikt.

Artikel 8

1.

Indien subsidie is toegekend, worden aan de projectuitvoerder desgevraagd voorschotten verleend, met dien verstande dat:

a. a. het bedrag en het tijdstip van uitbetaling van de voorschotten afhankelijk zullen worden gesteld van de voortgang van het project en de in verband daarmee gedane en te verwachten uitgaven; b. b. het bedrag der voorschotten nooit meer zal bedragen dan 80% van het maximaal toegekende subsidiebedrag; c. c. de voorschotten niet eerder worden verleend, dan nadat de desbetreffende gelden door de Europese Commissie aan Nederland zijn overgemaakt.

2.

Voorschotbetalingen kunnen als volgt worden gedaan:

a. a. een eerste voorschot van maximaal 50% van het subsidiebedrag voor het eerste subsidiejaar kan direct worden verstrekt bij de subsidieverlening. b. b. een tweede voorschot van maximaal 30% van het subsidiebedrag voor het subsidiejaar kan op verzoek worden verstrekt, indien door middel van een of meerdere tussentijdse rapportages is aangetoond dat het eerste voorschot voor tenminste de helft is gebruikt voor de uitvoering van het betrokken project en de prognose niet verlaagd is. c. c. de voorschotten voor het tweede en eventueel derde subsidiejaar worden op vergelijkbare wijze verstrekt, mits het eerste voorschot voor het voorafgaande subsidiejaar volledig en het tweede voorschot voor het voorafgaande subsidiejaar voor tenminste de helft is gebruikt.

3. Voorschotverzoeken dienen bij de Minister van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid te worden ingediend.

Artikel 9

1. De projectuitvoerder zal een inzichtelijke en controleerbare aparte administratie bijhouden of doen bijhouden met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven. Deze administratie zal bestaan uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

2. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren.

3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

4. De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages.

5. De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsiedievoorwaarden.

6. Indien de administratie niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, wordt bij de aanvraag opgave gedaan van de instelling die de administratie voert.

7. De projectuitvoerder zal aan door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan wel de Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven. Tevens zal de projectuitvoerder voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 10

1. De projectuitvoerder dient binnen zes maanden na beëindiging van het project een verzoek in om definitieve vaststelling van het subsidiebedrag waarop aanspraak bestaat. Bij dit verzoek wordt een declaratie gevoegd van de gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 6.

2. De einddeclaratie is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage IV bij dit besluit gevoegde model.

3. De hoogte van het definitieve vastgestelde subsidiebedrag wordt schriftelijk medegedeeld aan de projectuitvoerder.

Artikel 11

1.

De subsidietoekenning kan worden ingetrokken, en de op basis daarvan uitbetaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd:

a. a. indien de aanvrager bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, en de subsidie bij juiste of volledige informatie niet zou zijn toegekend; b. b. in geval het project wordt uitgevoerd in afwijking van de bij de aanvraag gevoegde projectbeschrijving, voor zover de subsidietoekenning daarop was gebaseerd; c. c. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van nalatigheid van de projectuitvoerder niet of slechts ten dele worden gerealiseerd. d. d. indien de projectuitvoerder een der voorschriften, vervat in de artikelen 9, 10 of 12 niet naleeft.

2. Intrekking en terugvordering krachtens het eerste lid, onder b, vindt niet plaats, indien de afwijking vooraf aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voorgelegd, en deze daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

Artikel 12

De projectuitvoerder zal, voor zover het betreft het door hem uitgevoerde project, medewerking verlenen aan de opstelling van evaluatierapporten met betrekking tot de deel-initiatieven Now, Horizon en Youthstart.

Artikel 13

1. Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.

2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant.

3. Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid.

Bijlage I

Aanvraagformulieren kunnen worden aangevraagd bij:

Afdeling Europese Subsidie-instrumenten

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Postbus 90805

2509 LV Den Haag

Telefoon: 070 - 333 4973

Fax: 070 - 333 4007

Artikel

a. a. Transnationaal karakter. Er moet sprake zijn van samenwerking tussen subsidie ontvanger en instanties in tenminste twee andere lidstaten van de Europese Unie die vergelijkbare activiteiten ontplooien. Deze transnationale partners moeten ook onder het Werkgelegenheid-initiatief of onder een ander communautair programma met een transnationale component worden gefinancierd. Projecten waarbij tenminste één partner uit een doelstelling één-gebied afkomstig is (zie bijgevoegd overzicht) genieten de voorkeur. De voorgenomen transnationale samenwerking dient te worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst (transnationaliteitsdocument) tussen de betrokken partijen, waarin onder meer de concrete doelen en de verdeling van taken en middelen zijn opgenomen. Dit document wordt verstrekt bij het aanvraagformulier. Het eerste voorschot op het subsidiebedrag zal pas worden verstrekt indien het transnationaliteitsdocument volledig ingevuld en door alle partners ondertekend is teruggezonden. b. b. Innovatie en multipliereffect. Het project moet een vernieuwend karakter hebben, cq. er moet sprake zijn van voorbeeldwerking. Dit vernieuwende karakter dient tot uiting te komen op het niveau van nationaal beleid en/of op projectniveau. c. c. Complementariteit. Er moet bij voorkeur sprake zijn van een samenhang met andere communautaire programma's zoals het gelijke-kansenprogramma, Helios II, Sociale Uitsluiting en Leonardo II. d. d. Er dient sprake te zijn van een activiteit die op het reguliere werkterrein ligt van de aanvragende instelling. De uitvoerende instantie heeft bij voorkeur ervaring met internationale projecten. e. e. Er dient sprake te zijn van aantoonbare (financiële) samenwerking met organisaties op het terrein van onderwijs, arbeidsmarkt, arbeidsvoorziening en bedrijven. Projecten die een financiële bijdrage uit de particuliere sector ontvangen, genieten de voorkeur.

Bijlage II

Overheidsinstantie die tegenover de Europese Commissie en het Ministerie van S.Z.W. garant staat voor de goede uitvoering van het project met hieronder vermeld dossiernummer.

ESF-Dossiernummer:

Naam overheidsinstantie:

Adres:

Contactpersoon:

Telefoon nr.:

Namens de hierboven vermelde overheidsinstantie deel ik u mede garant te staan voor de goede uitvoering van het project met hierboven vermeld ESF-dossiernummer.

Deze garantstelling houdt in dat aansprakelijkheid wordt aanvaard voor de terugbetaling van aan de projectuitvoerder toegekende en uitbetaalde ESF-subsidiegelden, in geval die subsi-