40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling integriteitsbeleid EZ | BWBR0032975 | ministeriele-regeling | geldend | 2014-04-24 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032975 | Regeling integriteitsbeleid EZ |
Regeling integriteitsbeleid EZ
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*ministerie:* het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten;
b. b.
*medewerker:* degene die werkzaam is bij het ministerie of onder gezag van de Autoriteit Consument en Markt, van de centrale commissie dierproeven of van het nationaal comité;
c. c.
*hoofd van dienst:*
1°.
secretaris-generaal,
2°.
een hoofd van dienst als bedoeld in het door de Minister van Economische Zaken vastgesteld besluit houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het ministerie,
3°.
de Autoriteit Consument en Markt;
1°. 1°. secretaris-generaal, 2°. 2°. een hoofd van dienst als bedoeld in het door de Minister van Economische Zaken vastgesteld besluit houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het ministerie, 3°. 3°. de Autoriteit Consument en Markt; d. d.
*hoofd van een organisatie-onderdeel:* een hoofd van een onderdeel van de organisatie van het Ministerie van Economische zaken zoals vastgesteld in de bijlage behorende bij het door de Minister van Economische Zaken vastgesteld besluit houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het ministerie;
e. e.
*nevenwerkzaamheden:* hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 61 en 62 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
f. f.
*geschenk:* een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in zijn hoedanigheid van ambtenaar wordt aangeboden of gedaan door een derde en die strekt tot zijn privé-voordeel;
g. g.
*standaard relatiegeschenk:* een geschenk van geringe waarde dat door een derde routinematig aan zijn relaties pleegt te worden aangeboden;
h. h.
*personeelsinformatiesysteem:* een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens over medewerkers ten behoeve van hun aanstelling, beloning en arbeidsvoorwaarden;
i. i.
*compliance officer:* een medewerker die is belast met de taken, genoemd in artikel 9, tweede lid, van deze regeling;
j. j.
*meldingsplichtige:* een medewerker die verplicht is tot het melden van zijn financiële belangen;
k. k.
*restricted list:* een lijst met één of meer benoemde financiële belangen of categorieën van financiële belangen die gelet op de functievervulling van een medewerker een risico kunnen vormen voor de integriteit van het ministerie of van een medewerker;
l. l.
*koersgevoelige informatie:* niet-openbare vertrouwelijke informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk ziet op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in effecten, en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten;
m. m.
*effect:*
1°.
effect in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, tenzij dit is uitgegeven door een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 (77/91/EEG), en tevens wordt verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte;
2°.
andere rechten, voortvloeiende uit contractsrelaties, voor zover deze rechten worden verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte;
1°. 1°. effect in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, tenzij dit is uitgegeven door een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 (77/91/EEG), en tevens wordt verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte; 2°. 2°. andere rechten, voortvloeiende uit contractsrelaties, voor zover deze rechten worden verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte; n. n.
*gelieerde derden:*
1°.
de echtgenoot of partner van de meldingsplichtige, alsmede de personen met wie de meldingsplichtige een gemeenschappelijke huishouding voert;
2°.
natuurlijke personen of rechtspersonen namens wie de meldingsplichtige financiële belangen beheert;
3°.
rechtspersonen waarin de meldingsplichtige zeggenschap ten aanzien van concrete beleggingsbeslissingen toekomt;
1°. 1°. de echtgenoot of partner van de meldingsplichtige, alsmede de personen met wie de meldingsplichtige een gemeenschappelijke huishouding voert; 2°. 2°. natuurlijke personen of rechtspersonen namens wie de meldingsplichtige financiële belangen beheert; 3°. 3°. rechtspersonen waarin de meldingsplichtige zeggenschap ten aanzien van concrete beleggingsbeslissingen toekomt; o. o.
*vrijehandbeheerovereenkomst:* een schriftelijke overeenkomst, gesloten met een derde, niet zijnde een gelieerde derde, waarin de beslissingsbevoegdheid over afzonderlijke financiële belangen is overgedragen aan die derde, die derde slechts algemene instructies over spreiding van het risico en verdeling over verschillende soorten financiële belangen zal opvolgen, en die instructies niet vaker dan eenmaal per zes maanden kunnen worden gewijzigd;
p. p.
