rijk/ministeriele-regeling/regeling-inburgering/BWBR0020657
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling inburgering BWBR0020657 ministeriele-regeling geldend 2021-12-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020657 Regeling inburgering

Regeling inburgering

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. besluit: het Besluit inburgering; b. b. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. c. belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964; d. d. toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; e. e. staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; f. f. inburgeringscursus: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen; g. g. cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde het staatsexamen Nederlands als tweede taal te behalen.

Artikel 1.2

Het keurmerk, bedoeld in artikel 4.1a, vierde lid, van het besluit is het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door de Stichting Blik op Werk.

Artikel 1.3

1. Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als geestelijke voorganger of godsdienstleraar.

2. Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken.

3. Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet is in ieder geval sprake in geval van werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.

4. Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, verricht.

Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht

Paragraaf 1. Tijdelijke verblijfsdoelen

Artikel 2.1

De beperkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Paragraaf 2. Vrijstellingen

Artikel 2.2

De diplomas, certificaten en andere documenten, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 2.2a

1.

Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een originele verklaring van het regionaal opleidingencentrum die is afgegeven op basis van de resultaten van een voor 1 januari 2007 afgelegde toets ter afronding van een NT2-taaltraject, indien uit de verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal, dan wel Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, zijn behaald:

  • niveau 2, respectievelijk niveau A2, voor de onderdelen Luisteren en Spreken, en niveau 2, respectievelijk niveau A2 voor de onderdelen Lezen en Schrijven.

2.

Om tot vrijstelling te kunnen leiden, dient de verklaring de volgende gegevens te bevatten:

a. a. de naam van het document; b. b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het regionaal opleidingencentrum; c. c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum; d. d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum zoals vermeld op zijn identiteitsdocument; e. e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Schrijven, Luisteren en Spreken; f. f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.

Artikel 2.2b

Vervallen

Artikel 2.2c

Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal:

a. a. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2); b. b. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2); c. c. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1); d. d. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2); e. e. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2); f. f. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1).

Artikel 2.2d

Van de verplichting om voor een of meerdere onderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 het examen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een van de volgende bewijsstukken, waaruit blijkt dat een voldoende resultaat is behaald voor het vak Nederlandse taal:

a. a. een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over het diploma van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal; b. b. een cijferlijst als bedoeld in artikel 52 van het Eindexamenbesluit VO of een certificaat als bedoeld in artikel 53 van het Eindexamenbesluit VO dan wel artikel 31 van het Staatsexamenbesluit VO; c. c. een buitenlands diploma, getuigschrift of certificaat dat is behaald bij een door de overheid van het land waar de opleiding is gevolgd erkende instelling, waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de schriftelijke en mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 beheerst.

Artikel 2.2e

Van de verplichting om het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, te behalen is vrijgesteld degene die de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, heeft afgerond.

Artikel 2.3

Als organisaties als bedoeld in artikel 2.5b van het besluit, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Paragraaf 3. Ontheffing van de inburgeringsplicht en verlenging van de inburgeringstermijn

Artikel 2.4

1. Het advies, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een oordeel met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, noodzakelijke bijzondere examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.2.

2.

De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, adviseert tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige:

a. a. niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op het inburgeringsexamen, of b. b. bijzondere examenomstandigheden nodig heeft om het inburgeringsexamen te kunnen behalen en de bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.2, hiertoe niet toereikend zijn.

3. De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, stelt het advies op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Artikel 2.4a

De minister verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 2.8a van het besluit, indien:

a. a. de inburgeringsplichtige volgens de basisregistratie personen ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven is geweest; b. b. de inburgeringsplichtige naar het oordeel van de minister aantoonbaar gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk heeft verricht in Nederland; en c. c. in een gesprek is vastgesteld dat de inburgeringsplichtige de vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 2.9, onderdelen a en b, van het besluit, beheerst op het in dat artikel bedoelde niveau.

Artikel 2.4b

De minister verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 2.8b van het besluit, in ieder geval indien de inburgeringsplichtige:

a. a. ten minste viermaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan:

      1°.
      een inburgeringscursus;
    
    
      2°.
      een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus;
    
    
      3°.
      een cursus Nederlands als tweede taal; of
    
    
      4°.
      een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal;

1°. 1°. een inburgeringscursus; 2°. 2°. een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus; 3°. 3°. een cursus Nederlands als tweede taal; of 4°. 4°. een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal; b. b. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en uit een door de minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of c. c. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen.

