40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling financiën hoger onderwijs | BWBR0024005 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-09-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0024005 | Regeling financiën hoger onderwijs |
Regeling financiën hoger onderwijs
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs, met bijlage; Den Haag, 3 september 2003 (Trb. 2003, 167);
-
afsluitend examen: het examen bedoeld in artikel 7.10 van de wet;
-
besluit: het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;
-
examencommissie: de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, van de wet;
-
hogeschool: hogeschool als bedoeld in onderdeel g van de bijlage van de wet;
-
inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
-
kwaliteitsafspraken: kwaliteitsafspraken als bedoeld in het akkoord ‘Investeren in Onderwijskwaliteit, Kwaliteitsafspraken 2019–2024’, bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 31 288, nr. 621;
-
kwaliteitsbekostiging: een aanvullende rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.6, vijfde lid, van de wet;
-
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
-
persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door de minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.31e, derde lid;
-
register onderwijsdeelnemers: het register bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers;
-
studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar; 1°. universiteit:
1°. universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de wet, 2°. de Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de wet, en 3°. levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet;
1°. 1°. universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de wet, 2°. 2°. de Open Universiteit, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de wet, en 3°. 3°. levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet;
- wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Paragraaf 2. Onderwijs
Artikel 2
1.
De factoren behorend bij het bekostigingsniveau, bedoeld in artikel 4.10, derde lid, van het besluit, zijn voor bacheloropleidingen en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs:
a. a. voor een laag bekostigingsniveau: 1, b. b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,5, en c. c. voor een top bekostigingsniveau: 3.
2.
De factoren behorend bij het bekostigingsniveau, bedoeld in artikel 4.10, derde lid, van het besluit, zijn voor associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs:
a. a. voor een laag bekostigingsniveau: 1, b. b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,28, en c. c. voor een top bekostigingsniveau: 1,5.
3. De bekostigingsniveaus, bedoeld in artikel 1.1. van het besluit, behorend bij opleidingen of groepen van opleidingen, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 13 bij deze regeling.
Artikel 3
1.
De onderwijsopslag van een universiteit, bedoeld in artikel 4.11 van het besluit, bestaat uit:
a. a. het bedrag, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het besluit, dat voor de desbetreffende universiteit is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, en b. b. het percentage, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, van het besluit, dat voor de desbetreffende universiteit is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
2.
De onderwijsopslag van een hogeschool, bedoeld in artikel 4.11 van het besluit, bestaat uit:
a. a. het bedrag, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het besluit, dat voor de desbetreffende hogeschool is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, en b. b. het percentage, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, van het besluit, dat voor de desbetreffende hogeschool is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
Artikel 3a
1. Voor de toepassing van artikel 4.3, zesde lid, van het besluit zijn de gegevens uit het register onderwijsdeelnemers vastgelegd in het historisch bestand hoger onderwijs onder het kenmerk 620668988284 aan de hand van de door instellingen aan het register onderwijsdeelnemers aangeleverde gegevens over de periode 1 september 1991 tot en met 30 september 2008 inzake getuigschriften, graden en inschrijvingen en daarmee gelijkgesteld met bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden als bedoeld in het besluit.
2. Onverminderd het gestelde in artikel 4.3 zevende lid van het besluit zijn de gegevens, die op grond van artikel 4.3 zesde lid van het besluit zijn opgenomen in het historisch bestand hoger onderwijs, bedoeld in het eerste lid, niet meer te wijzigen na 16 april 2010.
Artikel 3b
Indien een inschrijving heeft plaatsgevonden in de maand oktober, heeft een instellingsbestuur niet de bevoegdheid die inschrijving met terugwerkende kracht te laten ingaan.
Paragraaf 2a. Beleidsregels kwaliteitsbekostiging
Artikel 3c
Vervallen
Artikel 3d
Vervallen
Artikel 3e
Vervallen
Artikel 3f
Vervallen
Artikel 3g
Vervallen
Artikel 3h
Vervallen
Artikel 3i
Vervallen
Paragraaf 3. Onderzoek
Artikel 4
1. De bedragen, bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 5 bij deze regeling.
2. De verdeling, bedoeld in artikel 4.23, tweede lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 6 bij deze regeling.
3. De bedragen, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 9 bij deze regeling.
4. Het deel van het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, van het besluit, is 12,42354%.
5. Het deel van het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van het besluit, is 16,44605%.
6. De bedragen, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het besluit, zijn € 91.421 voor een promotie en € 76.184 voor een ontwerperscertificaat.
