rijk/ministeriele-regeling/regeling-groencertificaten-elektriciteitswet-1998/BWBR0012463
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998 BWBR0012463 ministeriele-regeling geldend 2003-06-06 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012463 Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998

Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f, worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen , de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong van ten hoogste drie massaprocent per partij geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.

Artikel 2

1. Een in Nederland gevestigde producent van duurzame elektriciteit verzoekt de netbeheerder vast te stellen of zijn productie-installatie geschikt is voor de opwekking van duurzame elektriciteit alsmede of de meetinrichting geschikt is voor de meting van de elektriciteit die met de productie-installatie wordt opgewekt en op het net ingevoed, met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

2. Naar aanleiding van het verzoek stelt de netbeheerder vast of de installatie geschikt is voor de opwekking van duurzame elektriciteit en of de meter geschikt is om de hoeveelheid op het net ingevoede duurzame elektriciteit te meten, door een administratief onderzoek in te stellen naar de installatie en de aansluiting daarvan op het net.

3. De netbeheerder kan in aanvulling op het administratief onderzoek en ter verificatie van de in het formulier opgenomen gegevens de installatie van de producent onderzoeken om te bepalen welk gedeelte van de totale hoeveelheid door de installatie opgewekte en op het net ingevoede elektriciteit kan worden aangemerkt als duurzame elektriciteit.

4. De netbeheerder deelt het resultaat van de vaststelling binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, mee aan de producent en aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

Artikel 3

1. Vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de producent het verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij de netbeheerder heeft ingediend, beschouwt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf de overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de wet, gemeten hoeveelheid elektriciteit die de producent met zijn installatie opwekt en op het net invoedt, als duurzame elektriciteit, voor zover de netbeheerder overeenkomstig artikel 2 heeft vastgesteld dat de installatie van de producent geschikt is voor de opwekking van duurzame elektriciteit en dat de meetinrichting geschikt is om de hoeveelheid op het net ingevoede duurzame elektriciteit te meten.

2. Bij installaties met een aansluitwaarde groter dan 3 x 80 A geschiedt de meting van de hoeveelheid opgewekte en op het net ingevoede duurzame elektriciteit iedere kalendermaand. Bij installaties met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3 x 80 A geschiedt de meting gelijktijdig met de jaarlijkse bepaling van de meterstanden, tenzij de producent de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf verzoekt iedere kalendermaand te meten. De netbeheerder verdeelt de op grond van de jaarlijkse bepaling van de meterstanden verkregen meetgegevens van installaties met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3 x 80 A in gelijke delen over de twaalf voorafgaande kalendermaanden, tenzij de desbetreffende producent aantoont dat deze meetgegevens op een andere wijze over de twaalf voorafgaande kalendermaanden verdeeld moeten worden.

3. Indien de installatie van de producent voor de opwekking van duurzame elektriciteit gebruik maakt van elektriciteit die is afgenomen van een net, brengt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf voor de bepaling van de hoeveelheid duurzame elektriciteit die op het net is ingevoed, de hoeveelheid elektriciteit die daarvoor is afgenomen van het net in mindering op de hoeveelheid duurzame elektriciteit die hij op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel i, van de wet meet.

4. Tenzij de tariefstructuren, bedoeld in artikel 27 van de wet, iets anders bepalen, brengt de netbeheerder de kosten van het vaststellen of de installatie en de meetinrichting van de producent geschikt zijn voor de opwekking en de meting van duurzame elektriciteit in rekening bij de producent en brengt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf de kosten van het meten van de hoeveelheid duurzame elektriciteit in rekening bij de producent.

Artikel 4

1. De producent van duurzame elektriciteit stelt de netbeheerder in staat de vaststelling en het onderzoek, bedoeld in artikel 2, te verrichten en stelt de netbeheerder dan wel het gecertificeerd meetbedrijf in staat de hoeveelheid duurzame elektriciteit te meten die met zijn installatie is opgewekt en op het net is ingevoed.

