40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling in- en doorvoer vleesproducten 1985 | BWBR0003776 | ministeriele-regeling | geldend | 1985-03-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0003776 | Regeling in- en doorvoer vleesproducten 1985 |
Regeling in- en doorvoer vleesproducten 1985
Paragraaf 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. De invoer van producten en de doorvoer van producten bestemd voor een andere lidstaat
Artikel 2
1.
Deze regeling is niet van toepassing op:
a. a. vleesproducten als bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 745/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de invoer van producten van dierlijke oorsprong voor persoonlijke consumptie (PbEU L 122), voor zover door reizigers in de Europese Gemeenschap binnengebracht of aan particulieren in de Europese Gemeenschap toegezonden, en b. b. producten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van richtlijn 97/78/EG, met dien verstande dat onder commerciële monsters als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG wordt verstaan handelsmonsters als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten, en, mits met inachtneming van artikel 8 van verordening 136/2004/EG, wordt voldaan aan artikel 16, eerste lid, van richtlijn 97/78/EG.
2. Producten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen e en f, van richtlijn 97/78/EG worden aangevoerd via een inspectiepost.
3. Tenzij met de Minister anders is overeengekomen, geeft de belanghebbende bij de lading van de aanvoer als bedoeld in het tweede lid tenminste 24 uur voor de aankomst schriftelijk kennis aan de VWA, onder opgave van het vermoedelijke tijdstip van aankomst, van de hoeveelheid, van de herkomst en van de soort producten.
Artikel 3
De in- en doorvoer van producten is verboden.
Artikel 4
1.
Het in artikel 3 gestelde verbod geldt niet voor uit een lidstaat afkomstige vleesproducten:
a. a. die voldoen aan de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/99/EEG en ten bewijze daarvan vergezeld gaan van:
een begeleidend handelsdocument overeenkomstig artikel 3, onderdeel A, sub 9, onder b, punt i, van richtlijn 77/99/EEG, dan wel
indien het om producten gaat die zijn verkregen van vlees afkomstig uit een slachthuis dat is gelegen in een gebied of een zone waarvoor om veterinairrechtelijke redenen beperkingen gelden, of van vlees als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 64/433/EEG, dan wel om producten die voor een andere Lid-Staat zijn bestemd na doorvoer via een derde land in een met een loodje verzegeld vervoermiddel, een keuringscertificaat overeenkomstig bijlage D, behorend bij richtlijn
77/99/EEG, met dien verstande echter dat, in afwijking hiervan
voor zover het betreft producten als bedoeld in het tweede subonderdeel in hermetisch gesloten recipiënten die de in de hoofdstuk VIII, punt B, van bijlage B, behorend bij richtlijn
77/99/EEG, bedoelde behandeling hebben ondergaan, als bewijsstuk wordt aangewezen het in het eerste subonderdeel bedoelde handelsdocument;
-
een begeleidend handelsdocument overeenkomstig artikel 3, onderdeel A, sub 9, onder b, punt i, van richtlijn 77/99/EEG, dan wel
-
indien het om producten gaat die zijn verkregen van vlees afkomstig uit een slachthuis dat is gelegen in een gebied of een zone waarvoor om veterinairrechtelijke redenen beperkingen gelden, of van vlees als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 64/433/EEG, dan wel om producten die voor een andere Lid-Staat zijn bestemd na doorvoer via een derde land in een met een loodje verzegeld vervoermiddel, een keuringscertificaat overeenkomstig bijlage D, behorend bij richtlijn 77/99/EEG, met dien verstande echter dat, in afwijking hiervan
-
voor zover het betreft producten als bedoeld in het tweede subonderdeel in hermetisch gesloten recipiënten die de in de hoofdstuk VIII, punt B, van bijlage B, behorend bij richtlijn 77/99/EEG, bedoelde behandeling hebben ondergaan, als bewijsstuk wordt aangewezen het in het eerste subonderdeel bedoelde handelsdocument; b. b.
vervallen;
c. c. die bedoeld zijn in de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 april 1983, nr. 83/201/EEG (PbEG L 112), houdende afwijking van Richtlijn 77/99/EEG van de Raad ten aanzien van sommige producten die andere levensmiddelen bevatten en die voor een gering percentage uit vlees of vleesproducten zijn samengesteld, en die voorzien zijn van een keurmerk als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 83/201/EEG; d. d. mits voldaan is aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6b tot en met 6e.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op Noorwegen, met dien verstande dat in onderdeel d wordt gelezen: mits is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 6f tot en met 6j.
