40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling dierlijke EG-premies | BWBR0008007 | ministeriele-regeling | geldend | 1996-04-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0008007 | Regeling dierlijke EG-premies |
Regeling dierlijke EG-premies
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
2. In het kader van artikel 5.4 wordt onder bedrijf verstaan het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel v, sub 1° tot en met 4°, die de producent voor de productie van schapenvlees in gebruik heeft.
3. Indien een producent beschikt over voederareaal dat gedeeltelijk ligt in België of Duitsland in de onmiddellijke nabijheid van zijn bedrijf, kan dit areaal op zijn verzoek geacht worden deel uit te maken van zijn bedrijf.
4.
De aanhoudperiode gedurende welke de dieren waarvoor premie is aangevraagd op het bedrijf moeten worden gehouden, beloopt voor:
- ooien: een aaneengesloten periode van 100 dagen gerekend vanaf de eerste dag na het einde van de aanvraagperiode;
- stieren of ossen: een aaneengesloten periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag;
- zoogkoeien: een aaneengesloten periode van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag;
- runderen waarvoor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, wordt aangevraagd: een aaneengesloten periode van tenminste twee maanden.
Artikel 1.2
Alle bepalingen die ten aanzien van een producent gelden, zijn van overeenkomstige toepassing op een producentengroepering, tenzij hierna anders wordt bepaald.
Artikel 1.3
Indien de fysieke of financiële structuur van een bedrijf na 30 juni 1992 is of wordt gewijzigd hoofdzakelijk met het doel de verplichtingen van de in artikel 1.1, eerste lid, genoemde verordeningen of deze regeling te ontgaan, wordt deze wijziging buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van deze regeling.
Hoofdstuk 2. Gemeenschappelijk bepalingen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
LASER is belast met de uitvoering van deze regeling, waaronder begrepen het uitreiken van formulieren, alsmede met het in ontvangst nemen van de formulieren en de bijbehorende bijlagen.
Artikel 2.2
Producenten die premierechten hebben verkregen op grond van de Uitvoeringsregeling EEG-premie schapevleesproducenten 1993 en de Uitvoeringsregeling EEG-premie aanhouden zoogkoeienbestand 1993 worden geacht over die premierechten in het kader van deze regeling te beschikken.
Artikel 2.3
1. Terzake van het gedurende de desbetreffende aanhoudperiode op hun bedrijf aanhouden van een zoogkoe, stier, os, onderscheidenlijk ooi, wordt jaarlijks op daartoe strekkende aanvraag, na afloop van het betrokken verkoopseizoen, overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de verordeningen 1254/1999, 2342/1999, 2529/2001 en 2550/2001 aan producenten premie verstrekt.
2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I & R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.
Artikel 2.3a
Vervallen
Paragraaf 2. Premie-aanvraag dieren
Artikel 2.4
Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, in aanmerking te komen:
a. a. dient de producent een premieaanvraag dieren in, die in één of meer door de minister vast te stellen aanvraagperioden per jaar door LASER moet zijn ontvangen. b. b. kan per aanvraagperiode slechts eenmaal een aanvraag worden ingediend, welke ten minste betrekking heeft op tien ooien, onderscheidenlijk drie stieren, drie ossen of drie zoogkoeien.
Artikel 2.4a
1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.
2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.
3. Indien zich wijzigingen voordoen in de door de producent op de deelnamemelding vermelde gegevens stelt hij LASER daarvan in kennis door middel van een nieuwe deelnamemelding, welke moet zijn ontvangen binnen veertien dagen nadat de desbetreffende wijziging is opgetreden.
Artikel 2.4b
1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.
2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 door het betrokken abattoir aan het I & R-systeem rund.
3. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een buiten Nederland gelegen abattoir worden ingediend binnen zes maanden na de slachtdatum, doch uiterlijk op de laatste dag van februari van het volgende jaar, waarbij de in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van verordening 2342/1999 bedoelde bewijsstukken worden overgelegd.
4. Aanvragen voor premie ter zake van de uitvoer van runderen naar een derde land worden ingediend binnen zes maanden na de datum waarop, blijkens de bij het Produktschap Vee en Vlees berustende gegevens met betrekking tot de exportrestitutie, het betrokken rund het grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, doch uiterlijk op de laatste dag van februari van het volgende jaar.
Artikel 2.5
1. Voor iedere aanvraag, met uitzondering van een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir, mededeling of deelnamemelding, in het kader van deze regeling maakt de producent gebruik van een daartoe door LASER vastgesteld formulier dat door de producent volledig en naar waarheid wordt ingevuld, ondertekend en gedagtekend.