Artikel 2.4c

1. De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn op grond van artikel 7b, derde lid, onderdeel a, van de wet in ieder geval indien de inburgeringsplichtige ten minste 300 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus of een cursus Nederlands als tweede taal bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal.

2. De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, ook als de inburgeringsplichtige een opleiding volgt of heeft gevolgd waarvan de opleiding leidt tot uitreiking van een in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, opgesomd diploma of getuigschrift.

3. De inburgeringsplichtige verstrekt bij de aanvraag om verlenging op grond van het eerste lid een verklaring cursusdeelname en bij de aanvraag om verlenging op grond van het tweede lid een bewijs van inschrijving.

4. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor ten hoogste twee jaar verleend. De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste twee jaar worden verleend.

Artikel 2.4d

1. Voor het onderzoek ten behoeve van een advies als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225,00.

2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 2.4a is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 90,00.

3. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 2.4b, aanhef en onderdelen b en c, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 150,00.

4. Onder de inburgeringsplichtige, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel X, tweede lid, van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430), die een ontheffing aanvraagt op grond van de regels gesteld bij of krachtens artikel 6, eerste lid, van de wet, zoals dit luidde op 31 december 2012.

5. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in het advies, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, wordt geadviseerd de gevraagde ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, en tevens wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen.

Paragraaf 4. Niveau van kennis en vaardigheden

Artikel 2.5

De eindtermen van het in artikel 2.10, eerste lid, van het besluit bedoelde onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving zijn voor wat betreft het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij opgenomen in bijlage 5 en voor wat betreft de het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt opgenomen in bijlage 5A.

Hoofdstuk 3. Inburgeringsexamen

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 3.1

1.

Het examengeld, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, bedraagt:

a. a. € 50,00 voor elk van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit; b. b. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit; c. c. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel a, van het besluit; d. d. € 40,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel b, van het besluit.

2. Voor inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedraagt het examengeld voor het examenonderdeel participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van het besluit, € 150,00.

Artikel 3.2

De bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het besluit, betreffen:

a. a. examen in aangepaste locatie; b. b. verlenging examentijd; c. c. onderbroken examenafname; d. d. aangepaste inroostering; e. e. examenhulp; f. f. grootbeeld; g. g. grootschrift; h. h. loepfunctie; i. i. typen in plaats van schrijven; ii. ii. voorleesfunctie.

Artikel 3.3

1. Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling.

2. De tekst van de participatieverklaring, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, is opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.

Paragraaf 2. Inhoud van het examen

Artikel 3.4

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) maakt een voorbehoud als bedoeld in artikel 15b van de Auteurswet met betrekking tot de inhoud van het inburgeringsexamen.

Artikel 3.5

1. Het praktijkexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 3.9a, vierde lid, van het besluit, bestaat uit het ter beoordeling voorleggen van een portfolio als bedoeld in bijlage 5A en het voeren van een eindgesprek.

2. In afwijking van het eerste lid bestaat het praktijkexamen, voor degene die hierom verzoekt en daarbij aantoont ten minste 64 uur te hebben deelgenomen aan het cursusonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bij een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, uit het ter beoordeling voorleggen van een portfolio als bedoeld in bijlage 5A. Het portfolio kan in dit geval slechts digitaal worden ingediend op de wijze zoals beschreven op www.mijninburgering.nl

Artikel 3.6

Van de resultaten van het onderdeel spreekvaardigheid worden de antwoorden op meerkeuzevragen beoordeeld door het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 3.9b, tweede lid, van het besluit en de antwoorden op de open vragen door beoordelaars.

Artikel 3.7

Vervallen

Paragraaf 3. Training voor beoordelaars en examinatoren

Artikel 3.8

1. De deskundigheid van de beoordelaars, bedoeld in artikel 3.13, onderdeel c, van het besluit, blijkt uit een afgeronde door de minister vast te stellen Examentraining schrijfvaardigheid of spreekvaardigheid.