Artikel 4a
In afwijking van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, mogen vleesproducten van vrij wild, gekweekt wild, konijnen of hazen die afkomstig zijn uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije en vóór 1 mei 2004 zijn verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, tot en met 30 april 2005 voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG, mits het certificaat of document dat de vleesproducten vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’
Artikel 4b
Vervallen
Artikel 4c
Vervallen
Artikel 4d
Vervallen
Artikel 4e
Vervallen
Artikel 5
1. Het in artikel 3 gestelde verbod geldt, mits is voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f tot en met 6j, niet voor de in- en doorvoer van een partij vleesproducten vervaardigd van vers vlees, vlees van vrij of gekweekt wild, dan wel vlees van konijnen of tamme hazen, die afkomstig zijn uit een derde land of gedeelte van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, staat vermeld op de lijst, opgenomen in de bijlagen I en II bij beschikking 97/222/EG, en die voldoet aan de in voornoemde beschikking opgenomen eisen ten aanzien van het derde land respectievelijk gedeelte van het derde land van herkomst.
2. Een partij vleesproducten als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/221/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen.
3. Een partij vleesproducten als bedoeld in het eerste lid gaat bovendien, voor zover zij afkomstig zijn van vlees van vrij of gekweekt wild, dan wel vlees van konijnen of tamme hazen, vergezeld van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/41/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen.
4. Het gezondheidscertificaat, bedoeld in het tweede lid, voldoet, voor zover van toepassing, aan bijlage XI, hoofdstuk D, punt 4, van verordening 999/2001/EG.
5. Een partij vleesproducten als bedoeld in het derde lid, is afkomstig uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor de betrokken vleesproducten uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243), die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen de vleesproducten met inachtneming van die bepalingen afkomstig mogen zijn uit een inrichting die voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk 1 van bijlage II van richtlijn 92/118/EEG.
6. Onverminderd het tweede tot en met vierde lid is, zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van vleesproducten vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, de doorvoer van vleesproducten die zijn bestemd voor een lid-staat, slechts toegestaan indien is voldaan aan de voorschriften van de lid-staat van bestemming.
7. De vleesproducten zijn niet verkregen van of met vlees van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 96/22/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125), waaraan stoffen of producten zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van die richtlijn niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
Artikel 5a
1.
Een partij afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van hetgeen in de artikelen 5 en 6, dan wel in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten is bepaald ten aanzien van de voor de onderscheiden vleesproducten of andere producten van dierlijke oorsprong uit derde landen voorgeschreven gezondheidscertificaten, vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. a. de desbetreffende producten zijn ingevolge de vorenbedoelde overeenkomst als gelijkwaardig erkend; b. b. de partij producten voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.
2. Ingeval de desbetreffende producten op grond van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, slechts op het gebied van de volksgezondheid, dan wel slechts op het gebied van de diergezondheid als gelijkwaardig zijn erkend, is in afwijking van het eerste lid, aanvullend het dier- onderscheidenlijk volksgezondheidscertificaat bijgevoegd dat voor de betrokken producten is voorgeschreven in de artikelen 5 en 6, dan wel in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.
Artikel 6
1.
Het in artikel 3 gestelde verbod geldt voorts niet voor andere producten van dierlijke oorsprong die afkomstig zijn uit een lid-staat of Noorwegen en die vergezeld gaan van een handelsdocument of certificaat als bedoeld in artikel 3, onderdeel A, subonderdeel 9, onder b, van richtlijn 77/99/EEG, waaruit blijkt dat is voldaan aan die richtlijn, mits is voldaan aan:
a. a. de artikelen 6b tot en met 6e, indien de producten afkomstig zijn uit een lid-staat, dan wel b. b.
verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f tot en met 6j, indien de producten afkomstig zijn uit Noorwegen.
2.
Het in artikel 3 gestelde verbod geldt, mits is voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f tot en met 6j, voorts niet voor een partij reuzel of gesmolten vet, bestemd voor menselijke consumptie, die:
a. a. afkomstig is uit een derde land of gedeelte van een derde land, niet zijnde Noorwegen, van waaruit het brengen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap van vers vlees van de betrokken diersoort is toegestaan op grond van beschikking nr. 79/452/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 tot vaststelling van een lijst van derde landen waaruit de Lid-Staten de invoer van runderen, varkens, paardachtigen, schapen en geiten, vers vlees en vleesproducten toestaan (PbEG L 146), en b. b. zodra ter zake door de Commissie van de Europese Gemeenschappen een beschikking op grond van artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/118/EEG is genomen, vergezeld gaat van een veterinairrechtelijk certificaat, overeenkomstig een in die beschikking opgenomen model, en voldoet aan de eisen, bedoeld in dat model.
