rijk/ministeriele-regeling/regeling-innovatie-groen-onderwijs/BWBR0016853
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling innovatie groen onderwijs BWBR0016853 ministeriele-regeling geldend 2004-06-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016853 Regeling innovatie groen onderwijs

Regeling innovatie groen onderwijs

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister*: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. b.

    *instelling*:
  
    
      1.
      agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
    
    
      2.
      scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, bestaande uit een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voorbereidend onderwijs;
    
    
      3.
      scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19 van de Wet op het voortgezet onderwijs met een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving;
    
    
      4.
      Wageningen Universiteit, of
    
    
      5.
      hogescholen die onderwijs verzorgen op het gebied van landbouw en de natuurlijke omgeving;
    1. agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
      
    1. scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, bestaande uit een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voorbereidend onderwijs;
      
    1. scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19 van de Wet op het voortgezet onderwijs met een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving;
      
    1. Wageningen Universiteit, of
      
    1. hogescholen die onderwijs verzorgen op het gebied van landbouw en de natuurlijke omgeving;
      

c. c.

    onderwijsinstelling: instelling, bedoeld in onderdeel b, alsmede iedere andere aanbieder van één of meerdere opleidingen, die op basis van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek wordt bekostigd voor het verzorgen van onderwijs;

d. d.

    *openstellingsbesluit*: besluit tot openstelling van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 3, eerste lid;

e. e.

    *Dienst Regelingen*: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

f. f.

    landelijke infrastructuur: geheel van ondersteunende activiteiten gericht op ontwikkeling, beheer en exploitatie van gemeenschappelijke producten en diensten voor het groene kennissysteem;

g. g.

    ondersteuningsinstelling: organisatie, niet zijnde een onderwijsinstelling, die een bijdrage levert aan de landelijke infrastructuur.

Paragraaf 2. Openstelling

Artikel 2

De minister kan ter stimulering van innovatie in het onderwijs op het gebied van landbouw en de natuurlijke omgeving aan instellingen subsidie verstrekken ten behoeve van het organiseren en uitvoeren van projecten die:

a. a. passen binnen het beleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en b. b. passen binnen de beleidsthemas en de categorieën van projecten, genoemd in het openstellingsbesluit.

Artikel 3

1. De minister kan jaarlijks één of meerdere aanvraagperioden openstellen voor subsidieaanvragen op grond van deze regeling. Het openstellingsbesluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

2. Indien de minister een aanvraagperiode als bedoeld in het eerste lid openstelt, maakt hij in het openstellingsbesluit de themas en categorieën bekend op het gebied waarvan in die aanvraagperiode projecten kunnen worden gesubsidieerd.

Artikel 4

1. Indien de minister een aanvraagperiode als bedoeld in artikel 3, eerste lid, openstelt, wordt tevens bij het openstellingsbesluit een subsidieplafond voor de verlening van subsidies op grond van deze regeling vastgesteld.

2. De minister kan binnen het subsidieplafond een nadere verdeling maken in het beschikbare bedrag per thema, per categorie en per instellingssoort in het openstellingsbesluit.

3. De minister verdeelt het beschikbare bedrag na beoordeling van de aanvragen tot subsidieverlening.

Artikel 5

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

a. a. de loonkosten van het in te zetten personeel van onderwijsinstellingen plus een opslag van 40% voor de algemene kosten. De minister stelt in het openstellingsbesluit het maximum uurtarief vast voor het in te zetten personeel van onderwijsinstellingen; b. b. de kosten van het inhuren van ondersteuningsinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstellingen vanwege hun expertise of specifieke voorzieningen die een aantoonbare relatie hebben tot het project; c. c. de kosten van de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 16, voor zover deze niet meer bedragen dan € 2.500, en d. d. materiële kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk worden gemaakt voor de uitvoering van het project door studenten tot een maximum van 5% van de projectkosten.

Artikel 6

1. De minister bepaalt in het openstellingsbesluit de hoogte van het subsidiepercentage met betrekking tot de vergoeding van de subsidiale kosten.

2. Indien voor een project of een gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde een uit overheidsmiddelen bekostigde subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale subsidiebedrag niet meer bedraagt dan het subsidiepercentage, genoemd in het openstellingsbesluit.

Paragraaf 3. Aanvraagprocedure

Artikel 7

1. Alvorens een aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 7b kan worden ingediend, wordt een projectvoorstel voor een project als bedoeld in artikel 2 ingediend.