2. Indien zich een omstandigheid voordoet die van belang is voor de bepaling hoeveel duurzame elektriciteit is opgewekt en op het net is ingevoed, meldt de producent die omstandigheid en het tijdstip waarop deze zich voordeed binnen twee weken aan de netbeheerder.

Artikel 5

De netbeheerder deelt op verzoek van de Belastingdienst de meetgegevens mee die voor de Belastingdienst van belang zijn voor het uitoefenen van haar taak.

Artikel 6

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet opent op verzoek van een producent, afnemer, leverancier of handelaar een groencertificatenrekening.

2. De producent deelt bij het verzoek de uitkomst van het onderzoek, verkregen overeenkomstig artikel 2, mee aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt op verzoek groencertificaten op een daarbij aangegeven groencertificatenrekening, indien een in Nederland gevestigde producent of zijn gemachtigde bij het verzoek de meetgegevens omtrent duurzame elektriciteit, ontvangen overeenkomstig artikel 16a, tweede en derde lid, van de wet, overlegt: en verklaart dat de desbetreffende hoeveelheid elektriciteit niet reeds in Nederland of in andere landen op enigerlei wijze als duurzame elektriciteit is verkocht of daarvoor een vergoeding is ontvangen.

4. Een groencertificaat heeft betrekking op duurzame elektriciteit die in Nederland is geproduceerd na 1 juli 2001.

5. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt op verzoek van degene aan wie groencertificaten toekomen, een bij het verzoek aan te geven hoeveelheid groencertificaten over op een daarbij aangegeven andere groencertificatenrekening.

6. Een groencertificaat verliest zijn geldigheid uiterlijk één jaar na de datum van boeking op grond van het derde lid en van artikel 7a, eerste lid, dan wel nadat het groencertificaat is gebruikt voor toepassing van artikel 36i van de Wet belastingen op milieugrondslag. Nadat een groencertificaat zijn geldigheid heeft verloren, wordt het afgeboekt van de groencertificatenrekening.

7. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet brengt de kosten van het beheer van de groencertificatenrekening in rekening bij degene die het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doet.

Artikel 6a

1. Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, wordt opgewekt met behulp van zuivere biomassa, overlegt de producent of zijn gemachtigde iedere zes kalendermaanden ten hoogste een maand voor aanvang van deze zes kalendermaanden een verklaring dat hij met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa. De verklaring wordt overgelegd aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

2. Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, wordt opgewekt met behulp van door de producent gewonnen, niet naar zijn aard zuiver biogas, hanteert de producent of zijn gemachtigde ten aanzien van de grondstof die bij het ontstaan van dit biogas gebruikt wordt, een daartoe geëigende methode om aan de hand van bemonstering per partij vast te stellen dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit is opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa.

3. Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, wordt opgewekt met behulp van niet-zuivere biomassa, overlegt de producent of zijn gemachtigde iedere zes kalendermaanden ten hoogste een maand voor aanvang van deze zes kalendermaanden een verklaring dat hij met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt. De verklaring wordt overgelegd aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

4. Indien de duurzame elektriciteit, waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, wordt opgewekt met behulp van door de producent gewonnen, niet-zuiver biogas, hanteert de producent of zijn gemachtigde ten aanzien van de grondstof die bij het ontstaan van dit biogas gebruikt wordt, een daartoe geëigende methode om aan de hand van bemonstering per partij vast te stellen wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt.

5. De methode van vaststelling, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt geacht geëigend te zijn als de producent ter zake van de werkzaamheden voor de bepaling van het biologisch afbreekbare gedeelte van de zuivere dan wel niet-zuivere biomassa beschikt over een productcertificaat als bedoeld in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016 voor de vaststelling van het aandeel biomassa in secundaire brandstoffen, dan wel over een schriftelijk bewijs dat hij voldoet aan vergelijkbare procesnormen als vastgelegd in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016.