3. Het in artikel 3 gestelde verbod geldt, mits is voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f tot en met 6j, voorts niet voor gedroogde, gezouten of geblancheerde darmen, blazen of magen, afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land, niet zijnde Noorwegen, van waaruit het brengen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap is toegestaan op grond van beschikking (EG) nr. 2003/779 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 oktober 2003 (PbEU L 285) tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van darmen van dieren uit derde landen, mits de partij vergezeld gaat van het gezondheidscertificaat, bedoeld in die beschikking.
4.
Het in artikel 3 gestelde verbod geldt, mits is voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f tot en met 6j, voorts niet voor een partij uit een derde land, niet zijnde Noorwegen, afkomstige, verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor menselijke voeding, die:
a. a. vergezeld gaat van het gezondheidscertificaat, bedoeld in hoofdstuk 6, onderdeel I, subonderdeel B, onder 1, van bijlage I van richtlijn 92/118/EEG, dat de aldaar bedoelde verklaringen bevat en b. b. overigens voldoet aan hetgeen omtrent de invoer uit derde landen is bepaald in het hoofdstuk, bedoeld in onderdeel a.
Paragraaf 3. De doorvoer van producten bestemd voor een derde land
Artikel 6a
Het in artikel 3 gesteld verbod geldt voorts niet voor de doorvoer van producten bestemd voor een derde land, mits
a. a. de partij producten vergezeld gaat van een bij de partij behorend document, waaruit, indien de partij afkomstig is uit een derde land, tenminste de oorsprong van de zending kan worden afgeleid en, indien de partij via het grondgebied van een lid-staat naar Nederland is verzonden, tevens, voorzover van toepassing, wordt voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6h en 6j; b. b. voorzover de partij afkomstig is uit een derde land en rechtstreeks naar Nederland is verzonden, voorzover van toepassing, tevens is voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 6f, 6g, en 6i.
Paragraaf 4. De controle bij in- en doorvoer van producten, afkomstig uit Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen
Artikel 6b
1. De partij producten, afkomstig uit lid-staten, moet, tot en met de ontvangst door de handelaar, voldoen aan de voorwaarden, gesteld in de de artikelen 4, 4a en 6, voor zover deze betrekking hebben op de invoer van producten uit lid-staten.
2. De handelaar moet zijn ingeschreven in een register dat wordt bijgehouden door de Minister, terwijl die registratie niet is getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 6c, tweede lid.
3. Krachtens de regelgeving van de Europese Gemeenschappen zijn geen maatregelen genomen, houdende instelling van een verbod om de betreffende partij producten uit de betrokken lid-staat in te voeren of houdende de machtiging tot instelling van een verbod om de betreffende partij producten in Nederland in te voeren, noch is de lid-staat van verzending ingevolge die regelgeving gehouden de afgifte van de certificaten of vervoersdocumenten, zulks in verband met de invoer in Nederland, op te schorten.
4. Ingevolge de regelgeving van de lid-staat van verzending is er geen verbod om de betrokken partij producten op het grondgebied van die lid-staat in de handel te brengen.
5. De in de de artikelen 4, 4a en 6 bedoelde certificaten en documenten zijn, met uitzondering van de documenten, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 97/78/EG, originelen waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Zij zijn in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Gemeenschappen afgegeven en volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend in de Nederlandse, Engelse, Franse of Duitse taal.
6. Ten aanzien van de partij producten is, in voorkomend geval, voldaan aan de ingevolge artikel 9 van richtlijn 89/662/EEG vastgestelde regelgeving van de Europese Gemeenschap of van de lid-staat van verzending zelf, in geval van een uitbraak van een epidemische dierziekte in de lid-staat van verzending.
7. Indien de zending vlees in Nederland wordt gebracht via een erkende inspectiepost, worden de in de artikelen 2 en 6a, eerste lid, bedoelde certificaten of documenten, desverlangd door de handelaar overgelegd aan de ambtenaar.