2. De Examentraining wordt gegeven door een door de Minister aan te wijzen instelling.

3. De in het tweede lid genoemde instelling reikt een certificaat uit, waaruit blijkt dat de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het aansluitende examen heeft behaald.

Artikel 3.9

1. De deskundigheid van de examinatoren, bedoeld in artikel 3.13, onderdeel c, van het besluit blijkt uit een afgeronde door de minister vast te stellen Examentraining Arbeidsmarktmodule.

2. De Examentraining wordt gegeven door een door de Minister aan te wijzen instelling.

3. De in het tweede lid genoemde instelling reikt een certificaat uit, waaruit blijkt dat de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het aansluitende examen heeft behaald.

Paragraaf 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen

Artikel 3.10

1. De minister stelt voor de examenonderdelen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet een examenreglement vast.

2. Een ieder die zich overeenkomstig de daartoe gestelde regels heeft aangemeld, het verschuldigde examengeld heeft voldaan en zich overeenkomstig artikel 3.4 van het besluit heeft geïdentificeerd, wordt toegelaten tot de tot het inburgeringsexamen behorende onderdelen.

3.

De kwaliteit van de examinering wordt gewaarborgd door:

a. a. transparantie van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de examinering; b. b. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de examen- en persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of onrechtmatige verwerking; c. c. het beschrijven van de procedure van verwerking van examenresultaten en de gegevensverstrekking ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering; d. d. de naleving van het examenreglement, bedoeld in het eerste lid; e. e. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de kwaliteit van de processen rondom de afname en de beoordeling van examens te waarborgen.

4. Om tot het inburgeringsexamen te worden toegelaten is de kandidaat verplicht in te stemmen met de in bijlage 18 opgenomen geheimhoudingsverklaring ten aanzien van de inhoud van het examen.

Paragraaf 5. Aanwijzing exameninstellingen

Artikel 3.11

Vervallen

Artikel 3.12

Vervallen

Artikel 3.13

In het examenreglement, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, wordt in ieder geval vermeld:

a. a. de procedure van aanmelding en identificatie van de inburgeringsplichtige; b. b. de wijze waarop het examengeld wordt geïnd; c. c. de wijze van bekendmaking van de uitslagen van de onderdelen van het inburgeringsexamen; d. d. de procedure en sancties bij fraude, en e. e. de procedure voor de afhandeling van klachten.

Artikel 3.14

Vervallen

Paragraaf 6. Aanwijzing instellingen internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau

Artikel 3.15

Als organisaties, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel h, van het besluit worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Artikel 3.16

Vervallen

Paragraaf 7. De uitvoering van het toezicht op exameninstellingen

Artikel 3.17

Vervallen

Artikel 3.18

Vervallen

Artikel 3.19

Vervallen

Hoofdstuk 4. Faciliteiten

Paragraaf 1. Lening

Artikel 4.1

1. Van het bedrag van de lening, bedoeld in artikel 4.1a, eerste lid, van het besluit wordt twee maal de vastgestelde draagkracht, als vastgesteld op grond van artikel 4.9, tweede tot en met vijfde lid, afgetrokken.

2. Indien het bedrag van de lening minder dan € 180,00 bedraagt, wordt dit op nul gesteld.

Artikel 4.2

1.

Ten behoeve van de betaling van de lening verstrekt de inburgeringsplichtige originele facturen aan de minister van:

a. a. de door hem gevolgde inburgeringscursus en de door hem afgelegde onderdelen van het inburgeringsexamen; b. b. de door hem gevolgde cursus die opleidt tot het staatsexamen Nederlands als tweede taal en het door hem afgelegde examen, of c. c. de door hem gevolgde alfabetiseringscursus, indien hij op grond van artikel 4.1a, derde lid, onderdeel a of b, van het besluit in aanmerking komt voor een lening ten behoeve van het volgen van een alfabetiseringscursus.

2.

De factuur vermeldt in ieder geval:

a. a. het burgerservicenummer van de kandidaat; b. b. de naam- en adresgegevens van de kandidaat; c. c. de naam- en adresgegevens van de instelling; d. d. de handtekening van de kandidaat; e. e. de datum, en f. f. de specificatie van het factuurbedrag.

3. Ten behoeve van de betaling van de lening levert de cursusinstelling de in de factuur vermelde informatie, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van onderdeel d, digitaal aan bij de minister.