6. Steeds wanneer de producent voornemens is andere materialen in zijn installatie te verwerken dan in de verklaring zijn opgenomen, overlegt hij ten hoogste een maand voordat hij deze andere materialen daadwerkelijk verwerkt een nieuwe verklaring. De in het eerste en het derde lid bedoelde periode van zes kalendermaanden wordt in dit geval geacht aan te vangen op het moment dat de producent de in de vorige volzin bedoelde andere materialen daadwerkelijk verwerkt.

Artikel 6b

1. Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, uitsluitend wordt opgewekt met behulp van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, behoeft de producent of zijn gemachtigde, in afwijking van artikel 6a, geen verklaring te overleggen dat hij met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa.

2. In dit geval verklaart de producent of zijn gemachtigde dat hij gedurende de periode waarop de verklaring betrekking heeft uitsluitend met behulp van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas duurzame elektriciteit zal opwekken. De verklaring wordt overgelegd aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

Artikel 6c

1.

Indien de duurzame elektriciteit waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, is opgewekt met behulp van biomassa, deelt de producent of zijn gemachtigde met betrekking tot de periode, bedoeld in artikel 3, tweede lid, die voorafgaat aan het tijdstip waarop het verzoek wordt gedaan, bij het verzoek mee, voor zover van toepassing, welk gewogen percentage van de door zijn installatie opgewekte totale hoeveelheid elektriciteit is opgewekt met behulp van:

a. a. zuivere biomassa; b. b. niet-zuivere biomassa, waarbij hij een onderscheid maakt in het biologisch afbreekbare gedeelte en het niet biologisch afbreekbare gedeelte; c. c. overige brandstoffen.

2. Indien de duurzame elektriciteit, waarvoor boeking van groencertificaten wordt verzocht op grond van artikel 6, derde lid, is opgewekt met behulp van niet-zuivere biomassa in een afvalverbrandingsinstallatie, gaat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet er van uit dat een jaarlijks door Onze Minister vast te stellen percentage van de totale hoeveelheid door die installatie opgewekte elektriciteit duurzame elektriciteit is. Het vorige lid is in dit geval niet van toepassing.

3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet geeft op groencertificaten, geboekt ten behoeve van duurzame elektriciteit opgewekt met behulp van biomassa, aan met behulp van welke soorten biomassa de desbetreffende duurzame elektriciteit is opgewekt.

Artikel 6d

1. De producent of zijn gemachtigde zendt telkens binnen dertien weken na de periode van zes kalendermaanden, die aanvangt op 1 januari en eindigt op 30 juni en de periode van zes kalendermaanden die aanvangt op 1 juli en eindigt op 31 december, aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet een verklaring van een accountant, die betrekking heeft op de voorafgaande periode van zes kalendermaanden.

2. De accountantsverklaring heeft geen betrekking op de periode, bedoeld in artikel 7, zesde lid.

3.

Uit de accountantsverklaring blijkt eenduidig:

a. a. wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn; b. b. of de door de producent of zijn gemachtigde op grond van artikel 6c, eerste lid, meegedeelde percentages overeenstemmen met de verhouding van de onder a bedoelde brandstoffen; c. c. of uit de administratie van de producent of uit andere de accountant ter beschikking staande gegevens volgt dat er gedurende de afgelopen periode van zes kalendermaanden in overeenstemming is gehandeld met de op grond van de artikelen 6a, eerste, derde en zesde lid, en 6b overgelegde verklaringen.

4. Ten aanzien van het bepaalde in het vorige lid, onderdeel b, gaat de accountant, voor zover van toepassing, na of de in artikel 6a bedoelde geëigende methode voor de vaststelling of het in de installatie verwerkte materiaal als zuivere biomassa kan worden aangemerkt dan wel welk gedeelte van de in de installatie verwerkte niet-zuivere biomassa biologisch afbreekbaar is, op een juiste wijze is toegepast voor zover dit betrekking heeft op de berekening die volgt uit de toepassing van de methode op de onder b genoemde gegevens.

