40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling huisvesting v.o./b.v.e. | BWBR0006130 | ministeriele-regeling | geldend | 1993-08-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006130 | Regeling huisvesting v.o./b.v.e. |
Regeling huisvesting v.o./b.v.e.
Paragraaf 1. Begripsbepaling
Artikel 1
In deze regeling wordt onder school verstaan:
a. a. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs met uitzondering van een school voor landbouwonderwijs; b. b. een school voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; c. c. een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs met uitzondering van een landelijk orgaan werkzaam op het gebied van de landbouw, tenzij het tegendeel blijkt.
Paragraaf 2. Nadere bepaling van de voorzieningen
Artikel 2
Onder voorzieningen in de inventaris wordt verstaan de eerste aanschaf van de schoolmeubelen en de eerste aanschaf van de leer- en hulpmiddelen, opgenomen in het voor het desbetreffende jaar geldende programma van eisen voor de inventariskosten, voor zover de noodzaak van deze aanschaf voortvloeit uit de toename van het aantal leerlingen in relatie tot het door de school aangeboden en door het Rijk bekostigde onderwijs.
Artikel 3
Tot de voorzieningen in de huisvesting behoren uitsluitend de voorzieningen opgenomen in de programma's van eisen huisvestings- en inventariskosten als geldend voor het desbetreffende bekostigingsjaar, voor zover deze voorzieningen direct voortvloeien uit het door de school aangeboden en door het Rijk bekostigde onderwijs.
Artikel 4
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 en 3 zijn voorzieningen in de huisvesting en in de inventaris ten behoeve van scholen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die niet overeenkomen met het onderwijs dat vóór 31 juli 1993 werd verzorgd en de plaatsen waar dat onderwijs werd aangeboden, geen voorzieningen in de huisvesting en in de inventaris.
Paragraaf 3. Formulieren
Artikel 5
1. Het model voor aanvragen voor voorzieningen in de huisvesting wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij deze regeling.
2. De aanvraag omvat mede een opgave van de huisvestings voorzieningen waarover de school per 15 september voorafgaand aan de datum van het indienen van de aanvraag beschikt. In plaats van deze opgave kan het bevoegd gezag volstaan met een verwijzing naar de gegevens die de minister van onderwijs en wetenschappen bekend zijn geworden op basis van de meldingen, bedoeld in artikel 6.
Artikel 6
1. Het model voor de opgave van wijzigingen in het huisvestingsbestand van een school wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage II bij deze regeling.
2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan slechts betrekking hebben op een wijziging die zich ten hoogste vier weken voor inzending heeft voorgedaan.
Artikel 7
1. Het voornemen tot het geheel of gedeeltelijk onttrekken aan de bestemming van gebouwen, terreinen of roerende zaken, ten behoeve waarvan vergoeding is genoten, wordt aan de minister van onderwijs en wetenschappen medegedeeld ten minste zes maanden voorafgaand aan de voorgenomen datum van onttrekking.
2. Het model voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt ingesteld overeenkomstig bijlage III bij deze regeling.
Paragraaf 4. Toetsingskader
Artikel 8
De methodiek voor het opstellen van leerlingenprognoses wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage IV bij deze regeling.
Artikel 9
De berekeningsmethodiek voor de genormeerde ruimtebehoefte wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage V bij deze regeling.
Artikel 10
De prioriteit van de aangevraagde voorzieningen in de huisvesting en in de inventaris wordt vastgesteld met toepassing van de criteria als vastgesteld in de bijlagen VI, VII en VIII bij deze regeling.
Paragraaf 5. Tarieven ingebruikgeving en verhuur
Artikel 11
De tarieven ingebruikgeving en verhuur van terreinen en lokalen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage IX bij deze regeling.
Paragraaf 6. Overige bepalingen
Artikel 12
De bepalingen, bij of krachtens het Huisvestingsbesluit WVO/WCBO gegeven, zijn van overeenkomstige toepassing op de vormingsinstuten voor jeugdigen.
Artikel 13
De Regeling vaststelling aanvraagformulier kleine huisvestingsvoorzieningen (KHV) (Uitleg OenW-Regelingen 1993, 18c) wordt ingetrokken.
Artikel 14
Deze regeling wordt bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
Artikel 15
1. Deze regeling treedt met uitzondering van artikel 13 in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van het officiële publikatieblad van het Ministerie van onderwijs en Wetenschappen, en werkt terug tot en met 1 augustus 1993.