*vertrouwenspersoon integriteit:* een medewerker die is belast met de taken, genoemd in artikel 24, eerste lid, van deze regeling;
q. q.
*vermoeden van een misstand:* een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie;
r. r.
*registratiepunt integriteit:* het registratiepunt integriteit bedoeld in artikel 27.
2.
Onder het bezitten van financiële belangen wordt mede verstaan:
a. a. het voor eigen rekening en risico doen houden van financiële belangen door een derde; b. b. het verrichten van effectentransacties.
Paragraaf 1a. Toepassingsbereik
Artikel 1a
Deze regeling is niet van toepassing op een medewerker die lid is van de Topmanagementgroep voor zover op hem andere integriteitsregels van toepassing zijn gesteld, met ingang van de dag waarop die andere integriteitsregels op hem van toepassing zijn gesteld.
Paragraaf 2. Eed en belofte
Artikel 2
1. De medewerker legt bij zijn indiensttreding bij het ministerie of zijn aanstelling in algemene rijksdienst met tewerkstelling bij het ministerie een eed of een belofte af als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
2. Hij legt de eed of belofte af ten overstaan van zijn hoofd van dienst, in aanwezigheid van een getuige.
3. Het afleggen van de eed of belofte geschiedt door voorlezing van de tekst van het formulier als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Paragraaf 3. Nevenwerkzaamheden
Artikel 3
1. De medewerker doet aan het hoofd van zijn dienst schriftelijk opgave van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in artikel 33b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en werkzaamheden ten behoeve van politieke partijen in de vrije tijd.
Artikel 4
De in artikel 3, eerste lid, bedoelde opgave bevat de volgende gegevens:
a. a. de naam van de medewerker; b. b. zijn ambtelijke functie; c. c. de aard van de nevenwerkzaamheden; d. d. het verband tussen die werkzaamheden en zijn functievervulling; e. e. de naam van de natuurlijke of rechtspersoon ten behoeve van wie de nevenwerkzaamheden worden of zullen worden verricht.
Artikel 5
Het hoofd van dienst toetst of door het verrichten van de nevenwerkzaamheden de goede vervulling van zijn functie door de medewerker of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Artikel 6
1. Indien de toetsing tot een positieve uitkomst leidt, verleent het hoofd van dienst schriftelijk toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden.
2. Indien en voor zover de toetsing tot een negatieve uitkomst leidt, onderzoekt het hoofd van dienst de mogelijkheid tot het maken van zodanige schriftelijke afspraken met de medewerker, dat de geconstateerde negatieve effecten die zijn verbonden aan het verrichten van die nevenwerkzaamheden worden teniet gedaan. Indien dergelijke afspraken niet mogelijk zijn, verleent het hoofd van dienst geen toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden. Het besluit wordt schriftelijk aan de medewerker bekendgemaakt, onder vermelding van de motivering.
3. De medewerker legt de in artikel 3, eerste lid, bedoelde opgaven en de in het tweede lid bedoelde afspraken vast in het personeelsinformatiesysteem.
Artikel 7
De medewerker, aan wie toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden is verleend, meldt elke wijziging van omstandigheden die van invloed kan zijn op de verleende toestemming, terstond aan zijn hoofd van dienst. Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
De hoofden van dienst doen jaarlijks vóór 1 februari aan het registratiepunt integriteit opgave van de in het voorgaande kalenderjaar gemelde nevenwerkzaamheden van de onder hen ressorterende medewerkers en de ter zake genomen besluiten, met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
Paragraaf 4. Financiële belangen en effectenbezit
Artikel 9
1.
De secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken wijst ten minste één compliance officer aan voor de bij de organisatie-onderdelen van het ministerie werkzame medewerkers. Voorts wijst de secretaris-generaal ten minste één compliance officer aan per organisatie voor:
a. a. de leden van de Autoriteit Consument en Markt en de onder haar gezag werkzame medewerkers, b. b. de leden van de centrale commissie dierproeven en de onder haar gezag werkzame medewerkers, c. c. de leden van het nationaal comité en de onder zijn gezag werkzame medewerkers.
2.
De compliance officers zijn ieder voor het eigen taakgebied belast met:
a. a. het ontvangen en registreren van meldingen als bedoeld in artikel 61a, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; b. b. het gevraagd en ongevraagd adviseren over en bijstand verlenen bij de uitvoering en handhaving van deze paragraaf door een hoofd van dienst; c. c. het gevraagd adviseren van medewerkers over de uitvoering van deze paragraaf.