5. Indien de overeenkomstig artikel 6c, eerste lid, meegedeelde percentages afwijken van de percentages die uit de accountantsverklaring blijken, corrigeert de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het ten gevolge van deze afwijking ontstane verschil in de hoeveelheid groencertificaten door groencertificaten bij te boeken op dan wel af te boeken van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.

6. Indien uit de accountantsverklaring blijkt dat de producent in de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, niet in overeenstemming heeft gehandeld met zijn op grond van de artikelen 6a, eerste, derde en zesde lid, en 6b overgelegde verklaringen, wordt de in de desbetreffende periode opgewekte elektriciteit aangemerkt als niet-duurzaam. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt ten onrechte geboekte groencertificaten af van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.

7. Indien geen accountantsverklaring binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, wordt overgelegd, dan wel indien de accountantsverklaring niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt de in de desbetreffende periode opgewekte elektriciteit aangemerkt als niet-duurzaam. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt ten onrechte geboekte groencertificaten af van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.

8. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet meldt de toepasselijkheid van het vijfde, zesde en zevende lid aan de desbetreffende producent of zijn gemachtigde en aan de Belastingdienst.

9. Dit artikel is niet van toepassing indien de producent duurzame elektriciteit opwekt met behulp van niet-zuivere biomassa in een afvalverbrandingsinstallatie.

Artikel 7

1. De producent die met behulp van naar haar aard zuivere biomassa duurzame elektriciteit opwekt en op het net invoedt, draagt er zorg voor dat een daartoe bevoegde instantie ten minste een keer per kalenderjaar een steekproef uitvoert met behulp van een daartoe geëigende methode waarbij zonodig aan de hand van bemonstering wordt vastgesteld of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als naar haar aard zuivere biomassa en wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn.

2. De producent die met behulp van naar zijn aard zuiver biogas duurzame elektriciteit opwekt en op het net invoedt, draagt er zorg voor dat een daartoe bevoegde instantie ten minste een keer per twee kalenderjaren een steekproef uitvoert met behulp van een daartoe geëigende methode waarbij zonodig aan de hand van bemonstering wordt vastgesteld of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als naar zijn aard zuiver biogas en wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn.

3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bepaalt de tijdstippen waarop de in de vorige twee leden bedoelde steekproeven worden uitgevoerd en deelt deze tijdig aan de producent of zijn gemachtigde mee.

4. Bevoegde instanties als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn de instanties die vermeld zijn op een door de Minister van Economische Zaken op te stellen lijst van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten van elektriciteit en die naar zijn oordeel in staat zijn de steekproeven, bedoeld in het eerste en tweede lid, uit te voeren. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in artikel 6, derde lid, bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.

5. De instantie brengt de kosten van de steekproef in rekening bij de producent en deelt het resultaat van de steekproef ten hoogste vier weken na het moment waarop de monsterneming in het kader van de steekproef heeft plaatsgevonden mee aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde.

6. Indien geen steekproef wordt uitgevoerd op het tijdstip, bedoeld in het derde lid, dan wel indien uit de steekproef blijkt dat de biomassa niet aangemerkt kan worden als naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, wordt de elektriciteit, opgewekt in de periode waarop de op het moment van uitvoering van de steekproef geldende verklaring, bedoeld in de artikelen 6a, eerste en zesde lid, en 6b, betrekking heeft, aangemerkt als niet-duurzaam. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt ten onrechte geboekte groencertificaten af van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.

7. Indien zich een geval voordoet als bedoeld in het vorige lid, is vanaf het moment waarop het resultaat van de steekproef op grond van het vijfde lid is meegedeeld aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde artikel 6a van toepassing ten aanzien van de desbetreffende producent.

8. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet meldt de toepasselijkheid van het zesde en zevende lid aan de desbetreffende producent of zijn gemachtigde en aan de Belastingdienst.