8. Het zevende lid geldt niet, indien de partij rechtstreeks via een geregelde lijndienst vanuit een erkende inspectiepost wordt vervoerd naar een andere op het grondgebied van de Europese Gemeenschap gelegen plaats.
Artikel 6c
1.
De handelaar die overeenkomstig het bepaalde in artikel 6b, tweede lid, is geregistreerd, moet:
a. a. tenzij met de Minister anders is overeengekomen, van elke aanvoer van een partij producten, bedoeld in artikel 6b, eerste lid, tussen 08.00 uur en 17.00 uur en ten laatste op de dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag voorafgaande aan de dag van aankomst op de plaats waar de handelaar de partij producten ontvangt, kennisgeven of doen kennisgeven aan de VWA, onder opgave van deze plaats, het vermoedelijke tijdstip van aankomst alsmede van de hoeveelheid en de soort producten; b. b. de instructies van de ambtenaar in verband met een veterinairrechtelijke controle opvolgen en is desgevraagd verplicht de aangevoerde partij producten aan de ambtenaar ten onderzoek aan te bieden en de in de artikelen 4, 4a en 6 bedoelde, voor invoer uit lid-staten voorgeschreven, documenten te overleggen alsmede om alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken die voor deze controle noodzakelijk worden geacht; c. c. een administratie voeren waarin ten minste de leveringen van producten en de eventuele verdere bestemming van de producten zijn vermeld en waarin alle op de partijen producten betrekking hebbende bescheiden, en met name de in onderdeel b bedoelde documenten, zijn opgenomen; d. d. de vorenbedoelde administratie gedurende ten minste drie jaren bewaren; e. e. voorafgaand aan de ontvangst, onderscheidenlijk de verdere verdeling of verhandeling van elke partij producten, nagaan of aan de voorwaarden, gesteld in de artikelen 4, 4a en 6, voor zover deze betrekking hebben op de invoer van producten uit lid-staten, is voldaan; f. f. nalatigheden en onregelmatigheden met betrekking tot een levering van een partij producten onmiddellijk melden aan de VWA.
2. Indien een handelaar zijn in het eerste lid bedoelde verplichtingen niet nakomt, of in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij beslissen dat zijn in artikel 7b, tweede lid, bedoelde registratie wordt doorgehaald dan wel niet wordt erkend.
Artikel 6d
Bij het vervoer op Nederlands grondgebied in het kader van doorvoer van een uit de lid-staten afkomstige partij producten, naar een lid-staat moet de partij producten voldoen aan de op de doorvoer van producten afkomstig uit lid-staten betrekking hebbende voorwaarden, gesteld in de artikelen 4, 4a en 6.
Artikel 6e
1. Indien bij de controle, bedoeld in artikel 6c, eerste lid, onderdelen b en e, of bij de controle tijdens het vervoer van een partij producten in het kader van de invoer of de doorvoer van deze partij wordt vermoed of geconstateerd dat er verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 89/662/EEG, aanwezig zijn of de producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, kan de Minister, indien hij de aanwezigheid van verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen vermoedt, gelasten dat de zending overeenkomstig zijn aanwijzingen in tijdelijke afzondering wordt geplaatst, dan wel worden de maatregelen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, eerste alinea, van voornoemde richtlijn uitgevoerd, al naar gelang de Minister daaromtrent heeft besloten.
2. Indien bij de controle, bedoeld in artikel 6c, eerste lid, onderdelen b en e, of bij de controle tijdens het vervoer van een partij producten in het kader van de invoer of de doorvoer van deze partij wordt vermoed of geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de voorschriften van de onderhavige regeling dan wel aan de van toepassing zijnde communautaire voorschriften, kan de Minister, indien hij vermoedt dat niet wordt voldaan aan vorenbedoelde voorschriften, gelasten dat de zending overeenkomstig zijn aanwijzingen in tijdelijke afzondering wordt geplaatst, dan wel worden de maatregelen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van richtlijn 89/662.EEG uitgevoerd, al naar gelang de Minister daaromtrent overeenkomstig de keuze van de afzender of diens gemachtigde heeft besloten.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt ter kennis gebracht van de afzender of diens gemachtigde met vermelding van de redenen. Desgevraagd geschiedt die kennisgeving schriftelijk, met vermelding van datum en uur waarop het besluit is genomen.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid laat onverlet het recht van de afzender van de producten om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, vierde alinea, van richtlijn 89/662/EEG, binnen een maand na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, het advies van een veterinair deskundige in te winnen, met dien verstande evenwel, dat de Minister te allen tijde kan beslissen om de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk uit te voeren, indien zulks noodzakelijk is om redenen van gezondheidsbescherming.