2. Bij de indiening van een formulier, of het verstrekken van een mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt de producent alle bewijsstukken over die LASER nodig acht voor de beoordeling of aanspraak op premie kan worden gemaakt.
3. De producent is verplicht degene die belast is met de uitvoering van deze regeling op diens verzoek alle ter zake van die gegevens gewenste nadere inlichtingen terstond en naar waarheid te verstrekken.
Artikel 2.5a
1.
Een premie-aanvraag kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, echter indien LASER of de AID de producent in kennis heeft gesteld van:
a. a. onregelmatigheden in zijn premie-aanvraag, of b. b. het voornemen bij de producent een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen de bij de onregelmatigheden betrokken gedeelten van de aanvraag niet worden ingetrokken.
2. Van de intrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt LASER schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 2.6
1. Behoudens gevallen als bedoeld in artikel 2.9, wordt de premie, waarvoor de aanvraag, niet binnen de door de minister voor die aanvraag vastgestelde periode door LASER is ontvangen, verlaagd door de premie waarop de producent recht zou hebben indien de aanvraag tijdig zou zijn ontvangen, met 1% per werkdag vertraging te verminderen.
2. Indien de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door LASER is ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt slechts in behandeling genomen indien de in artikel 2.5, tweede lid, bedoelde bewijsstukken binnen de desbetreffende aanvraagperiode, dan wel uiterlijk op een nader door LASER vastgesteld tijdstip, door LASER zijn ontvangen.
4. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4b, tweede lid, afgewezen indien de melding van de slacht niet binnen 25 dagen na de slacht van het betrokken rund heeft plaatsgevonden op de wijze zoals bepaald in de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003.
5. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4b, derde lid, onderscheidenlijk het vierde lid, alsmede een melding als bedoeld in artikel 2.4b, tweede lid, afgewezen indien deze niet voor het uit de regeling voortvloeiend tijdstip, door LASER is ontvangen.
Paragraaf 3. Behandeling van aanvragen en mededelingen
Artikel 2.7
De minister beslist op de aanvraag.
Artikel 2.7a
Indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat een premieaanvraag dieren is ingediend en voordat aan alle verplichtingen voor het verstrekken van premie is voldaan, kan aan de verkrijger van het bedrijf de desbetreffende aangevraagde premie worden verstrekt indien:
a. a. LASER de schriftelijke melding van de overdracht door de verkrijger binnen een maand na de overdracht ontvangt, b. b. de verkrijger LASER verzoekt om betaling van de door de wederpartij aangevraagde premie, c. c. de verkrijger alle door LASER verlangde bewijsstukken overlegt, en d. d. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de verstrekking van de premie.
Paragraaf 4. Sanctiebepalingen betreffende de premieaanvraag dieren
Artikel 2.8
1. Indien enige verplichting op grond van de toepasselijke communautaire regelgeving of deze regeling niet wordt nageleefd, vinden de daartoe gestelde regelen in verordening 3508/92 en verordening 2419/2001 en in voorkomend geval Verordening 2550/2001 toepassing.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de producent overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van verordening 2419/2001, LASER binnen de in voornoemd artikel gestelde termijn schriftelijk in kennis heeft gesteld van andere dan aan ernstige nalatigheid of aan opzet toe te schrijven fouten in zijn aanvraag.
3.
Onverminderd de maatregelen op grond van het eerste lid ontvangt een producent geen runderpremie naar aanleiding van de ingediende premieaanvragen, indien hij in het jaar waarin de premie is aangevraagd een overtreding heeft begaan van:
a. a.
artikel 3 van het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet;
b. b.
artikel 3 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten;
c. c. verordeningen van het Produktschap Vee en Vlees ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten.
4. Bij herhaling van de overtreding, bedoeld in het tweede lid, besluit de minister dat een producent geen premie ontvangt voor runderen als bedoeld in de onderhavige regeling gedurende twee jaren volgend op het jaar waarin de producent de herhaalde overtreding heeft begaan.
Artikel 2.8a
Geen premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, terzake van het slachten, wordt verleend indien de slachtmelding wordt verricht door een abattoir dat door toepassing van artikel 42 van verordening 2419/2001 is uitgesloten van het recht verklaringen of certificaten af te geven met het oog op de toekenning van premie.
Paragraaf 5. Verminderingen en overmacht
Artikel 2.9
1. De producent is verplicht door middel van een in artikel 2.5 bedoeld formulier LASER in kennis te stellen van iedere vermindering van het aantal dieren waarvoor premie is aangevraagd.