2. Artikel 13 treedt in werking met ingang van 1 oktober 1993.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling huisvesting v.o./b.v.e..
Bijlage I. Aanvraagformulieren volgens de
CFI 54060 Toelichting bij opname bouwtechnische staat
CFI 54086 Aanvraag eerste aanschaf inventaris
CFI 55979-1 Aanvraag kleine huisvestingsvoorzieningen
KHV CFI 55979-2 Opname bouwtechnische staat behorend bij aanvraag kleine huisvestingsvoorzieningen
CFI 55981 Verklaring (gelijktijdige inzending formulieren)
CFI 55982 Aanvraag huur (sport-)terrein en erfpacht CFI 55983 Aanvraag huur gymnastieklokalen
CFI 55984 Aanvraag huur ruimte(n)/gebouw (niet-gymnastieklokalen)
CFI 55988 Aanvraag huur ruimte(n)/gebouw (niet-gymnastieklokalen) bij h.b.o.-instelling
Nb. Voor het indienen van aanvragen in het kader van het (intentioneel) investeringsschema (I)IS v.o./b.v.e. zijn in de Regeling "model formulieren (intentioneel) investeringsschema (I)IS v.o./b.v.e." met kenmerk CFI/I/Ins-9418N van 27 september 1994, reeds eerder formulieren vastgesteld:
Alle hiergenoemde formulieren kunnen worden besteld bij: Cfi/CPF, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer met het zogenaamde "plaketiket" CFI 84888.
Bijlage I A. Niet gewijzigde aanvraagformulieren volgens de
CFI 54060 Toelichting bij opname bouwtechnische staat
CFI 54086 Aanvraag eerste aanschaf inventaris
CFI 55979-1 Aanvraag kleine huisvestingsvoorzieningen KHV
CFI 55979-2 Opname bouwtechnische staat behorend bij aanvraag kleine huisvestingsvoorzieningen
CFI 54057 Aanvraag in het kader van het Investeringsschema VO en BVE 1997-2001 en het Intentioneel Investeringsschema VO en BVE 1998-2002 (Blad 1 t/m 9)
CFI 54058 Administratieve gegevens bij opname bouwtechnishe staat blijvende voorziening
CFI 54059 Opname bouwtechnische staat
Bijlage I B. Nieuwe aanvraagformulieren volgens de
CFI 56981 Verklaring (gelijktijdige inzending formulieren)
CFI 56982 Aanvraag huur (sport-)terrein en erfpacht
CFI 56983 Aanvraag huur gymnastieklokalen
CFI 56984 Aanvraag huur ruimte(n)/gebouw (niet-gymnastieklokalen)
CFI 56988 Aanvraag huur ruimte(n)/gebouw (niet-gymnastieklokalen) bij hbo- instelling
Bijlage II. Meldingsformulieren volgens de
CFI- 53997 Blad eigenaar/gebruikers (BRHU/M01)
CFI- 53996 Blad gebouw/-delen (BRHU/M02)
CFI- 53995 Blad ruimten (BRHU/M03)
CFI- 53994 Blad terreinen (BRHU/M04)
CFI- 30063-1 BRHU/N01
CFI- 30063-2 BRHU/N02
CFI- 30063-3 BRHU/N03
Bijlage III. Overige formulieren volgens de
CFI- 53992 Melding voorgenomen buitengebruikstelling gebouw/terrein
CFI- 53993 Opgave investeringen uit ‘eigen’ middelen in buitengebruik te stellen gebouw(en)
De formulieren genoemd in bijlagen I, II en III kunnen – met uitzondering van de vier BRHU/M-formulieren die automatisch worden toegezonden – worden aangevraagd via een plaketiket (OW-091B) bij de directie Algemene Zaken van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
Bijlage IV. bij de
Blijvende voorzieningen in de huisvesting
Termijn
Prognoses voor blijvende voorzieningen worden vastgesteld over een termijn van 12 jaar te beginnen bij het eerstvolgende jaar volgend op publikatie.
A. Voortgezet volledig dagonderwijs
De ontwikkeling van het aantal leerlingen van de afgelopen jaren vormt de basis voor de berekening van de te verwachten aantallen leerlingen. De prognose is gebaseerd op een met de besturenorganisaties en de V.N.G.
afgesproken rekenformule.
Deze rekenformule gaat uit van:
- De belangstelling voor de school wordt bepaald door leerjaar 1 in procenten van de relevante basisgeneratie voor de school.