Paragraaf 4. Academische ziekenhuizen
Artikel 5
Het rentepercentage bedoeld in artikel 4.27, tweede lid, van het besluit is 5%.
Artikel 6
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 4.27, derde lid, onderdeel c, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 7 bij deze regeling, onder de noemer bedragen.
2. De percentages, bedoeld in artikel 4.27, vierde lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling, onder de noemer percentages.
3. De investeringsbedragen, bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze regeling.
Artikel 7
Vervallen
Paragraaf 5. Collegegeld
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Voor het in de volgende tabel genoemde studiejaar worden na de toepassing van artikelen 2.2, tweede lid, en 2.4a, tweede lid, van het besluit de volgende bedragen van het wettelijk collegegeld vastgesteld:
Paragraaf 6. Financiële ondersteuning en toelagen
Artikel 10
1. Studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid van de wet, zijn voor de werking van deze regeling Interstedelijk Studenten Overleg en Landelijke Studenten Vakbond, beide te Utrecht.
2.
Organisaties kunnen tussen 1 april en 1 juni voorafgaande aan het desbetreffende studiejaar een verzoek indienen bij de minister om te worden aangewezen als politieke jongerenorganisatie of een landelijke organisatie als bedoeld in artikel 7.51k, van de wet. Bij dat verzoek dienen te worden bijgevoegd:
a. a. de statuten of reglementen van de organisatie; b. b. een verklaring van een accountant waaruit blijkt dat de organisatie ten minste tweehonderd vijftig betalende leden, contribuanten of donateurs omvat, dan wel uit een samenwerkingsverband bestaat van instellingen, organisaties of rechtspersonen die samen ten minste tweehonderd vijftig betalende leden, contribuanten of donateurs omvatten; c. c. in het geval van een politieke jongerenorganisatie: de schriftelijke verklaring van de politieke partij, vertegenwoordigd in de beide Kamers der Staten Generaal, waaruit blijkt dat de desbetreffende organisatie met die politieke partij is gelieerd; d. d. een verklaring waaruit blijkt dat de desbetreffende organisatie voor het hoger onderwijs relevante activiteiten ontplooit.
3. Een organisatie, genoemd in het tweede lid, die aansluitend op een eerdere toekenning een verzoek indient, informeert de minister slechts over wijzigingen in de desbetreffende bescheiden.
4. De minister stelt de organisatie, bedoeld in het tweede lid uiterlijk op 15 juli voorafgaande aan het desbetreffende studiejaar in kennis van zijn beslissing.
Artikel 11
1.
Het bestuur van een organisatie, bedoeld in artikel 10, wijst de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers aan die voor de financiële ondersteuning vanwege het daadwerkelijk vervullen van een bestuursfunctie tijdens een studiejaar in aanmerking komen, met inachtneming van artikel 7.51k van de wet en verstrekt aan de minister voor 1 november van het desbetreffende studiejaar de volgende gegevens over deze vertegenwoordiger of vertegenwoordigers:
a. a. de naam, het adres en de woonplaats, alsmede de geboortedatum; b. b. een kopie van een identiteitsbewijs met daarop het burgerservice- of sofinummer; c. c. een bankafschrift met daarop het relevante banknummer; d. d. de gewenste subsidieperiode in maanden.
2. Financiële ondersteuning wordt gegeven tot ten hoogste het bedrag voor het gehele studiejaar voor vijf vertegenwoordigers van een organisatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, en voor een vertegenwoordiger van maximaal veertig organisaties bedoeld in artikel 10, tweede lid.
3. Indien is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid en financiële ondersteuning wordt toegekend, maakt de minister deze beslissing aan de desbetreffende organisaties bekend en zendt van die bekendmaking een afschrift aan de vertegenwoordiger.
4. Het bestuur van een organisatie kan, in afwijking van het eerste lid, tussentijds de aanwijzing van een vertegenwoordiger intrekken. Van deze intrekking maakt het bestuur melding aan de minister.
5. Na een intrekking als bedoeld in het vierde lid, kan het bestuur van een organisatie in plaats van de vertegenwoordiger van wie de aanwijzing is ingetrokken, een nieuwe vertegenwoordiger aanwijzen. De aanwijzing van de nieuwe vertegenwoordiger geldt voor het resterende gedeelte van het desbetreffende studiejaar.