2. LASER ontvangt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van de relevante bewijsstukken, in geval van natuurlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 41 van verordening 2419/2001 binnen 10 werkdagen volgende op de dag nadat de vermindering de producent bekend is geworden, en in geval van overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 48 van verordening 2419/2001 binnen 10 werkdagen vanaf het tijdstip waarop dit voor de producent mogelijk is.
Artikel 2.10
Vervallen
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen betreffende specifieke rechten en overdracht van premierechten
Paragraaf 1. Toekenning specifieke premierechten vanuit de nationale reserve
Artikel 3.1
Overeenkomstig verordening 1254/1999, verordening 2342/1999, verordening 2529/2001 en verordening 2550/2001 worden vanuit de nationale reserve specifieke premierechten toegekend aan producenten.
Artikel 3.2
1.
Producenten die in 2004 voor het eerst een premie-aanvraag voor ooien of zoogkoeien indienen, komen in aanmerking voor toekenning van specifieke premierechten indien zij ten genoegen van de minister aantonen:
a. a. dat zij tussen het begin van de aanvraagperiode voor specifieke rechten van het kalenderjaar 2003, indien het ooien betreft, respectievelijk het begin van de aanvraagperiode voor specifieke rechten van het kalenderjaar 2001, indien het zoogkoeien betreft, en de eerste dag van de aanvraagperiode voor specifieke rechten in het betrokken kalenderjaar ten behoeve van de schapenhouderij, respectievelijk de zoogkoeienhouderij, een investeringsverplichting zijn aangegaan van minimaal € 11.344,51 voor de uitbreiding van de stalling en van de stalinrichting van ooien, respectievelijk zoogkoeien, b. b. dat deze verplichting schriftelijk is vastgesteld en onomkeerbaar is, en c. c. dat met die investering een bedrijf van tenminste 60 nge’s is ontstaan.
2. De toekenning, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van de volgende formule: het bedrag van de investeringsverplichting gedeeld door 227, indien het ooien betreft en gedeeld door 1135 indien het zoogkoeien betreft, met dien verstande dat het aantal toe te kennen premierechten het aantal ooien, respectievelijk zoogkoeien, waarvoor de investering is verricht niet te boven mag gaan.
Artikel 3.3
1.
Producenten die op het moment van de aanvraag van premie voor ooien of zoogkoeien beschikken over minimaal 50 ooien, respectievelijk 10 zoogkoeien, en die aantonen dat zij ten behoeve van de uitbreiding van de voor de schapenhouderij, respectievelijk zoogkoeienhouderij, te gebruiken grond een deel van door andere producenten voor de schapenhouderij, respectievelijk voor de zoogkoeienhouderij, gebruikte grond hebben verworven, waardoor een minimum bedrijfsomvang van ten minste 60 nge’s is ontstaan, komen in aanmerking voor de toekenning van specifieke premierechten op voorwaarde dat:
a. a. zij de grond tussen het begin van de aanvraagperiode van het kalenderjaar 2003, indien het ooien betreft, respectievelijk het begin van de aanvraagperiode van het kalenderjaar 2001, indien het zoogkoeien betreft, en de eerste dag van de aanvraagperiode in het betrokken kalenderjaar in eigendom of in vruchtgebruik hebben verkregen, op basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract hebben gepacht dan wel in erfpacht hebben, b. b. de verworven grond direct voorafgaand aan de verwerving reeds voor ten minste twee jaar ten behoeve van de schapenhouderij, respectievelijk de zoogkoeienhouderij in gebruik is geweest, en c. c. de verworven grond een omvang van tenminste 5 hectare heeft.
2. De toekenning, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van de volgende formule: aantal hectaren van de verworven grond vermenigvuldigd met 12, indien het ooien betreft en, indien het zoogkoeien betreft, vermenigvuldigd met 1,8.
Artikel 3.4
De producent die op grond van de artikelen 3.2 of 3.3 aanspraak wenst te maken op toekenning van specifieke premierechten voor ooien, of zoogkoeien, dient in een daartoe door de minister vastgestelde periode een aanvraag in bij LASER.
Artikel 3.5
Indien het aantal aangevraagde specifieke premierechten groter is dan het aantal daarvoor beschikbare premierechten vindt een proportionele vermindering van de individueel toe te kennen specifieke premierechten plaats.
Artikel 3.5a
1. Producenten die op het moment van de aanvraag van premie voor ooien of zoogkoeien op hun bedrijf meer ooien, respectievelijk zoogkoeien aanhouden dan het aantal waarvoor zij over premierechten beschikken komen in aanmerking voor specifieke premierechten.