Deze relevante basisgeneratie wordt bepaald op basis van de oriëntatie van leerlingen uit de diverse woongemeenten zoals opgegeven door de school in de laatstbekende ROVO-enquête. De prognose van de belangstelling wordt bepaald door het gewogen gemiddelde
van de belangstelling in de vier laatste jaren, te rekenen vanaf de teldatum voorafgaand aan het jaar, waarin de aanvraag wordt beoordeeld. Voor scholen waar de belangstelling in die jaren een constante groei of daling vertoont, wordt voor de prognose de belangstelling in het laatste jaar aangehouden.
- De vermenigvuldigingsfactor (VMF) wordt bepaald door de verhouding tussen de gemiddelde bezetting van leerjaar 1 (over zoveel jaar als de school leerjaren heeft) en de totale schoolbevolking in het genomen jaar. Voor de prognose wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde van de drie laatste jaren.
B. Deeltijdonderwijs, dag-/avondonderwijs en vormingswerk
De ontwikkeling van het aantal leerlingen van de afgelopen jaren vormt de basis voor de berekening van de te verwachten aantallen leerlingen. De belangstelling voor een school wordt bepaald door de schoolbevolking in procenten van de voor de schoolsoort relevante basisgeneratie in het nodale gebied waar de school is gevestigd.
De prognose van de belangstelling wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de laatste drie jaren. Indien de belangstelling een constante groei of daling vertoont, is de belangstelling gelijk aan de belangstelling in het laatste jaar.
Tijdelijke voorzieningen in de huisvesting
Termijn
Prognoses voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting worden vastgesteld over een termijn van 6 jaar.
A. Voortgezet volledig dagonderwijs
De ontwikkeling van het aantal leerlingen van de afgelopen jaren vormt de basis voor de berekening van de te verwachten aantallen leerlingen. De rekenformule bevat de volgende componenten:
ad 1. De belangstelling voor de school wordt bepaald door leerjaar 1 in procenten van de relevante basisgeneratie voor de school. Deze relevante basisgeneratie wordt bepaald op basis van de oriëntatie van leerlingen uit de diverse woongemeenten zoals opgegeven door de school in de laatstbekende ROVO-enquête.
De prognose van de belangstelling wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de belangstelling in de vier laatste jaren, te rekenen vanaf de teldatum voorafgaand aan het jaar, waarin de aanvraag wordt beoordeeld. Voor scholen waar de belangstelling in die jaren een constante groei of daling vertoont, wordt voor de prognose de belangstelling in het laatste jaar aangehouden.
ad 2. De doorstroom per leerjaar door de school wordt vastgesteld op basis van de gerealiseerde bezetting per leerjaar. De prognose van de doorstroom wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de doorstroom in de vier laatste jaren, te rekenen vanaf de teldatum voorafgaand aan het jaar, waarin de aanvraag wordt beoordeeld.
B. Deeltijdonderwijs, dag-/avondonderwijs en vormingswerk
De ontwikkeling van het aantal leerlingen van de afgelopen jaren vormt de basis voor de berekening van de te verwachten aantallen leerlingen. De belangstelling voor een school wordt bepaald door de schoolbevolking in procenten van de voor de schoolsoort relevante basisgeneratie in het nodale gebied waar de school is gevestigd.
De prognose van de belangstelling wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de laatste drie jaren. Indien de belangstelling een constante groei of daling vertoont, is de belangstelling gelijk aan de belangstelling in het laatste jaar.
Basisgeneraties
De basisgeneratie voor scholen voor voortgezet onderwijs aansluitend op het basisonderwijs is het gemiddeld aantal 12/13-jarigen. De basisgeneratie voor scholen voor m.b.o. is het aantal 17 t/m 21-jarigen per woongemeente.
De basisgeneraties per woongemeente worden elk jaar gepubliceerd en zijn samengesteld door INRO-TNO in opdracht van het ministerie van VROM.
Aantal leerlingen per school
Leerlingen per teldatum. Voor gefuseerde scholen worden de leerlingenaantallen per school samengenomen om een prognose te kunnen maken.
Bijlage V. bij de
De methodiek van de ruimtenormering
In de methodiek wordt een onderscheid gemaakt in een normering voor blijvende voorzieningen en een voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting. De berekening van de huisvestingsbehoefte geschiedt door de ruimtebehoefte te vergelijken met de beschikbare huisvesting per 15 september, voorafgaand aan de datum van indienen van de aanvraag
Ruimtenormering voor blijvende voorzieningen in de huisvesting
De normatieve ruimtebehoefte van scholen en instellingen wordt vastgelegd in het ruimtenoverzicht.