4. De door de cursusinstelling aangeleverde informatie, bedoeld in het derde lid, komt overeen met de door de inburgeringsplichtige verstrekte facturen, bedoeld in het eerste lid.

5. De facturen, bedoeld in het eerste lid, en de informatie, bedoeld in het derde lid, worden binnen uiterlijk vier maanden na de dag waarop de inburgeringsplichtige aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, ingediend of aangeleverd bij de minister.

6. De facturen, bedoeld in het eerste lid, van een cursusinstelling die niet langer beschikt over een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet, en de informatie, bedoeld in het derde lid, worden binnen uiterlijk vier maanden na de dag waarop de cursusinstelling niet meer beschikt over het keurmerk, ingediend of aangeleverd bij de minister.

7. De betaling van de factuur, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen vier weken na ontvangst door de minister van die factuur, en de informatie, bedoeld in het derde lid, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid.

8. De minister betaalt per kwartaal de bedragen van de lening aan de hand van de facturen met een maximum van € 2.000,00. Indien het bedrag van de facturen, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan € 2.000,00 wordt de inburgeringsplichtige verzocht nieuwe facturen te overleggen van en de cursusinstelling informatie als bedoeld in het derde lid aan te leveren over nog verschuldigde bedragen voor gevolgde cursussen of voor examens als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Terugbetaling

Artikel 4.3

Vervallen

Artikel 4.4

1. De rente over de door de inburgeringsplichtige opgenomen lening wordt maandelijks berekend op basis van samengestelde interest.

2. Voor de berekening van de rente op de voet van het eerste lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.

Artikel 4.5

1. Gedurende de aanloopfase, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef, van de wet, en de eerste vijf jaren van de de terugbetalingsperiode, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het besluit, wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.5, eerste lid, van het besluit. Het bij aanvang van de aanloopfase geldende rentepercentage wordt gehanteerd.

2. Voor de resterende terugbetalingsperiode na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn wordt het rentepercentage opnieuw vastgesteld overeenkomstig artikel 4.5, eerste lid, van het besluit.

Artikel 4.6

1. De hoogte van de maandelijkse termijn wordt berekend op basis van het bedrag aan opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 4.4 en gedeeld door het aantal te betalen termijnen.

2. De hoogte van de maandelijkse termijn bedraagt ten minste € 15,00. Indien de draagkracht overeenkomstig artikel 4.9 is vastgesteld op minder dan € 180,00 per jaar, wordt het maandelijkse termijnbedrag op nul gesteld.

Artikel 4.7

1. In afwijking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit vervallen de rente en aflossing van de lening van een debiteur, die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Artikel 4.4 is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is. Op aanvraag van de in de eerste volzin bedoelde debiteur kan de minister besluiten dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.

2. De hoogte van de jaarlijkse dan wel de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, wordt berekend overeenkomstig artikel 4.6, tenzij de debiteur, bedoeld in het eerste lid, bij de minister een aanvraag indient tot vaststelling van zijn draagkracht voor de resterende aflosfase. In dat geval levert hij aan de minister de door de minister gevraagde gegevens.

3.

De betaling van de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, geschiedt door middel van:

a. a. een daartoe door de debiteur verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een door de debiteur aangewezen bank- of girorekening in Nederland of b. b. een door de minister aan de debiteur gezonden acceptgirokaart.

Artikel 4.7a

De inburgeringsplichtige kan in afwijking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit de lening in een keer terugbetalen. De terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 4.4.

Artikel 4.8

Vervallen

Artikel 4.9

1. De draagkracht die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 4.9 van het besluit, is ingediend.

2. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht de debiteur is het totaal van het toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.

3.

Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:

a. a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner, of b. b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie de alleenstaande ouderkorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of c. c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.

4. De draagkracht de debiteur is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.

Artikel 4.10

1.

Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 4.9 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien sprake is van terugval in inkomen:

a. a. over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of b. b. over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de minister het uiteindelijke belastbaar loon benadert.

Artikel 4.11

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een beschikking tot terugbetaling als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van het besluit heeft ontvangen, wordt:

a. a.

    artikel 4.9, tweede en vierde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen, en

b. b. bij toepassing van artikel 4.10 van het besluit de te betalen maandelijkse termijn per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk.