2. Secifieke premierechten op grond van het eerste lid worden alleen toegekend na de toekenning van specifieke premierechten op grond van artikel 3.2 en 3.3 en de nationale reserve nog niet is uitgeput.
3. Indien het aantal toe te kennen specifieke premierechten op grond van het eerste lid groter is dan het aantal daarvoor beschikbare premierechten vindt een proportionele vermindering van de individueel toe te kennen specifieke premierechten plaats.
Paragraaf 2. Bepalingen betreffende de overdracht van premierechten
Artikel 3.6
Een tijdelijke overdracht van premierechten is niet toegestaan.
Artikel 3.7
In geval van overdracht van premierechten zonder dat daarbij het bedrijf van de producent wordt overgedragen, vervalt 1% van de over te dragen rechten zonder vergoeding aan de nationale reserve, met dien verstande dat ten minste één premierecht moet worden afgestaan indien het ooien betreft.
Artikel 3.7a
Bij overdracht van premierechten voor zoogkoeien zonder dat daarbij het bedrijf van de producent wordt overgedragen bedraagt het minimumaantal premierechten dat wordt overgedragen:
a. a. 5, voor producenten die beschikken over premierechten voor meer dan 25 zoogkoeien, en b. b. 3, voor producenten die beschikken over premierechten voor ten minste tien en ten hoogste 25 zoogkoeien.
Artikel 3.8
Aanspraak op overgedragen premierechten kan slechts worden verkregen indien:
a. a. LASER door zowel de vervreemder als de verkrijger in een door de minister vastgestelde periode van de overdracht in kennis is gesteld, b. b. is voldaan aan afdeling 2 van hoofdstuk III van verordening 2342/1999 indien het premierechten voor zoogkoeien betreft, de artikelen 12 tot en met 15 van verordening 2550/2001 indien het premierechten voor ooien betreft, en deze paragraaf, en c. c. de overdracht door LASER is geregistreerd.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen met betrekking tot runderpremies
Paragraaf 1. Bepalingen met betrekking tot het voederareaal
Artikel 4.1
1. Het voederareaal moet beschikbaar zijn met ingang van 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.
2. Indien het voederareaal gezamenlijk wordt gebruikt, wordt dit areaal met het oog op de bepaling van het voor iedere producent geldende veebezettingsgetal over de belanghebbende producenten verdeeld in verhouding tot het gebruik of recht op gebruik dat zij van dit areaal maken.
Paragraaf 2. Aanvraag oppervlakten
Artikel 4.2
1. Om voor premie in aanmerking te komen, dient de producent van runderen een aanvraag oppervlakten, als bedoeld in artikel 6 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, in bij LASER.
2. De aanvraag oppervlakten heeft betrekking op percelen landbouwgrond die elk een oppervlakte hebben van ten minste 0,3 hectare.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de producent die wordt vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal en geen aanvullende premie aanvraagt.
Artikel 4.2a
1. Om voor het extensiveringsbedrag in aanmerking te komen, vraagt de producent zulks aan in zijn aanvraag oppervlakten.
2.
In de kalenderjaren 2000 en 2001 komt slechts in aanmerking voor het extensiveringsbedrag de producent die op zijn bedrijf blijkens het I & R-systeem rund een veebezetting aanhoudt die:
a. a. kleiner is dan 1,6 GVE per hectare, dan wel b. b. gelijk is of groter is dan 1,6 GVE per hectare, doch niet meer dan 2 GVE per hectare
3.
Met ingang van het kalenderjaar 2002 komt slechts in aanmerking voor het extensiveringsbedrag de producent die op zijn bedrijf blijkens het I & R-systeem rund een veebezetting aanhoudt die:
a. a. kleiner is dan 1,4 GVE per hectare, dan wel b. b. gelijk is of groter is dan 1,4 GVE per hectare, doch niet meer dan 1,8 GVE per hectare.
Artikel 4.2b
1. De aanvraag voor het extensiveringsbedrag kan worden ingetrokken tot het tijdstip waarop controle van het aantal dieren op het bedrijf heeft plaatsgevonden, dan wel van een voorgenomen controle melding aan de producent is gedaan.
2. De producent doet van de wijziging, bedoeld in het eerste lid, of de intrekking, bedoeld in het tweede lid, melding aan LASER.
3. De producent doet van de intrekking, bedoeld in het eerste lid, melding aan LASER.
Paragraaf 3. Beperking van het aantal dieren dat voor premie in aanmerking komt
Artikel 4.3
LASER deelt de producent het voor hem vastgestelde veebezettingsgetal mede en het daaruit voortvloeiende aantal GVE waarvoor premie kan worden verleend.