Artikel 7a

1. Op verzoek van een afnemer, leverancier of handelaar of diens gemachtigde boekt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet groencertificaten op een bij het verzoek aangegeven groencertificatenrekening, indien die afnemer, leverancier, handelaar of gemachtigde bij het verzoek de meetgegevens alsmede gegevens omtrent de categorie productie-installatie overlegt met betrekking tot duurzame elektriciteit die uit een ander land afkomstig is en die op het Nederlandse net is ingevoed, mits de betrouwbaarheid van die gegevens is gewaarborgd.

2. De betrouwbaarheid van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd, indien de gegevens zijn verkregen van een of meer in het desbetreffende land tot afgeven van die gegevens bevoegde instanties. Een instantie wordt aangemerkt als bevoegde instantie, indien zij onafhankelijk is van producenten en leveranciers van elektriciteit en zij in het land van vestiging bevoegd is tot het meten van de opwekking of de afname van elektriciteit.

3. De Minister van Economische Zaken stelt een lijst op van bevoegde instanties, waarop in ieder geval zijn opgenomen die instanties die voor het afgegeven van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn aangewezen of erkend door de overheid van het land van vestiging, door de Raad voor Accreditatie of in het kader van de organisatie Renewable energy certificate system. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in het tweede lid, tweede volzin.

4. De afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand na verkrijging van de gegevens, bedoeld in dat lid.

5. Bij zijn verzoek verklaart de afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde dat de duurzame elektriciteit waarvoor overeenkomstig het eerste lid boeking van groencertificaten wordt verzocht, niet in het land van productie of in andere landen op enigerlei wijze als duurzame elektriciteit is verkocht of daarvoor een vergoeding is ontvangen.

6.

De artikelen 6a tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van duurzame elektriciteit, afkomstig uit een ander land dan Nederland, met inachtneming van het achtste lid en met dien verstande dat:

a. a. onder producent in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde; b. b. onder verzocht op grond van artikel 6, derde lid in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: verzocht op grond van artikel 7a, eerste lid; c. c. voor de toepassing van het begrip naar haar aard zuivere biomassa met de NTA 8003 wordt gelijkgesteld een norm die toepasselijk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die ten minste een gelijk beschermingsniveau biedt.

7. De elektriciteit is op het Nederlandse net ingevoed, indien de afnemer, leverancier, handelaar of gemachtigde bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aangeeft dat hij voldoende transportcapaciteit op het landsgrensoverschrijdende net heeft verkregen om de duurzame elektriciteit waarop het groencertificaat betrekking heeft, te transporteren naar Nederland. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet gaat na of de transportcapaciteit gebruikt is om de desbetreffende hoeveelheid elektriciteit naar Nederland te transporteren.

8. De Minister van Economische Zaken stelt ten aanzien van duurzame elektriciteit opgewekt met behulp van biomassa, afkomstig uit een ander land dan Nederland, voor de toepassing van de artikelen 6a en 7 een lijst op van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten en leveranciers van elektriciteit en in het land van vestiging bevoegd zijn met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering vast te stellen of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa, dan wel wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.

Artikel 7b

1. Met betrekking tot duurzame elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed, is deze regeling van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 6, vijfde en zesde lid, en 7a.

2. Nadat een groencertificaat voor niet-netlevering is gebruikt om het voorschot, bedoeld in artikel 72w, tweede lid, van de wet te ontvangen, boekt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet het certificaat af van de groencertificatenrekening.

Artikel 8

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt iedere maand aan de Minister van Economische Zaken mee, voor welke hoeveelheid duurzame elektriciteit overeenkomstig de artikelen 6, derde lid, en 7a, eerste lid, groencertificaten zijn geboekt en overeenkomstig artikel 6, zesde lid, zijn afgeboekt, alsmede op welke wijze de duurzame elektriciteit waarop die groencertificaten betrekking hebben, is opgewekt.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet te Arnhem.

Bijlage 2

Ligt ter inzage bij de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet te Arnhem.