Artikel 4.12

De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is ontvangen.

Artikel 4.13

Vervallen

Artikel 4.14

Vervallen

Artikel 4.15

Vervallen

Artikel 4.16

Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet kunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder mits:

a. a. het achterstallige deel minimaal € 180,00 bedraagt, of b. b. het deel dat zes maanden of langer achterstallig is, minimaal € 15,00 bedraagt.

Artikel 4.16a

1. Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn, maximaal twee onderdelen van het inburgeringsexamen nog niet had behaald, en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn deze onderdelen alsnog heeft behaald, en diegene hiermee voldoet aan de inburgeringsplicht.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, die uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn of de verlengde termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege:

a. a. het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 2.4b, onderdeel a, en de verzochte ontheffing is verleend; b. b. het bereiken van de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet; of c. c. het verkrijgen van het Nederlanderschap.

3. Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn, niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 2.4b, onderdeel b en c, of tot vrijstelling als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit en de verzochte ontheffing of vrijstelling is verleend.

4.

Bij de vaststelling van de hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt gekeken naar:

a. a. de mate van verwijtbaarheid; en b. b. binnen hoeveel maanden alsnog is voldaan aan de inburgeringsplicht of een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordeed.

5. De hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt vastgesteld aan de hand van de tabel, opgenomen in bijlage 19 bij deze regeling.

6. In bijzondere omstandigheden kan ten gunste van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, worden afgeweken van de voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, of van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, of kan de terugbetalingsplicht teniet worden gedaan.

7. De minister neemt binnen twaalf weken na ontvangst een beslissing op de aanvraag tot kwijtschelding van de schuld.

Artikel 4.17

1.

De minister kan de achterstallige termijnen alsmede het resterende verschuldigde bedrag van de debiteur die direct voorafgaande aan de beëindiging van de inburgeringsplicht houder is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, op verzoek geheel kwijtschelden, indien:

a. a. uit de gegevens in de basisregistratie personen blijkt dat de debiteur geen verblijfsrecht meer heeft, en b. b. de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan bevestigen dat de debiteur niet langer inburgeringsplichtig is omdat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000, is ingetrokken aangezien de grond voor verlening daarvan is komen te vervallen.

2. Als tijdstip van indiening van het verzoek wordt aangemerkt het moment dat de minister op grond van de gegevens in de basisregistratie personen heeft geconstateerd dat er geen sprake meer is van een verblijfsrecht.

Paragraaf 3. Vergoeding

Artikel 4.18

Vervallen

Artikel 4.19

Vervallen

Artikel 4.20

Vervallen

Artikel 4.21

Vervallen

Artikel 4.22

Vervallen

Artikel 4.23

Vervallen

Artikel 4.24

Vervallen

Paragraaf 4. Gemeentelijk aanbod aan geestelijke bedienaren

Artikel 4.25

Vervallen

Hoofdstuk 5. Nadere regels invulling maatschappelijke begeleiding

Artikel 5.1

De maatschappelijke begeleiding bevat in ieder geval de volgende componenten:

a. a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen: ondersteuning en coaching van vergunninghouders bij het regelen van praktische zaken en het wegwijs maken in de gemeente; b. b. hulp bij het starten van de inburgering: informatie over het inburgeringstraject en hulp bij het vinden van een inburgeringscursus waar nodig en c. c. stimuleren van participatie en integratie: door begeleiding en coaching en kennismaking met maatschappelijke organisaties, informatie over onderwijs, vrijwillig en betaald werk.

Hoofdstuk 6. Informatiebepalingen

Artikel 6.1

De bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet zijn gegevens waaruit blijkt dat een inburgeringsplichtige:

a. a. een geestelijke bedienaar is; b. b. is ontheven van de inburgeringsplicht op grond van artikel 6, eerste of tweede lid, van de wet; c. c. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 28, 30, 31 of 33 van de wet is opgelegd; d. d. het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

Artikel 6.2

1. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 6.1, onderdeel a, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht van een geestelijke bedienaar overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel b, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig artikel 3 van de wet.

3. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel c, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met de artikelen 7, eerste lid, 29 en 32 van de wet.

4. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6.1, onderdeel d, is in ieder geval noodzakelijk om de kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

5. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem Inburgering.