Paragraaf 4. Verplichtingen voor de producent
Artikel 4.4
1. Indien runderen tijdens de aanhoudperiode worden verplaatst van het ene UBN naar het andere UBN van het bedrijf van de producent, stelt de producent LASER hiervan voorafgaand aan de verplaatsing schriftelijk op de hoogte. De producent bewaart een afschrift van het formulier aan LASER bij zijn bedrijfsadministratie, genoemd in artikel 4.5, tweede lid.
Artikel 4.5
1. De producent is verplicht in zijn bedrijfsadministratie alle in deze regeling en door LASER voorgeschreven bewijsstukken te bewaren;
2. De bedrijfsadministratie wordt door de producent op eerste vordering aan de bevoegde ambtenaar van de AID ter inzage gegeven.
3. De producent bewaart de bedrijfsadministratie op zijn bedrijf ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin premie is aangevraagd.
Hoofdstuk 4A. Bepalingen met betrekking tot premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid
Artikel 4.6
Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:
a. a. op zijn bedrijf, blijkens het I & R-systeem rund gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden; b. b. blijkens het I & R-systeem rund na afloop van de in onderdeel a genoemde periode binnen één maand worden geslacht in een abattoir waarvan de houder overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 een bedrijfsregister bijhoudt of met het oog op slacht naar een andere lidstaat worden verzonden, dan wel binnen twee maanden in geval van uitvoer naar een derde land, en. c. c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.
Artikel 4.7
1. De premie voor stieren of ossen bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 11, tweede lid, van verordening 1254/1999.
2.
De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor stieren of ossen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn, aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door:
a. a. de gemiddelde slachtwaarde van in 1999 geslachte dieren in de categorie koeien en vaarzen, de categorie stieren en ossen, onderscheidenlijk de gemiddelde opbrengstwaarde in de categorie zoogkoeien, te berekenen; b. b. deze waarden vervolgens uit te drukken in een factor waarin de waarde per categorie zich tot de waarden van de andere categorieën verhoudt, waarbij de laagste waarde wordt uitgedrukt in factor 1; c. c. de in 2002 geslachte aantallen dieren van ten minste 15 maanden oud waarvoor slachtpremie is verstrekt in de categorieën koeien en vaarzen, stieren en ossen, onderscheidenlijk het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het maximum aantal premierechten overeenkomstig bijlage II van verordening 1254/1999, te vermenigvuldigen met de bij de onderscheiden categorieën behorende verhoudingsfactor, zoals vastgesteld op grond van onderdeel b; d. d. het maximumbedrag van bijlage IV van verordening 1254/1999 te delen door de som van de op grond van onderdeel c berekende getallen; e. e. het aldus berekende bedrag te vermenigvuldigen met de voor de categorie stieren en ossen, op grond van onderdeel b berekende verhoudingsfactor.
3. De premie voor vrouwelijke runderen bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 11, tweede lid, van verordening 1254/1999.
4. De premie als bedoeld in het derde lid wordt voor vrouwelijke runderen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdelen a tot en met e, met dien verstande dat voor de in onderdeel e bedoelde ‘categorie stieren en ossen’ wordt gelezen: categorie koeien en vaarzen.
Artikel 4.8
Geen premie wordt verstrekt voor runderen waarvan de geboortedatum, de datum van aanvoer op en afvoer van het bedrijf van de producent, of de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een andere lidstaat of derde land, niet in het I & R-systeem rund zijn vermeld.
Artikel 4.9
Vervallen
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Premie per ooi bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 4, vierde lid, van verordening 2529/2001.
Artikel 5.1a
Vervallen
Artikel 5.2
Het aantal voor de premie in aanmerking te nemen ooien bedraagt niet minder dan tien en is ten hoogste gelijk aan het aantal ooien dat op de dag van indiening van de aanvraag op het bedrijf van de producent voor diens rekening wordt aangehouden, doch nooit groter dan het aantal premierechten waarover de producent beschikt.
Artikel 5.2a
Vervallen
Artikel 5.3
1. De producent doet, indien hij de aan te houden ooien dan wel een gedeelte daarvan gaat aanhouden op gronden of in gebouwen als bedoeld in de definitie van bedrijf, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel v, sub 5°, hiervan mededeling in de aanvraag, bedoeld in artikel 2.5. De mededeling wordt mede ondertekend door de ingebruikgever.