3.
De compliance officers leggen verantwoording af aan de secretaris-generaal en brengen daartoe ten minste eenmaal per jaar aan hem een rapport uit, waaruit blijkt:
a. a. het aantal aanwijzingen van meldingsplichtigen en vaststellingen van restricted lists, b. b. het aantal ontvangen meldingen, c. c. het aantal in verband met meldingen gemaakte afspraken, d. d. welke problemen zijn gerezen bij de uitvoering van deze paragraaf.
4. De compliance officers dragen er zorg voor dat de persoonlijke levenssfeer van de meldingsplichtigen zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.
5. De compliance officers ontvangen ieder voor het eigen taakgebied een afschrift van alle beschikkingen, correspondentie en afspraken met meldingsplichtigen en eventuele onderzoeken en zij archiveren deze in het register waarin zij ook de meldingen registreren.
Artikel 10
1. Het hoofd van dienst wijst de medewerkers die binnen zijn dienstonderdeel werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie is verbonden schriftelijk aan als meldingsplichtige.
2. Het hoofd van dienst kan voor een of meer meldingsplichtigen een restricted list vaststellen.
Artikel 11
1.
Van rechtswege zijn voor de duur van hun functievervulling aangewezen als meldingsplichtige:
a. a. de secretaris-generaal, en de loco secretaris-generaal, b. b. de directeuren-generaal en de directeuren van de beleidsonderdelen bedoeld in de bijlage behorende bij het door de Minister van Economische Zaken vastgesteld besluit houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het ministerie, c. c. het hoofd van dienst en de hoofden van een organisatie-onderdeel van:
1°.
de Dienst ICT Uitvoering,
2°.
de Dienst Landelijk Gebied, en
3°.
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland,
1°. 1°. de Dienst ICT Uitvoering, 2°. 2°. de Dienst Landelijk Gebied, en 3°. 3°. de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, d. d. de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, e. e. de leden van de Autoriteit Consument en Markt en de onder haar gezag werkzame medewerkers, f. f. de directeur van het Centraal Planbureau, g. g. de directeur Bureau Bestuursraad, h. h. de directeur Communicatie, i. i. de directeur Financieel-Economische Zaken, j. j. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, k. k. de compliance officers, l. l. de leden van de centrale commissie dierproeven en de onder haar gezag werkzame medewerkers, m. m. de leden van het nationaal comité en de onder zijn gezag werkzame medewerkers.
2.
Voor degenen, bedoeld in het eerste lid, geldt een restricted list die bestaat uit:
a. a. alle effecten: voor degenen, bedoeld in de onderdelen a tot en met k; b. b. alle effecten betreffende bedrijven en instellingen die een belang hebben bij het verrichten van dierproeven: voor degenen, bedoeld in de onderdelen l en m.
Artikel 12
1. Een meldingsplichtige meldt het bezit van zijn financiële belangen, indien deze de belangen van de dienst, zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2. In voorkomende gevallen meldt een meldingsplichtige voorts namens welke gelieerde derden hij financiële belangen beheert.
Artikel 13
1. Het is de meldingsplichtige voor wie een restricted list is vastgesteld verboden de op die restricted list vermelde financiële belangen te bezitten of te verwerven.
2. De meldingsplichtige verricht geen effectentransactie indien daardoor de schijn kan worden gewekt dat hij beschikte of kon beschikken over koersgevoelige informatie.
3. De meldingsplichtige bevordert dat de met hem gelieerde derden geen financiële belangen bezitten of verwerven, die hij zelf ingevolge deze regeling niet zou mogen bezitten of verwerven.
Artikel 14
1. De meldingsplichtige verricht meldingen door deze schriftelijk te richten tot zijn hoofd van dienst en toe te zenden aan de betrokken compliance officer.
2. De meldingsplichtige maakt voor meldingen gebruik van het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen formulier.
3. In afwijking van het eerste lid zenden de compliance officers hun meldingen aan de secretaris-generaal en richten de leden van de Autoriteit Consument en Markt, de leden van de centrale commissie dierproeven en de leden van het nationaal comité hun meldingen aan de secretaris-generaal.