Het ruimtenoverzicht
Het ruimtenoverzicht is een opgave van de ruimten en bijbehorende oppervlakten die gelden als bekostigingsgrondslag. Het overzicht is gebaseerd op het aantal leerlingen volgens de prognose of, in geval van kortlopende huren, volgens de leerlingentelling die voorafgaat aan de datum van het indienen van de aanvraag en op de geldende richtlijnen. Na advisering door de Normeringscommissie zijn berekeningsgrondslagen vastgesteld voor:
De soorten ruimten en de afmetingen
Voor elke onderwijssoort zijn genormeerde vloeroppervlakten voor alle lesruimten en nevenruimten vastgesteld. De afmetingen zijn afhankelijk van:
De voorkomende ruimten zijn:
Afmetingen
Gebruiksduren
Uitgaande van een vijfdaagse schoolweek van 7 lesuren per dag bedraagt de maximum gebruiksduur van een theorielokaal 35 lesuren van 50 minuten. Hierop wordt een reductie van 10 procent toegepast voor het opvangen van roostertechnische problemen en dergelijke. De normatieve gebruiksduur bedraagt derhalve 31.5 lestijd. Bij het theorievaklokaal, de vaklokalen en werkplaatsen is de maximum gebruiksduur 40 lesuren per week. Ook hierbij geldt (met een uitzondering voor het gymnastieklokaal) een reductie van 10 procent. Daarmee komt het normgebruik op 36 lestijden per week. Enkele theorievaklokalen worden pas toegewezen als het aantal lessen minimaal 19 bedraagt.
De dominantregel
Het totaal aantal lokalen dat wordt toegewezen mag niet groter zijn dan het aantal leraarlessen gedeeld door de gemiddelde gebruiksnorm van 30 lesuren, naar beneden afgerond. Indien het aantal lokalen dat is berekend via de eerdergenoemde gebruiksduurregels hoger uitkomt dan het aantal volgens de dominantregel dan wordt een korting toegepast op het aantal theorielokalen.
De werking van het ruimtelijke normeringssysteem
Basisinformatie
De invoer van het ruimtelijke normeringssysteem bestaat uit de schoolspecifieke gegevens over het aantal leerlingen per schoolsoort per afdeling per leerjaar.
Normatieve lessentabel
Voor elke schoolsoort is een normatieve lessentabel opgesteld. In deze tabel is het aantal leraarlessen per vak per leerjaar opgenomen. Deze tabel is afgeleid van de voor de schoolsoort geldende besluiten.
Berekenen leraarlessenmaximum
Voor de betrokken schoolsoort wordt normatief het maximum aantal aan de school te geven leraarlessen bepaald (de totale normatieve lessenproduktie). Dit gebeurt aan de hand van de voor de schoolsoort geldende besluiten. Voor het m.b.o. wordt gebruik gemaakt van de voor de betreffende schoolsoort geldende OP/L ratio. In de berekening van het leraarlessenmaximum wordt geen rekening gehouden met extra faciliteiten als toekenning van taakeenheden voor bij voorbeeld Onderwijs Eigen Taal en Cultuur (o.e.t.c.) en dergelijke. Rendementskortingen en correcties in verband met de leerlingfluktuatie worden eveneens buiten beschouwing gelaten.
Verdelen leraarlessen
over de vakken Allereerst wordt het minimum aantal klassen per leerjaar bepaald. Dit aantal klassen wordt vermenigvuldigd met de normatieve lessentabel. Deze uitkomsten worden gesommeerd. Het verschil tussen deze uitkomst en het berekende leraarlessenmaximum levert een factor op. Met behulp van deze factor wordt het aantal leraarlessen per vak verhoogd of verlaagd tot het leraarlessenmaximum is bereikt.
Berekenen aantal en soort lokalen
Het aantal leraarlessen per vak is nu bekend. Met behulp van rekenregels per vak wordt het aantal en het soort lokalen berekend. In de rekenregels is de normatieve gebruiksduur van lokalen vastgelegd. De gebruiksduur is afhankelijk van de aard en soort van het lokaal. In eerste instantie worden de vaklokalen en werkplaatsen toegewezen. Vervolgens wordt het totale aantal theorie- en theorievaklokalen bepaald. Dit gebeurt als volgt:
Bepalen directie en nevenruimten
Onderwijs ondersteunende ruimten en ruimten ten behoeve van de directie worden afhankelijk van de schoolsoort en de aard van de toe te wijzen ruimte, berekend aan de hand van het totaal aantal leraarlessen of het totaal aantal leerlingen.
