40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling cultuurprojecten 2004 | BWBR0016112 | ministeriele-regeling | geldend | 2003-12-25 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0016112 | Regeling cultuurprojecten 2004 |
Regeling cultuurprojecten 2004
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 5.18a, derde lid, en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. project: in Nederland gelegen technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden; b. b. bestaand project: project als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b en c, waarvoor voor 1 januari 2004 een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt; c. c. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand gehouden; d. d. projectvermogen: vermogen dat nodig is voor de financiering van activa en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project; e. e. verklaring: schriftelijk besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als bedoeld in artikel 5.18a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een project in het belang is van de Nederlandse podiumkunsten of de Nederlandse musea; f. f. accountantsverklaring: verklaring afgegeven door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent.
Artikel 2
De Minister Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geeft, in overeenstemming met de Minister van Financiën, een verklaring af voor:
a. a. projecten die naar zijn oordeel in het belang van de Nederlandse podiumkunsten; b. b. projecten die naar zijn oordeel in het belang van de Nederlandse musea; c. c. andere projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de Nederlandse podiumkunsten en de Nederlandse musea.
Artikel 3
Een verklaring wordt niet afgegeven voor:
a. a. een bestaand project; b. b. een project waarvan het project vermogen minder bedraagt dan € 22.689; c. c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement, subsidies van overheden en sponsorbijdragen daaronder begrepen, heeft; dan wel d. d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in verhouding tot het belang voor de Nederlandse podiumkunsten en de Nederlandse musea zodanig is dat het naar het oordeel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zonder toepassing van deze regeling tot stand kan komen.
Artikel 4
1.
Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven aan:
a. a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, of b. b. een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.
2. De aanvraag voor projecten dient te worden ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
3. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor afloop van de geldende verklaring worden ingediend.
4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
5. Aan een aanvrager kan worden verzocht nadere gegevens te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het project.
6. Aan een aanvrager kan worden verzocht een accountantsverklaring te overleggen, waaruit de juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens blijkt.
Artikel 5
1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist, in overeenstemming met de Minister van Financiën op een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.
2. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder.
Artikel 6
1. De verklaring kan voor geen langere periode worden afgegeven dan voor de verwachte levensduur van het project en voor ten hoogste dertig jaren.
2. De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen en de periode waarvoor de verklaring geldt.
3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.
Artikel 7
1.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën, de verklaring intrekken indien:
a. a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; b. b. blijkt dat de uitvoering van het project zodanig afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de gewijzigde uitvoering bekend zou zijn geweest; c. c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het project niet afzonderlijk administreert; d. d. niet voldaan wordt aan één of meer van de voorwaarden die in de verklaring zijn opgenomen; e. e. de melding bedoeld in artikel 8 niet onverwijld is geschied.
2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.
4. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en de inspecteur Belastingdienst Amsterdam.
Artikel 8
Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de instelling die het kapitaal verschaft ten behoeve van het een project waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 9
Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring en van de daar toe van belang zijnde gegevens en van de daar aan verbonden rechten en plichten is ten aanzien van de kredietinstelling of de beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 5.18a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen personen.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 11
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling cultuurprojecten 2004.