4. Iedere melding geschiedt onverwijld nadat het feit dat of de gebeurtenis die gemeld moet worden aan de meldingsplichtige bekend is geworden.
Artikel 15
1. Het hoofd van dienst kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 12 tot en met 14, indien de goede vervulling van de functie van de betrokken medewerker en het goed functioneren van de dienst in redelijkheid verzekerd blijft.
2. Het hoofd van dienst verleent een ontheffing van artikel 13, eerste lid, voor zover de betrokken medewerker aantoont dat de betrokken financiële belangen krachtens een schriftelijke vrijehandbeheerovereenkomst worden beheerd door een derde en hij geen functies bekleedt binnen de organisatie van die derde.
3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4.
Het hoofd van dienst kan een ontheffing intrekken of wijzigen indien:
a. a. de feiten of omstandigheden op grond waarvan de ontheffing werd verleend zijn gewijzigd; b. b. de medewerker de bij of krachtens artikel 61a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gestelde regels dan wel een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet nakomt.
Paragraaf 5. Het aannemen van geschenken
Artikel 16
1. Het is de medewerker toegestaan een standaard relatiegeschenk aan te nemen.
2.
Het is de medewerker niet toegestaan een ander geschenk aan te nemen:
a. a. met een waarde van meer dan € 50; b. b. met een waarde van € 50 of minder, tenzij het hoofd van zijn organisatie-onderdeel hem daarvoor toestemming heeft verleend.
3. Het is de medewerker in geen geval toegestaan geschenken te laten bezorgen op zijn huis- of postadres.
Artikel 17
1. Indien een medewerker een geschenk wordt aangeboden met een waarde van meer dan € 50 of een ander geschenk dan een standaard relatiegeschenk, met een lagere waarde, doet hij hiervan terstond mededeling aan het hoofd van het organisatie-onderdeel waartoe hij behoort, onder vermelding van de vorm waarin het geschenk is aangeboden, de waarde van het geschenk, voor zover mogelijk, en de naam van de betrokken derde.
2. Het hoofd van het organisatie-onderdeel registreert voor de geschenken met een waarde van meer dan € 50,- de in het eerste lid bedoelde vermelde gegevens, met gebruikmaking van het registratieformulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.
Artikel 18
1. Het hoofd van het organisatie-onderdeel beslist over het al dan niet mogen aannemen van een ander geschenk dan een standaard relatiegeschenk, met een waarde van € 50 of minder.
2. Als het hoofd van het organisatie-onderdeel niet binnen twee werkdagen na de mededeling, bedoeld in artikel 17, eerste lid, schriftelijk aan de medewerker heeft laten weten geen toestemming te verlenen tot het aannemen van het geschenk, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.
Artikel 19
Indien een geschenk niet wordt aangenomen maakt het hoofd van het organisatie-onderdeel dat bekend aan de aanbieder van het geschenk, onder verwijzing naar het integriteitsbeleid van het ministerie.
Artikel 20
Indien de medewerker het geschenk dat niet mag worden aangenomen toch heeft aangenomen, draagt het hoofd van het organisatie-onderdeel, voor zover mogelijk, zorg voor teruggave daarvan, respectievelijk, als het een dienst betreft, voor vergoeding van de kosten van die dienst. Een geschenk dat niet kan worden teruggegeven wordt door het betrokken hoofd voor algemeen gebruik beschikbaar gesteld aan de medewerkers van zijn organisatie-onderdeel.
Artikel 21
1. De hoofden van de organisatie-onderdelen verstrekken afschriften van de registratieformulieren aan hun hoofd van dienst.
2. De hoofden van dienst doen jaarlijks vóór 1 februari aan het registratiepunt integriteit opgave van de in het voorgaande kalenderjaar binnen hun dienst gemelde geschenken met een waarde van meer dan € 50,– die zijn aangeboden aan de onder hen ressorterende medewerkers, door middel van het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde afschriften.
Paragraaf 6. De vertrouwenspersoon integriteit
Artikel 22
1. Er is ten minste één vertrouwenspersoon integriteit voor het ministerie.
2. De vertrouwenspersoon integriteit ressorteert onder de secretaris-generaal.
Artikel 23
1. De secretaris-generaal wijst de vertrouwenspersonen integriteit aan op voordracht van de directeur Bedrijfsvoering voor de diensten van het kernministerie en op voordracht van de respectieve hoofden van de andere diensten voor hun dienst.