Berekenen totaal bruto oppervlakte
Op het totaal netto-oppervlakte van lokalen, directievertrekken en neven ruimten wordt een toeslag gegeven voor onder meer verkeersdoeleinden (gangen trappen en dergelijke), sanitaire ruimten, wanden en dergelijke.
Voor het bepalen van de bruto oppervlakte gelden de volgende toeslag factoren:
De genormeerde ruimten
Een overzicht van de genormeerde ruimten is opgenomen in een tabel van RNS.
De genormeerde oppervlakten gelden als bekostigingsgrondslag.
Terreinnormering voor blijvende voorzieningen in de huisvesting De normatieve terreinoppervlakte wordt als volgt vastgesteld:
waarin:
Aga = bruto-vloeroppervlakte algemene sektie
Agg = bruto-vloeroppervlakte gymnastiek sektie
Agp = bruto-vloeroppervlakte werkplaatsen sektie
Ruimtenormering voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting
Voor tijdelijke voorzieningen worden de navolgende gebruiksduren gehanteerd:
Het totaal aantal lokalen dat wordt toegewezen mag niet groter zijn dan het aantal leraarlessen gedeeld door 33.
Terreinnormering voor tijdelijke lokalen
Bijlage VI. bij de Regeling huisvesting v.o./b.v.e.
Algemeen
Aanvragen voor blijvende voorzieningen in de huisvesting waarmee een bedrag is gemoeid van meer dan ƒ 500.000,- komen bij voldoende prioriteit in aanmerking voor vergoeding voorzover de beschikbare middelen dit toelaten. De prioriteit wordt uitgedrukt in een aantal punten op een schaal van 0 tot 100. Jaarlijks zal het minimum aantal punten worden vastgesteld waarbij een aanvraag voor opname in het (Intentioneel) Investeringsschema in aanmerking komt. Het minimum aantal punten wordt bepaald aan de hand van de beschikbare begrotingsbedragen in relatie met het benodigde investeringsbedrag voor het aantal aanvragen, op volgorde van prioriteit.
Prioriteitbepaling
De prioriteitbepaling kent een tweetal onderdelen:
De prioriteitberekening
In de berekening wordt het tekort dat blijkt uit de vergelijking tussen de aanwezige huisvesting en de normatief benodigde huisvesting uitgedrukt in een aantal punten. De aanwezige huisvesting wordt op een aantal kwalitatieve aspecten gewogen. Deze weging kan ertoe leiden dat van de aanwezige huisvesting maar een bepaald gedeelte in de verschillenberekening wordt meegenomen. De prioriteit stijgt naarmate de feitelijke huisvesting afwijkt van de huisvesting welke aan redelijke eisen voldoet en waarop de betreffende school recht heeft volgens de geldende normen.
De basisformule voor de berekening van de prioriteit is
De berekening wordt uitgevoerd op lokaalsoort/ruimtesoort, volgens de indeling:
Het belang van de lokaalsoorten wordt uitgedrukt via een constante weegfactor
Bij scholengemeenschappen met v.b.o. of m.b.o. worden de weegfactoren van het v.b.o./m.b.o. toegepast. Anders gezegd een school die geen vaklokalen in de huidige huisvesting tot de beschikking heeft maar wel een normatieve behoefte kent scoort 55 casu quo 45 prioriteitpunten.
De prioriteitberekening vindt in principe plaats op instellingsniveau. Uitzonderingen op deze regel betreffen nevenvestigingen en het m.b.o.
Nevenvestigingen
Voor nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak zal de prioriteit apart worden berekend. Afzonderlijke berekening vindt alleen plaats als de nevenvestiging is goedgekeurd door het ministerie danwel dat een officiële aanvraag tot goedkeuring is ingediend.
M.b.o.
De berekening van de prioriteit vindt plaats per sector. Voor goedgekeurde nevenvestigingen bij het m.b.o. geldt eveneens het bovenstaande.
Normatieve ruimtebehoefte
De normatieve ruimtebehoefte wordt op basis van de lange termijnprognose van het aantal leerlingen met behulp van de ruimtelijke normeringssystematiek (RNS) bepaald. De prognose wordt berekend volgens het daarvoor vastgestelde prognosemodel.