2. Indien de producent gedurende de aanhoudperiode de aan te houden ooien dan wel een gedeelte daarvan alsnog gaat aanhouden op gronden of in gebouwen als bedoeld in het eerste lid, en hij daarvan in de aanvraag, bedoeld in artikel 2.5, geen mededeling heeft gedaan, stelt hij LASER hiervan voorafgaand aan de verplaatsing schriftelijk op de hoogte door middel van een verplaatsingsverklaring, die voldoet aan artikel 2.5.
3. De producent geeft de gronden of gebouwen waarnaar ingevolge het eerste en tweede lid van het onderhavige artikel wordt verplaatst, aan op een door de producent bij het verplaatsingsformulier dan wel het formulier, bedoeld in artikel 2.5, gevoegde topografische kaart.
Artikel 5.4
1. Schapenvleesproducenten, die zijn gevestigd in een probleemgebied, komen in aanmerking voor een aanvullende premie per ooi als bedoeld in artikel 5 van verordening 2529/2001.
2. Schapenvleesproducenten worden beschouwd als gevestigd in een probleemgebied indien tenminste 50% van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf van de producent in een probleemgebied is gelegen.
3. Om in aanmerking te komen voor een aanvullende premie als bedoeld in het eerste lid, voegt de producent bij zijn premie-aanvraag een specifieke aangifte als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2550/2001.
4. Uit de specifieke aangifte, bedoeld in het derde lid, blijkt de ligging van alle gronden die tot het bedrijf van de producent behoren alsmede de oppervlakte die in een probleemgebied is gelegen.
5. Bij de specifieke aangifte voegt de producent een topografische kaart met een schaal van 1:10.000, afkomstig van de Topografische Dienst Nederland, met een unieke topografische perceelsnummering waaruit blijkt welke percelen van de totale oppervlakte cultuurgrond in een probleemgebied zijn gelegen.
Artikel 5.5
-
- Onverminderd het bepaalde in verordening 2419/2001 moet de producent in de aanvraag vermelden of hij melk van ooien of zuivelprodukten van ooien verkoopt en onverminderd het bepaalde in artikel 5.3 volledig aangeven waar het schapenbestand zich gedurende de aanhoudperiode zal bevinden.
-
-
Onverminderd het bepaalde in verordening 2419/2001 vermeldt de producent in zijn aanvraag voor zover van toepassing:
a. de gegevens ter identificatie van het inschaarbedrijf en de plaats waar de ooien gedurende de aanhoudperiode worden ingeschaard en de periode van inscharing; b. de gegevens ter identificatie van het bedrijf van de huurder en het aantal verhuurde ooien dat hij laat houden; c. het loondienstverband en de identiteit van de andere producent; d. de gegevens ter identificatie van het bedrijf van de ingebruikgever van de gebouwen en de gronden alsmede de plaats waar de ooien gedurende de aanhoudperiode verblijven.
-
a. a. de gegevens ter identificatie van het inschaarbedrijf en de plaats waar de ooien gedurende de aanhoudperiode worden ingeschaard en de periode van inscharing; b. b. de gegevens ter identificatie van het bedrijf van de huurder en het aantal verhuurde ooien dat hij laat houden; c. c. het loondienstverband en de identiteit van de andere producent; d. d. de gegevens ter identificatie van het bedrijf van de ingebruikgever van de gebouwen en de gronden alsmede de plaats waar de ooien gedurende de aanhoudperiode verblijven.
Artikel 5.6
Vervallen
Artikel 5.7
Vervallen
Artikel 5.8
Vervallen
Artikel 5.9
Vervallen
Artikel 5.10
Vervallen
Artikel 5.11
Vervallen
Hoofdstuk 6. Specifieke bepalingen met betrekking tot zoogkoeienpremie
Artikel 6.1
Voor een premie komen slechts zoogkoeienproducenten in aanmerking die:
a. a. het runderbestand op het bedrijf dat zij beheren uitsluitend gebruiken voor het opfokken van kalveren voor de vleesproduktie en gedurende twaalf maanden, te rekenen vanaf de dag van ontvangst door LASER van de aanvraag, geen melk en geen zuivelprodukten leveren, behoudens de rechtstreekse levering van het bedrijf aan de consument dan wel b. b. het runderbestand op het bedrijf dat zij beheren zowel gebruiken voor het opfokken van kalveren voor de vleesproduktie als voor het leveren van melk of zuivelprodukten, en c. c. gedurende tenminste zes maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op die van ontvangst door LASER van de aanvraag, op het bedrijf een aantal zoogkoeien houden dat tenminste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen houden dat tenminste gelijk is aan 15% van het aantal zoogkoeien waarvoor de premie is aangevraagd. d. d. Het in onderdeel c genoemde minimum aantal vaarzen geldt niet voor een producent die voor minder dan 14 zoogkoeien premie aanvraagt.