Artikel 12
1. De vertegenwoordiger heeft, behoudens het tweede lid, gedurende het tijdvak waarvoor de in artikel 11 bedoelde aanwijzing geldt, aanspraak op financiële ondersteuning.
2. Indien het bestuur van een organisatie na intrekking van de eerste aanwijzing een andere vertegenwoordiger aanwijst, heeft deze met ingang van de eerste volle maand na zijn aanwijzing aanspraak op financiële ondersteuning.
Artikel 13
1. De financiële ondersteuning is gelijk 115% van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een werknemer van 21 jaar of ouder bij een volledig dienstverband per maand.
2. De toekenning van de financiële ondersteuning vindt plaats per maand.
Paragraaf 7. Persoonsgebonden nummer in het hoger onderwijs
Artikel 14
Vervallen
Artikel 15
Vervallen
Artikel 16
Vervallen
Paragraaf 8. Sectoroverstijgende opleidingen
Artikel 17
Vervallen
Paragraaf 8a. Experimenten
Artikel 18
Vervallen
Paragraaf 8b. Aanvullende taken accreditatieorgaan in verband met kwaliteitsafspraken
Artikel 18a
1.
Het accreditatieorgaan heeft in aanvulling op artikel 5.2, vierde lid, van de wet tot taak:
a. a. de minister te adviseren de aanvragen, bedoeld in de artikelen 4.30, eerste en tweede lid, en 4.32, derde lid, van het besluit; b. b. in 2022 de minister te adviseren of voldaan is aan de maatstaven, bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, van het besluit; c. c. uiterlijk zes jaar na het besluit, bedoeld in artikel 3d, derde of zesde lid, de verwezenlijking te evalueren van de in de aanvraag in het vooruitzicht gestelde kwaliteit, bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het besluit, van een universiteit of hogeschool en daarover de minister te adviseren; d. d. een commissie van deskundigen in te stellen in het geval het:
1°.
de advisering over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het besluit betreft en de desbetreffende universiteit of hogeschool geen erkenning ITK als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de wet, heeft verkregen;
2°.
de advisering over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het besluit betreft en voor de desbetreffende instelling niet reeds een commissie van deskundigen is ingesteld in het kader van een instellingstoets kwaliteitszorg als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van de wet;
3°.
de advisering betreft over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, van het besluit;
4°.
de advisering betreft over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.32, eerste en derde lid, van het besluit;
1°. 1°. de advisering over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het besluit betreft en de desbetreffende universiteit of hogeschool geen erkenning ITK als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de wet, heeft verkregen; 2°. 2°. de advisering over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van het besluit betreft en voor de desbetreffende instelling niet reeds een commissie van deskundigen is ingesteld in het kader van een instellingstoets kwaliteitszorg als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van de wet; 3°. 3°. de advisering betreft over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, van het besluit; 4°. 4°. de advisering betreft over een aanvraag als bedoeld in artikel 4.32, eerste en derde lid, van het besluit; e. e. het in 2020 of 2022 of op verzoek van de minister opmaken van een landelijk beeld van de stand van zaken van de kwaliteitsafspraken.
2. Het accreditatieorgaan stelt een toetsingsprotocol vast voor de advisering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Het toetsingsprotocol wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de minister daarmee heeft ingestemd.
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 19
1. Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 13, eerste lid, artikel 18, onderdelen d en f, en bijlage 12, onderdelen g, voor zover het betreft de vermelding van de Duitse bondsstaat, q, r en w, in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt, met uitzondering van artikel 5, eerste lid, terug tot en met 1 januari 2008.
2. Artikel 5, eerste lid, werkt terug tot en met 1 januari 2007.
3. Artikel 13, eerste lid treedt in werking met ingang van 1 september 2008.
4. Artikel 18, onderdelen d en f, treedt in werking met ingang van 1 september 2008.
5. Bijlage 12, onderdelen g, voor zover het betreft de vermelding van de Duitse bondsstaat, q, r en w, treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009.
Artikel 20
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiën hoger onderwijs.
Bijlage 1. bij
Bijlage 2. bij
Bijlage 3. bij
Bijlage 4. bij
Bijlage 5. bij
Bijlage 6. bij
Bijlage 7. bij
Bijlage 8. bij
Bijlage 9. bij
Bijlage 10. bij
Vervallen
Bijlage 11. bij
Vervallen
Bijlage 12. bij
Vervallen