De aanwezige huisvesting
Voor de beoordeling van de aanwezige huisvesting in eigendom worden de gegevens uit de Basisregistratie Huisvesting Voortgezet Onderwijs (BRHU) gebruikt. Ten aanzien van huursituaties geldt dat lokalen in huurpanden met goedkeuringen voor maximaal 1 jaar voor de prioriteitberekening niet worden meegeteld in het aantal beschikbare lokalen.
Zoals eerder beschreven wordt de aanwezige huisvesting van een school gewogen en wel op de op de navolgende kwalitatieve aspecten:
Bij noodhuisvesting vindt geen afzonderlijke weging plaats voor de bouwkundige staat en de onderwijskundige gebruikswaarde. De waardering op deze aspecten is verwerkt in de weging ten aanzien van de ouderdom. Een locatie is een verzameling van schoolgebouwen op een aaneengesloten gebied niet door de openbare weg doorsneden. Binnen een gebouw kunnen meer gebouwdelen worden onderscheiden indien er gedeeltes zijn met een ander(e) bouwwijze en/of bouwjaar.
Voor de berekening worden weegfactoren toegepast. Een lokaal dat volledig voldoet aan de te stellen eisen krijgt een weegfactor van 1, met andere woorden het lokaal telt volledig mee. Bij een weegfactor van 0,5 telt het lokaal voor de helft mee. De wegingen per aspect worden vermenigvuldigd om de totale weegfactor te bepalen.
Een voorbeeld:
10 theorielokalen
weegfactoren
De totale weegfactor is 0.6 x 0.9 x 1.0 = 0.54.
Weegfactoren
De volgorde van de locaties wordt bepaald op basis van het aantal lokalen. De lokatie met het grootste aantal lokalen is de 1e locatie, enzovoort
Bouwkundige staat
Voor de beoordeling van de bouwkundige staat per gebouwdeel wordt gebruikgemaakt van een door de Rijksgebouwendienst ontwikkeld modelrapport. In dit model worden zes condities van bouwkundige staat onderscheiden. De omschrijving van de condities is afgeleid van de inspectiemethode onderhoud rijksgebouwen.
De condities zijn in zijn algemeenheid als volgt:
In de aanvraagprocedure is een nadere detaillering van de condities gegeven. Voor een aantal gebouwelementen dient de conditie te worden bepaald uitgedrukt in een percentage van het betreffende gebouwelement.
Het betreft de navolgende gebouwelementen:
Elk gebouwelement heeft een bepaalde wegingsfactor in de totaalbeoordeling. Het totaal van de wegingsfactoren komt uit op 100 punten. De wegingsfactor per gebouwelement wordt gereduceerd op basis van de vastgestelde conditie. Op deze wijze wordt de bouwkundige staat van een gebouwdeel uitgedrukt in een aantal punten van 0 tot 100. De scores uit het RGD-model worden vervolgens volgens de navolgende tabel vertaald in de weegfactor voor de prioriteitberekening.
Het in te dienen bouwkundige rapport moet voldoen aan het vastgestelde model. Indien er geen rapport is ingediend wordt ervan uitgegaan dat de bouwkundige staat goed is.
Onderwijskundige gebruikswaarde
De onderwijskundige gebruikswaarde wordt aan de hand van het bouwjaar van het gebouwdeel op de volgende wijze gewaardeerd:
Noodhuisvesting
De noodhuisvesting per gebouwdeel wordt op de navolgende wijze gewaardeerd:
Beleidsprioritering
In het kader van beleidsprioriteiten kunnen extra prioriteitpunten worden toegekend. Het maximum aantal toe te kennen extra prioriteitpunten per beleidsprioriteit bedraagt 20. Voor het IS/IIS 1994-1998 gelden de volgende beleidsprioriteiten:
In het kader van beleidsprioriteiten worden ook dit jaar opnieuw extra urgentiepunten toegekend. De beleidsprioriteit toegekend aan projectvoorstellen die zijn vermeld op het Intentioneel Investeringsschema VO/BVE 1993-1997, zullen worden gehandhaafd voorzover er geen reden is tot bijstelling. Redenen tot bijstelling kunnen bijvoorbeeld zijn dat een compensatie niet wordt gerealiseerd of een fusie niet wordt geëffectueerd. Bij nieuwe aanvragen zullen op gelijke wijze opnieuw voor onderstaande beleidsprioriteiten extra urgentiepunten worden toegekend:
Overige toetsingsfactoren
Daarnaast worden bij een aantal schoolsoorten of categorieën nog nadere overwegingen in de beschouwing betrokken:
Bijlage VII. bij de
Prioriteitsstelling kleine huisvestingsvoorzieningen voor het bekostigingsjaar 1996
Beschikbaar budget 1996
Het beschikbare budget voor de vergoeding van kleine huisvestingsvoorzieningen wordt uiterlijk 1 oktober 1995 bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Prioriteitsvolgorde 1996
Voor de prioriteitsstelling wordt gebruik gemaakt van hoofdcategorieën, waarbinnen deelcategorieën worden onderscheiden. In enkele deelcategorieën is sprake van subprioritering.