Artikel 6.2
1.
Een premie wordt de producent slechts verleend:
a. a. voor niet meer zoogkoeien dan het aantal premierechten waarover de producent beschikt; b. b. tot het voor het bedrijf van de producent ingevolge artikel 12, eerste lid, van verordening 1254/1999 geldende maximum veebezettingsgetal; c. c. voor de aan te houden zoogkoeien die vanaf het moment van ontvangst door LASER van de eerste premieaanvraag zoogkoeien in het oor zijn voorzien van een oormerk; en d. d. voor de aan te houden zoogkoeien die tenminste eenmaal hebben gekalfd in de periode die loopt van twintig maanden voor tot en met vier maanden na de datum waarop de betrokken aanvraagperiode is geopend en waarvan de kalveren niet binnen vier maanden na hun geboorte uit het betrokken beslag zijn afgevoerd.
2.
Een premie wordt voorts de producent slechts verleend indien hij:
a. a. een bedrijfsregister bijhoudt; b. b. voldoet aan de bij of krachtens de Regeling handel levende dieren en levende producten vastgestelde regelen terzake van het paspoort, en c. c. voldoet aan de bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren vastgestelde regelen ter zake van het merken.
Artikel 6.2a
1. In de aanvraag worden de zoogkoeien door de producent geïdentificeerd.
2.
Indien gedurende de aanhoudperiode de in de aanvraag vermelde zoogkoeien en vaarzen worden vervangen, wordt de vervanging:
a. a. binnen drie dagen na de dag van de vervanging aangetekend op een daartoe door LASER vastgesteld formulier; en b. b. binnen tien werkdagen na de dag van vervanging gemeld aan LASER middels een daartoe door LASER vastgesteld formulier.
Artikel 6.2b
1. De premie voor zoogkoeien bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 6, vierde lid, van verordening 1254/1999.
2. De premie als bedoeld in het eerste lid wordt aangevuld met 25% van het bedrag dat wordt berekend door overeenkomstige toepassing van artikel 4.7, tweede lid, de onderdelen a tot en met e, met dien verstande dat voor de in onderdeel e bedoelde ‘categorie stieren en ossen’ wordt gelezen het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het maximum aantal premierechten overeenkomstig bijlage II van verordening 1254/1999.
Artikel 6.2c
1.
Het bedrag van de premie, bedoeld in artikel 6.2a, wordt verhoogd met een extensiveringsbedrag ten bedrage van:
a. a. € 66,- voor de jaren 2000 en 2001 indien de veebezetting lager is dan 1,6 GVE per hectare en € 33,- indien de veebezetting ten minste 1,6 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 2,0 GVE per hectare; b. b. € 80,- voor het jaar 2002 en de daarop volgende jaren indien de veebezetting lager is dan 1,4 GVE per hectare en € 40,- indien de veebezetting ten minste 1,4 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 1,8 GVE per hectare.
2.
De verhoging wordt niet verstrekt indien:
a. a. de aanvraag daartoe niet overeenkomstig artikel 4.2a is ingediend, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 4.2b, dan wel is ingetrokken; b. b. de veebezetting hoger is dan de, overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b door de producent opgegeven veebezetting; c. c. op enig tijdstip in het betrokken kalenderjaar het aantal op het bedrijf van de producent aanwezige GVE groter is dan 120% van de door de betrokken producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting.
Artikel 6.3
Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.
Artikel 6.4
Ingeval aanpassing van individuele maxima van premierechten voor zoogkoeien als bedoeld in artikel 7, derde lid, van verordening 1254/1999 moet geschieden, vindt van rechtswege een proportionele vermindering plaats van het aantal premierechten voor zoogkoeien van individuele producenten met ingang van 1 januari van het jaar waarvoor premie wordt aangevraagd.
Hoofdstuk 7. Specifieke bepalingen met betrekking tot stieren- en ossenpremie
Artikel 7.1
1.
Een premie wordt de producent slechts verleend:
a. a. tot het voor het bedrijf van de producent ingevolge artikel 12, eerste lid, van verordening 1254/1999 geldende maximum veebezettingsgetal; b. b. voor de aan te houden stieren of ossen die vanaf het moment van ontvangst door LASER van de eerste premie-aanvraag stieren of premie-aanvraag ossen in het oor zijn voorzien van een oormerk, c. c. indien de producent een bedrijfsregister bijhoudt; d. d. indien de producent voldoet aan de bij of krachtens de Regeling handel levende dieren en levende producten vastgestelde regelen terzake van het paspoort, en. e. e. indien de producent voldoet aan de bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren vastgestelde regelen ter zake van het merken.