Artikel 6.3

1.

Voorzover de bijzondere persoonsgegevens zijn opgeslagen in het Informatiesysteem Inburgering, wordt dit bestand beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:

a. a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben; b. b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.

2. De minister, stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in het Informatiesysteem Inburgering.

Artikel 6.4

De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de minister wordt op de volgende wijze tegengegaan:

a. a. de toegang tot de gegevens in het Informatiesysteem Inburgering is voorbehouden aan die personen, die voor het uitoefenen van hun taak, bedoeld in artikel 6.2, toegang tot de informatie moeten hebben; b. b. de minister, stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan, die toeziet op de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens; c. c. de minister, verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert deze aan de functionaris voor de gegevensbescherming.

Artikel 6.5

Vervallen

Hoofdstuk 7. Financiële Bepalingen

Artikel 7.1

Vervallen

Hoofdstuk 8. Wijziging

Artikel 8.1

Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1

Van de verplichting om mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende onderdeel, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die:

a. a. voor 1 november 2014 voor het laatst afgelegde onderdeel spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a, derde lid, onderdeel c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, ten minste 37 punten heeft behaald; b. b. na 1 november 2014 niet nogmaals het eerdergenoemde onderdeel spreekvaardigheid heeft afgelegd.

Artikel 9.2

In afwijking van artikel 5.1, wordt een in dat artikel genoemde vaststelling gedaan voor 26 februari 2007.

Artikel 9.3

Artikel 2.4d, vijfde lid, is niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, die is ingediend vóór 1 januari 2022.

Artikel 9.4

Vervallen

Artikel 9.5

Wijzigt deze regeling.

Artikel 9.6

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

2. Artikel 9.4 werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 9.7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering.

Bijlage 1. (Tijdelijke verblijfsdoelen) behorende bij

Tijdelijke verblijfsdoelen

Bijlage 2. behorende bij

Vrijstellingen diplomas voormalige Nederlandse Antillen:

Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over een diploma van een van de volgende opleidingen, mits een voldoende is behaald voor het eindexamenvak Nederlandse taal:

Bijlage 3. bij

Vervallen

Bijlage 4. behorende bij

Bijlage 5. behorende bij

Bijlage 5a. behorende bij

Bijlage 6. behorende bij

Inburgeringsdiploma

(voor- en achternaam)

geboren (geboortedatum) te (geboorteplaats, geboorteland),

heeft met goed gevolg het inburgeringsexamen afgelegd.

Het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerstee onderdeel a, van de Wet inburgering of artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering zoals die luidde op 31 december 2012, is behaald op het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen.

Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende examenonderdelen:

Participatieverklaringstraject

Elektronisch Praktijkexamen (profiel/niveau*)

Praktijkexamen (profiel/niveau*)

Toets Gesproken Nederlands

Kennis van de Nederlandse Samenleving

Leesvaardigheid

Luistervaardigheid

Schrijfvaardigheid

Spreekvaardigheid

Kennis van de Nederlandse Maatschappij

Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt

*Het behaalde profiel en niveau (A1/A2) wordt getoond

Bijlage 7. Participatieverklaring

[afbeelding]

Bijlage 8. Model portfolio Werk deel 1 algemeen, bij

Vervallen

Bijlage 9. Handleiding Assessments, bij

Vervallen

Bijlage 10. bij

Vervallen

Bijlage 11. Handleiding portfolio, bij

Vervallen

Bijlage 12. Handleiding Panelgesprek, bij

Vervallen

Bijlage 13. Handleiding portfolio bij

Vervallen

Bijlage 14. Handleiding panelgesprek bij

Vervallen

Bijlage 15. Model Portfolio Geestelijke bedienaren, bij

Vervallen

Bijlage 16. Handleiding assessments SMPD bij

Vervallen

Bijlage 17. behorende bij

Vervallen

Bijlage 18. behorende bij

Bijlage 19. Tabel als bedoeld in

^1 Dit betreft de termijn waarbinnen iemand na het verstrijken van de inburgeringstermijn of de verlengde termijn:

In het geval van toepassing van artikel 4.16a, derde lid, wordt voor het bepalen van het kwijt te schelden percentage uitsluitend gekeken naar de termijnoverschrijding.