De volgorde van de hoofdcategorieën is:
Binnen de boven omschreven categorieën wordt voorrang gegeven aan aanvragen waarbij sprake is van:
Als meer redenen van toepassing zijn, stijgt de prioriteit van de aanvraag.
Bij een gelijke prioriteit geldt als volgorde:
De kosten per aanvraag voor aanpassingen dienen uit te gaan boven het drempelbedrag van fl. 25/m² b.v.o., als geregistreerd in BRHU. Bij goedkeuring wordt van de geraamde kosten de eigen bijdrage1Het bedrag van de eigen bijdrage in 1996 is fl. 25,–/m² bvo BRHU. Voor VBO-scholen of scholengemeenschappen met VBO geldt in 1996 een bedrag van fl. 15,–/m² bvo BRHU. , opgenomen in het programma van eisen huisvestingskosten, afgetrokken.
Nadere aanduiding prioriteiten
1. Bouwkundige calamiteit
Er is sprake van een bouwkundige calamiteit, indien het betreffende gebouwelement in overwegende mate in conditie 6 verkeert volgens het formulier (model beoordeling bouwkundige staat van schoolgebouwen nr CFI 54979–2), terwijl de verzekering terzake geen dekking biedt. De bouwkundige calamiteit dient te worden aangetoond door voor het betreffende onderdeel gebruik te maken van het model beoordeling bouwkundige staat van schoolgebouwen (formulier CFI 55979–2).
2. Voorschriften overheidsinstanties en aanpassing van gebouwen voor gehandicapten
De (nieuwe) eisen van overheidsinstanties dienen betrekking te hebben op noodzakelijke voorzieningen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu (arbo). Bij aanpassing van gebouwen voor gehandicapten dient er sprake te zijn van een of meer gehandicapte leerlingen of personeelsleden in het schoolgebouw, waarvoor de voorzieningen noodzakelijk zijn.
3. Voorzieningen om kwantitatieve tekorten aan lesruimten op te heffen
De kwantitatieve tekorten dienen betrekking te hebben op lesruimten, d.w.z. op vaklokalen en/of theorie-/theorievaklokalen, terwijl deze niet zijn op te heffen door huur van ruimten elders. Het kwantitatieve tekort dient, indien er gevraagd wordt om noodlokalen, in elk geval de hele periode van de korte termijnprognose te beslaan.
4. Voorzieningen om bouwtechnische tekorten op te heffen
Het bouwtechnisch tekort dient van ernstige aard te zijn, d.w.z. dat volgens het formulier 55979–2 het betreffende gebouwelement in overwegende mate de conditie 4 of 5 bezit.
5. Voorzieningen om functionele tekorten aan lesruimten op te heffen
Het tekort heeft betrekking op de ingebruik zijnde oppervlakte. De voorziening dient noodzakelijk te zijn om het voorgeschreven onderwijs te kunnen aanbieden.
Binnen hoofdcategorie 5 (voorzieningen om functionele tekorten aan lesruimten op te heffen) kunnen vanaf bekostigingsjaar 1996 ook voorzieningen worden gevraagd voor scholen voor v.o. (of in geval van fusie hun rechtsopvolgers) die voor 1996 als vernieuwingsproject zijn aangemerkt en die voor de noodzakelijke bouwkundige voorzieningen (nog) geen bekostiging hebben ontvangen.
6. Voorzieningen om kwantitatieve en/of funktionele tekorten in niet-lesruimten op te heffen.
Het tekort heeft betrekking op de ingebruikzijnde oppervlakte. De voorziening dient noodzakelijk te zijn en er dient niet anderszins in het tekort aan niet-onderwijsruimten te kunnen worden voorzien.
Bijlage VIII. bij de
Aanvragen eerste inrichting voor het bekostigingsjaar 1995 en 1996.