2. Een projectvoorstel wordt ingediend bij Dienst Regelingen, op een formulier waarvan het model daartoe door die Dienst is vastgesteld.

3. Een projectvoorstel wordt ingediend door één of meer instellingen.

4.

Een projectvoorstel omvat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van het doel van het project; b. b. een beschrijving van de beoogde resultaten van het project; c. c. een beschrijving van de aard van het project en de positionering van het project ten opzichte van andere relevante projecten; d. d. de motivatie van het project, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de problemen die het project beoogt op te lossen, de bijdrage die het project levert aan de themas als genoemd in het openstellingsbesluit en de verhouding tussen de kosten en de baten van het project; e. e. een raming van de kosten van het project; f. f. de looptijd van het project, en g. g. een beschrijving van de projectorganisatie, waarbij in ieder geval de penvoerende instelling van het project en de contactpersoon voor het project, alsmede, voor zover van toepassing, de instellingen die het projectvoorstel gezamenlijk indienen, worden vermeld.

5. Een projectvoorstel is ondertekend door het bevoegd gezag van de penvoerende instelling.

Artikel 7a

1.

De minister hanteert bij de beoordeling van de projectvoorstellen, als bedoeld in artikel 7, in ieder geval de volgende criteria:

a. a. de mate waarin het doel van het project past binnen één van de categorieën genoemd in het openstellingsbesluit; b. b. de mate waarin het project bijdraagt aan de themas genoemd in het openstellingsbesluit; c. c. de spreiding van de projecten naar instellingen, opleidingsniveau en themas; d. d. de meerwaarde van het project, gemeten naar de toegevoegde waarde van het project ten opzichte van andere relevante projecten, de mate van samenwerking met andere instellingen en de bijdrage aan ontwikkeling en gebruik van de landelijke infrastructuur, en e. e. de uitvoerbaarheid van het project.

2. De minister beslist op basis van welke projectvoorstellen een aanvraag tot subsidieverlening, als bedoeld in 7b, kan worden ingediend. Voor een positief besluit komen het eerst projectvoorstellen in aanmerking die het meest bijdragen aan het doel van de regeling.

3. De som van de gevraagde subsidie in de positief beoordeelde projectvoorstellen bedraagt maximaal 125% van het totale beschikbare subsidiebedrag, als genoemd in het openstellingsbesluit.

Artikel 7b

1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend bij Dienst Regelingen in de vorm van een projectplan voor een project als bedoeld in artikel 2,op een formulier waarvan het model daartoe door die Dienst is vastgesteld.

2. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend door één of meer instellingen.

3.

De aanvraag omvat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van het doel van het project; b. b. een beschrijving van de beoogde resultaten van het project; c. c. een beschrijving van de aard van het project en de positionering van het project ten aanzien van andere relevante projecten; d. d. een beschrijving van de motivatie voor het project, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de problemen die het project beoogt op te lossen, de bijdrage die het project levert aan de themas als genoemd in het openstellingsbesluit en de verhouding tussen de kosten en de baten van het project; e. e. een beschrijving van de begrenzing van en randvoorwaarden voor het project; f. f. een uitgewerkt activiteitenplan; g. g. de looptijd van het project, inclusief de start- en einddatum; h. h. een beschrijving van de projectorganisatie, waarbij in ieder geval de instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, de projectleider, de penvoerende instelling voor het project en de contactpersoon voor het project worden vermeld; i. i. een beschrijving van de samenwerking met de partnerinstellingen, die aantoonbaar tot uitdrukking komt in de activiteiten en financiering van het project, alsmede een door de partners getekende samenwerkingsovereenkomst, voor zover de aanvraag door meer dan één instelling wordt ingediend; j. j. een sluitende begroting van het project, gespecificeerd naar de verschillende subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5, alsmede naar de eigen kosten en de kosten van derden en een opgave van een sluitende financiering van het project, en k. k. een beschrijving van de beoogde wijze van beschikbaar stellen en verspreiden van de eindresultaten.

4. Een aanvraag tot subsidieverlening is ondertekend door het bevoegd gezag van de instelling of, voor zover de aanvraag door meer dan één instelling wordt ingediend, door het bevoegd van elk der samenwerkende instellingen.

5. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt niet in behandeling genomen, wanneer het projectvoorstel, op grond van artikel 7a, negatief is beoordeeld of het projectplan, voor wat betreft de beschrijving van het doel en de beoogde resultaten van het project, wezenlijk afwijkt van het projectvoorstel.

Artikel 8

De aanvrager draagt zorg voor de publieke beschikbaarheid en verspreiding van de resultaten van het project, waaronder in ieder geval de verspreiding van de resultaten van het project via de groene ICT-infrastructuur.

Paragraaf 4. Subsidieverlening

Artikel 9

1.

De minister hanteert bij de beoordeling van de aanvragen tot subsidieverlening, voor een project als bedoeld in artikel 2, in ieder geval de volgende criteria:

a. a. de mate waarin de doelstellingen van het project passen binnen één van de categorieën genoemd in het openstellingsbesluit; b. b. de mate waarin het project bijdraagt aan de themas genoemd in het openstellingsbesluit; c. c. de spreiding van de projecten naar instellingen, opleidingsniveau en themas; d. d. de meerwaarde van het project, gemeten naar de toegevoegde waarde van het project ten opzichte van eerdere projecten, de mate van samenwerking met andere instellingen en de bijdrage aan ontwikkeling en gebruik van de landelijke infrastructuur; e. e. de uitvoerbaarheid van het project, en f. f. de kwaliteit van het projectplan.

2. Voor zover een aanvraag tot subsidieverlening onderdelen bevat die zijn beoordeeld op grond van artikel 7a, vindt geen afwijkende beoordeling op grond van dit artikel plaats.

3. De minister kan nadere beoordelingscriteria vaststellen in het openstellingsbesluit.

Artikel 10

De minister rangschikt de aanvragen, waarbij de aanvragen hoger worden gerangschikt naarmate deze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 9.

Artikel 11

1. De minister beslist gelijktijdig op alle aanvragen tot subsidieverlening met inachtneming van de rangschikking, bedoeld in artikel 10.

2. De minister kan voor de subsidieontvanger nadere voorschriften vaststellen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

3. De minister geeft de beschikking tot subsidieverlening binnen vijf maanden na afloop van de aanvraagperiode waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 12

1. De minister kan de subsidieontvanger een voorschot verlenen.

2. De maximale hoogte van voorschotten worden in het openstellingsbesluit vastgesteld.

Paragraaf 5. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13

1. Het is behoudens goedkeuring door de minister niet toegestaan het projectplan gedurende de looptijd van de subsidieverlening te wijzigen. De minister verleent geen goedkeuring aan wijzigingen ten aanzien van de doelstelling van het projectplan.

2. De minister kan bij goedkeuring van een wijziging van het projectplan het subsidiebedrag verlagen.

Artikel 13a

De subsidieontvanger start met de uitvoering van het project binnen een jaar na de datum van dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening of in de gevallen dat in de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn is genoemd, binnen deze termijn.

Artikel 13b

De aanvrager kan na een ontvangstbevestiging van Dienst Regelingen op eigen risico beginnen met de uitvoering van het project.

Artikel 14

1.

De subsidieontvanger brengt voor het eind van de zesde maand na het begin van het project een tussenrapportage uit omtrent de voortgang van het project. Deze rapportage bevat een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht; b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen, en c. c. de stand van zaken ter zake van de financiën.

2. Een rapportage als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij Dienst Regelingen op een door Dienst Regelingen vastgesteld formulier.

3. De subsidieontvanger brengt over elke periode van negen maanden na de eerste rapportage een vernieuwde rapportage uit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15

De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 5 onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten en de kosten voor eigen arbeid een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.

Paragraaf 6. Verantwoording

Artikel 16

1. De aanvraag voor de vaststelling van de subsidie wordt binnen vier maanden na afloop van het project op een daartoe door Dienst Regelingen vastgestelde formulier ingediend bij Dienst Regelingen.

2.

De aanvraag omvat in ieder geval:

a. a. een rapport over het eindresultaat van het project; b. b. een financiële verantwoording van het project, bestaande uit een rekening alsmede een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de voor subsidieverlening gestelde voorwaarden en verplichtingen, en c. c. een beschrijving van wijze van publicatie van de eindresultaten.

3. De accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, controleert met inachtneming van het controleprotocol, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

4. De minister stelt de subsidie vast binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling innovatie groen onderwijs.

Bijlage *

Bijlage . Kaderbrief Groen Onderwijs 2004

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.