5. De kosten, die uit de in het eerste of het tweede lid bedoelde maatregelen voortvloeien komen voor rekening van de afzender van de partij producten of diens gemachtigde, onderscheidenlijk van de ontvanger van de partij producten of diens gemachtigde.
Artikel 6ea
Vervallen
Paragraaf 5. De controle bij in- en doorvoer van producten afkomstig uit derde landen
Artikel 6f
1. De partij producten, afkomstig uit een derde land, die rechtstreeks uit dat derde land in Nederland wordt in- of doorgevoerd, wordt aangevoerd via een inspectiepost.
2. De melding van de aanvoer van een partij vindt plaats aan de VWA overeenkomstig artikel 2 van verordening 136/2004/EG.
3. Bij de aankomst op de inspectiepost wordt de ambtenaar door de belanghebbende bij de lading het op grond van artikel 4, eerste lid, alsmede de artikelen 5 tot en met 6a, voor de in- en doorvoer van producten afkomstig uit derde landen voorgeschreven document ter beschikking gesteld.
4. De partij producten wordt door de belanghebbende bij de lading bij aankomst op de inspectiepost ter onderzoek aangeboden aan de Minister.
5. De in het derde lid bedoeld documenten zijn originelen waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Zij zijn, voorzover van toepassing, in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Gemeenschap opgesteld en afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend.
6. Op de in het eerste lid bedoelde partij producten zijn de artikelen 2.17, zesde tot en met twaalfde lid, en 2.17a tot en met 2.23m, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten van overeenkomstige toepassing.
7. Voor de toepassing van de in het zesde lid bedoelde artikelen wordt voor ‘keuringsdierenarts’ gelezen: Minister.
8. Indien de in het eerste lid bedoelde partij bestaat uit vleesproducten vervaardigd van vlees van runderen, schapen of geiten of bestaat uit gezouten, gedroogde of verhitte darmen afkomstig van betreffende dieren, is voldaan aan bijlage XI, hoofdstuk A, punt 15, van verordening 999/2001/EG.
9. Indien de in het eerste lid bedoeld partij bestaat uit producten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 77/99/EG, vervaardigd van vlees afkomstig van runderen, schapen of geiten, is voldaan aan bijlage XI, hoofdstuk A, punt 15, van verordening 999/2001/EG.
Artikel 6g
1. Terzake van een partij producten die zich aan boord bevindt van een vliegtuig of schip dat bij vervoer tussen twee derde landen op Nederlands grondgebied landt of aanlegt, overlegt de vervoerder aan de ambtenaar desgevraagd het document, bedoeld in artikel 6a.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde partij van het ene vliegtuig of schip in het andere wordt overgeladen, stelt de vervoerder de ambtenaar hiervan in kennis en overlegt hij hem desgevraagd het document, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde partij tijdelijk wordt uitgeladen en opgeslagen op de desbetreffende luchthaven of haven, in afwachting van verzending naar een vooraf bepaald derde land, overlegt de vervoerder aan de ambtenaar, het in het eerste lid bedoelde document en biedt hij hem de partij ten onderzoek aan.
4. In de in het eerste tot en met het derde lid bedoelde gevallen gaat de desbetreffende partij bij verzending naar het derde land vergezeld van het originele document, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6h
1. De partij producten, afkomstig uit een derde land, welke via het grondgebied van een lid-staat naar Nederland is verzonden, gaat vergezeld van een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 97/78/EG en van het Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst, bedoeld in verordening 282/2004/EG.
2. Het bepaalde in de artikelen 6b, tweede, derde en vijfde lid, 6c en 6 e is in geval van een invoer als bedoeld in het eerste lid van overeenkomstige toepassing..
Artikel 6i
1.
Bij de in- of doorvoer van een partij producten die door een derde land zijn geweigerd en vanuit het grondgebied van de Europese Gemeenschap naar het betrokken derde land zijn verzonden, wordt voldaan aan:
a. a.
artikel 6f, eerste, tweede en vierde lid;
b. b. artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG.