Beschikbaar budget 1995
Het beschikbare budget voor de vergoeding van eerste inrichting voor het bekostigingsjaar 1995 is bekendgemaakt in Uitleg Mededelingen OCenW van 5 oktober 1994, nr. 23.
Beschikbaar budget 1996
Het beschikbare budget voor de vergoeding van eerste inrichting voor het bekostigingsjaar 1996 wordt uiterlijk 1 oktober 1995 bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
De bekostigingsprocedure
Aanvragen gericht op bekostiging in 1996, worden afgehandeld voor 31 december 1995, met inachtneming van de hierna beschreven prioriteitsvolgorde. De behandeling van de aanvragen vindt plaats na 1 februari 1995.
De aanvragen worden beoordeeld op noodzaak van eerste inrichting door de berekende normatieve vervangingswaarde in het bekostigingsjaar te vergelijken met de normatieve vervangingswaarde in het referentiejaar. Vervolgens wordt op basis van de prioriteitsvolgorde en het beschikbare budget goedgekeurd dan wel afgewezen.
Prioriteitsvolgorde
Bepalen van de prioriteitsfactor(p). Deze wordt berekend aan de hand van het procentuele verschil tussen N_R en N_B:.
waarin:
NR = de berekende normatieve vervangingswaarde in het referentiejaar.
NB = de berekende normatieve vervangingswaarde in het bekostigingsjaar.
Vervolgens wordt aan scholen, te beginnen met de school met de hoogste prioriteitsfactor, en afhankelijk van het beschikbare budget, een goedkeuring op de aanvraag eerste inrichting verleend.
Bijlage IX. bij de
De tarieven voor ingebruikgeving/(mede)gebruik en verhuur zijn te onderscheiden in die voor lokalen en ruimten, voor gymnastieklokalen en voor sportterreinen. De procedures die gelden, zijn beschreven in Informatie tijdelijke voorzieningen in de huisvesting (gepubliceerd in Uitleg Mededelingen OenW Nr. 18b van 28 juli 1993).
(Mede)gebruik- en verhuurtarieven lokalen/ruimten (exclusief gymnastieklokalen)
Toelichting
I. Theorielokalen/Talenpracticumlokalen
Dit behoeft geen toelichting.
II. Theorie-vaklokalen
Lokalen speciaal ingericht voor: aardrijkskunde; natuurkunde/scheikunde/biologie; muziek; kennis der natuur; demonstratie natuurkunde/scheikunde; gezondheidszorg/kinderverzorging; naaldvakken; handwerken; instructie bouwtechniek/mechanische techniek/motorvoertuigentechniek/consumptieve techniek.
III. Vaklokalen
Lokalen speciaal ingericht voor: (les)practicum natuurkunde/-scheikunde/biologie; tekenen/reclametekenen/esthetische vorming; handvaardigheid/algemene technieken; uiterlijke verzorging; combinatielokalen; verkooppraktijk/verkoopbevordering; kantoorpraktijk (p.b.); machineschrijven; warenkennis; etaleren; bloemsierkunst; melklokaal.
IV. Overige lokalen
Bijvoorbeeld instructielokaal installatietechniek; praktijklokalen bouwtechniek/mechanische techniek/elektrotechniek/motorvoertuigentechniek/installatietechniek/grafische techniek/consumptieve techniek; huishoudkundelokaal; lokaal textiele werkvormen; leskeuken (horeca-onderwijs); praktijk serveerlokaal; computer lokaal.
In de formule voor inventaris is "x" het bedrag van de aanschafprijs (investering) van de in het lokaal aanwezige leer- en hulpmiddelen (w.o. ondermeer audiovisuele hulpmiddelen, machines, gereedschappen en computers). "Y" is het bedrag van de aanschafprijs (investering) van het in het lokaal aanwezige meubilair. Bij "x" en "y" gaat dus om het geïnvesteerd kapitaal zonder dat rekening wordt gehouden met de afschrijving. V.
Overige ruimten
(Mede)gebruik gymnastieklokalen
(Mede)gebruik- en verhuurtarieven sportterreinen
Toelichting
Het tarief in de linker kolom heeft uitsluitend betrekking op mede-gebruik (exploitatiekosten). Het tarief in de rechter kolom betreft huur en verhuur (kapitaalslasten en exploitatiekosten).
Voor omrekening naar klokuren kunnen de tarieven worden vermenigvuldigd met 6/5.