2. De aanwijzing geldt, behoudens tussentijds ontslag, voor drie jaar en kan telkens voor drie jaar worden verlengd.
Artikel 24
1. De vertrouwenspersoon integriteit heeft in aanvulling op artikel 8 van het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie tot taak een medewerker wiens integriteit in het geding is of dreigt te geraken desgevraagd te adviseren over de wijze waarop hij hiermee kan omgaan.
2. De vertrouwenspersoon integriteit stelt bij het uitoefenen van zijn taak de betrokken medewerker vooraf op de hoogte van het feit dat de vertrouwensfunctie een grens vindt in artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 25
De als vertrouwenspersoon integriteit aangewezen medewerkers overleggen onderling periodiek over de uitvoering van hun taak.
Artikel 26
De als vertrouwenspersoon integriteit aangewezen medewerkers brengen jaarlijks voor 1 maart aan de secretaris-generaal gezamenlijk een vertrouwelijk en geanonimiseerd verslag uit over het aantal malen dat zij zijn geraadpleegd en de onderwerpen waarover zij hebben geadviseerd in het voorgaande kalenderjaar, met daarbij aangegeven van welke vermoedens van een misstand zij eventueel hebben kennisgenomen.
Paragraaf 7. Het registratiepunt integriteit
Artikel 27
1. Er is een registratiepunt integriteit.
2. Het registratiepunt integriteit ressorteert onder de directeur Bedrijfsvoering.
Artikel 28
Het registratiepunt integriteit heeft tot taak:
a. a. het verwerken en bewerken van de opgaven van de hoofden van dienst van de in het voorgaande kalenderjaar gemelde nevenwerkzaamheden en aangeboden geschenken met een waarde van meer dan € 50,– van de onder hen ressorterende medewerkers; b. b. het verwerken en bewerken van de opgaven van de hoofden van dienst van de in het voorgaande kalenderjaar geconstateerde inbreuken op de integriteit door de onder hen ressorterende medewerkers en de in dat kader getroffen maatregelen; c. c. het inrichten en houden van een register van gemelde nevenwerkzaamheden.
Artikel 29
1. Het registratiepunt integriteit brengt jaarlijks voor 15 maart aan de secretaris-generaal een vertrouwelijk en geanonimiseerd verslag uit over de gemelde nevenwerkzaamheden en geschenken en inbreuken op de integriteit en de in dat kader getroffen maatregelen.
2.
In het verslag zijn per dienstonderdeel opgenomen:
a. a. het aantal gemelde nevenwerkzaamheden en meldingen van wijziging; b. b. het aantal malen dat voor nevenwerkzaamheden toestemming is verleend na het maken van nadere afspraken; c. c. het aantal gemelde geschenken met een waarde van meer dan € 50; d. d. indien meer dan 10% van de geschenken met een waarde van meer dan € 50,– is aangeboden door dezelfde derde: de naam van deze derde; e. e. het aantal malen dat inbreuk is gemaakt op de integriteit; f. f. de wijze waarop het betrokken hoofd van dienst de inbreuken heeft behandeld; g. g. conclusies en aanbevelingen.
Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 30
1. Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 21 fungeert voor de hoofden van dienst de secretaris-generaal als hoofd van dienst of als hoofd van een dienst-onderdeel en voor de secretaris-generaal de minister.
2. In afwijking van het eerste lid, fungeert voor de leden van de centrale commissie dierproeven en de leden van het nationaal comité voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 21 de secretaris-generaal als hoofd van dienst en als hoofd van een dienstonderdeel.
Artikel 31
Wijzigt deze regeling.
Artikel 32
1. De Regeling uitvoering integriteitsbeleid EZ wordt ingetrokken.
2.
De circulaires van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreffende:
a. a. geschenken, d.d. 12 oktober 1999, met kenmerk P&O 99-3600, b. b. nevenwerkzaamheden, d.d. 26 april 1999, met kenmerk P&O 99-1753, c. c. eed of belofte, d.d. 28 oktober 1998, met kenmerk TRCP&O 98-190,
worden ingetrokken.
Artikel 33
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 34
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling integriteitsbeleid EZ.