2. Op de in het eerste lid bedoelde partij producten zijn de artikelen 2.17, achtste en twaalfde lid, 2.18a, 2.19, eerste lid, en 2.22, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Regeling keuring en handel dierlijke producten van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde partij producten naar het derde land is verzonden vanuit een lid-staat, heeft de Minister vooraf toestemming verleend voor het binnenbrengen van de producten en heeft de bevoegde autoriteit van de lid-staat die het in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 97/78/EG bedoelde certificaat heeft afgegeven met de terugname van de partij ingestemd.
Artikel 6j
1. Bij het vervoer op Nederlands grondgebied in het kader van doorvoer van een uit derde landen afkomstige partij producten, die via het grondgebied van een lid-staat naar Nederland is verzonden, naar een derde land, moet de partij producten vergezeld gaan van het document, bedoeld in artikel 6a, en van een Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als bedoeld in verordening 282/2004/EG, waarin is aangegeven langs welke grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG de partij producten de Europese Gemeenschap verlaat.
2. Het vervoer van de in het eerste lid bedoeld"bedoeld" moet zijn "bedoelde" partij producten geschiedt onder douanetoezicht tot op de plaats waar het Nederlands grondgebied wordt verlaten in verzegelde voertuigen of verzegelde containers en zonder splitsing of, tenzij de partij overeenkomstig het derde lid wordt opgeslagen, lossing van de partij.
3. Op de in het eerste lid bedoelde partij producten zijn de artikelen 2.23, 2.23a, 2.23c en 2.23e van de Regeling keuring en handel dierlijke producten van overeenkomstige toepassing, met dien verstande opslag in een van de in artikel 2.23a genoemde opslagruimten is toegestaan, mits elders geen opslag heeft plaatsgevonden.
Artikel 6k
1. Indien wordt vermoed of geconstateerd dat in de zending verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen aanwezig zijn of dat de zending afkomstig is uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, kan de Minister gelasten dat de zending overeenkomstig zijn aanwijzingen in tijdelijke afzondering wordt geplaatst, dan wel wordt de zending vernietigd of voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze zijn bestemd, al naar gelang de Minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen.
2.
Indien aan de hand van de op grond van deze regeling uitgevoerde controles wordt vastgesteld dat een voor Nederland of een lidstaat bestemd product niet voldoet aan de op grond van deze regeling voor dat product gestelde voorschriften of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de Minister in overleg met de belanghebbende bij de lading:
a. a. dat het product in ieder geval binnen 60 dagen nadat is geconstateerd dat niet aan de onderhavige regeling wordt voldaan vanuit de grensinspectiepost met hetzelfde vervoermiddel wordt teruggezonden naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten; b. b. indien terugzending als bedoeld in onderdeel a onmogelijk is of de in dat onderdeel bedoelde termijn is verstreken, dat de partij wordt vernietigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG; c. c. dat de partij voor andere doeleinden dan de menselijke consumptie wordt gebruikt.
3. Indien een partij in Nederland is gebracht zonder dat, voorzover van toepassing, die partij is onderworpen aan de in artikel 6f bedoelde controles, besluit de Minister dat de partij overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, wordt vernietigd of wordt teruggezonden naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten.
4. In afwachting van de terugzending of de vernietiging van een partij als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid wordt de partij onder toezicht van de ambtenaar in tijdelijke afzondering geplaatst en opgeslagen.
5. Alle kosten die in verband met de in dit artikel bedoelde maatregelen worden gemaakt, komen ten laste van de belanghebbende bij de lading.
Artikel 6l
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij kan ontheffing verlenen van het in artikel 3 gestelde verbod.
Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
Artikel 6m
De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 10 van verordening 136/2004/EG.
Artikel 7
De regeling van de minister van Landbouw en Visserij van 3 januari 1979, nr. J 4374 (Stcrt. 4) wordt ingetrokken.
Artikel 7a
1. Een wijziging van een of meer onderdelen van de in deze regeling genoemde richtlijnen treedt voor de toepassing van de artikelen uit deze regeling, waarin naar die onderdelen wordt verwezen, in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijnen uitvoering moet zijn gegeven.
2. De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij doet van een wijzigingsrichtlijn als bedoeld in het eerste lid mededeling in de Staatscourant.
Artikel 7b
De artiken 6a tot en met 6k berusten op de artikelen 10, 11 en 13 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en op de artikelen 2 en 4 van het Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten en de toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland gebrachte dieren en producten.
Artikel 8
1. Deze regeling wordt bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking op 15 maart 1985.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling in- en doorvoer vleesproducten 1985.