2. Een premie wordt de producent slechts verleend voor de stieren of ossen waarvoor hij op zijn verzoek uiterlijk op de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag stieren of de premie-aanvraag ossen, doch niet langer dan twee weken daaraan voorafgaand, van een bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren aangewezen dienst een document heeft verkregen waarin de stieren of ossen waarvoor premie wordt aangevraagd met hun registratienummers zijn vermeld.
3. Het in het tweede lid bedoelde document dient de producent bij zijn premie-aanvraag stieren of premie-aanvraag ossen te voegen en vormt onderdeel van de premie-aanvraag.
4. De producent bewaart een door LASER aan hem verstrekt afschrift van het in het tweede lid bedoelde document vanaf het begin van de aanhoudperiode bij zijn boekhouding, genoemd in artikel 4.5, tweede lid.
5.
Ten behoeve van de vaststelling van de in het tweede lid bedoelde termijn is bepalend de datum van afgifte zoals
vermeld op het document, als bedoeld in het tweede lid.
6. De producent voegt bij zijn premie- aanvraag ossen een verklaring van een dierenarts of een krachtens de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 geregistreerde castreur dat de dieren waarvoor premie wordt aangevraagd, zijn gecastreerd.
Artikel 7.2
Indien de producent een dier uit een andere Lid-Staat betrekt waarvoor in die Lid-Staat nog geen premie voor de betrokken leeftijdstranche is verleend, legt de producent om voor premie in aanmerking te komen bij de premie-aanvraag stieren of premie-aanvraag ossen een volledig en naar waarheid ingevuld document over van de Lid-Staat van herkomst van het betrokken dier waarvan de gegevens overeenkomen met die van het model dat is opgenomen in bijlage I van verordening 2342/1999, dan wel het bij of krachtens het Besluit identificatie en registratie van dieren genoemde dierpaspoort.
Artikel 7.3
Indien het totaal aantal stieren en ossen waarvoor premie is aangevraagd en die voldoen aan de voorwaarden voor verlening van de premie, het regionale maximum overschrijdt, wordt het aantal stieren en ossen dat voor premie in aanmerking komt in het betrokken jaar per producent evenredig verminderd.
Artikel 7.3a
De premie per stier of os bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 4, zevende lid van verordening 1254/1999.
Artikel 7.3b
1.
Het bedrag van de premie, bedoeld in artikel 7.3a, wordt verhoogd met een extensiveringsbedrag ten bedrage van:
a. a. € 66,- voor de jaren 2000 en 2001 indien de veebezetting lager is dan 1,6 GVE per hectare en € 33,- indien de veebezetting ten minste 1,6 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 2,0 GVE per hectare; b. b. € 80,- voor het jaar 2002 en de daarop volgende jaren indien de veebezetting lager is dan 1,4 GVE per hectare en € 40,- indien de veebezetting ten minste 1,4 GVE per hectare bedraagt, doch minder dan 1,8 GVE per hectare.
2.
De verhoging wordt niet verstrekt indien:
a. a. de aanvraag daartoe niet overeenkomstig artikel 4.2a is ingediend, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 4.2b, dan wel is ingetrokken; b. b. de veebezetting hoger is dan de overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b door de producent opgegeven veebezetting; c. c. op enig tijdstip in het betrokken kalenderjaar het aantal op het bedrijf van de producent aanwezige GVE groter is dan 120% van de door de producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8.1
1. De Uitvoeringsregeling EEG-premie schapevleesproducenten 1993, de Uitvoeringsregeling EEG-premie rundvleesproducenten 1993 en de Uitvoeringsregeling EEG-premie aanhouden zoogkoeienbestand 1993 worden ingetrokken.
2. De in het eerste lid genoemde regelingen blijven evenwel van toepassing op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling en waarop nog niet onherroepelijk is beslist.
3. Voor zover op grond van de in het eerste lid bedoelde regelingen voor het jaar 1996 periodes, waarin aanvragen of meldingen kunnen worden gedaan, door middel van publicatie in de Staatscourant bekend zijn gemaakt, worden die periodes geacht betrekking te hebben op deze regeling.
Artikel 8.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8.3
Deze regeling wordt aangehaald als: ’Regeling dierlijke EG-premies’.