40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen | BWBR0042287 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-06-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0042287 | Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen |
Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit nr. 768/2008/EG: besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218);
- besluit 2010/713/EU: besluit nr. 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moet worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PbEU 2010, L 319);
- gedelegeerde verordening (EU) 2018/762: gedelegeerde verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010 (PbEU 2018, L 129/26);
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- *Raad voor Accreditatie:*Stichting Raad voor Accreditatie, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie;
- soort vervoer: soort vervoer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 31, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn;
- uitvoeringsverordening (EU) 402/2013: uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PbEU 2013, L 121/8);
- uitvoeringsverordening (EU) 2018/763: uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie (PbEU 2018, L 129/49);
- uitvoeringsverordening (EU) 2019/250: uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie van 12 februari 2019 inzake de modellen voor EG-verklaringen en certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en -subsystemen, het model voor de verklaring van conformiteit met een vergund voertuigtype en de EG-keuringsprocedures voor subsystemen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie (PbEU 2019, L 42/9);
- uitvoeringsverordening (EU) 2019/773: uitvoeringsverordening (EU) van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L 139), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1693 van de Commissie van 10 augustus 2023 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2023, L 222/1);
- uitvoeringsverordening (EU) 2019/777: uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 van de Commissie van 16 mei 2019 inzake de gemeenschappelijke specificaties voor het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU (PbEU 2019, L 139), zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1694 van de Commissie van 10 augustus 2023 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1299/2014, (EU) nr. 1300/2014, (EU) nr. 1301/2014, (EU) nr. 1302/2014, (EU) nr. 1304/2014 en van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 (PbEU 2023, L 222/88);
- wet: Spoorwegwet.
Hoofdstuk 2. Interoperabiliteit
Paragraaf 1. Interoperabiliteitsonderdelen
Artikel 2
1.
Een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik wordt afgegeven indien:
a. a. de interoperabiliteitsonderdelen voldoen aan de daaraan in de toepasselijke TSI gestelde eisen; en b. b. de conformiteit of geschiktheid voor gebruik blijkt uit een certificaat van een aangemelde instantie, indien een toepasselijke TSI een dergelijke toetsing voorschrijft.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik ook worden opgesteld indien:
a. a. het Europees Spoorwegbureau ten aanzien van de toepasselijke TSI een advies als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn heeft vastgesteld; b. b. het interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de eisen opgenomen in het advies, bedoeld in onderdeel a; en c. c. nog geen herziene TSI is vastgesteld.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Artikel 26a, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet zijn niet van toepassing op reserveonderdelen voor subsystemen die reeds in dienst zijn gesteld op het moment dat wijzigingen in de toepasselijke TSI’s voor die interoperabiliteitsonderdelen van kracht worden.
Paragraaf 2. Subsystemen
Artikel 5
Een conformiteitsbeoordelingsinstantie keurt een subsysteem volgens de procedure van bijlage IV van de interoperabiliteitsrichtlijn, en indien van toepassing met inachtneming van artikel 6, derde lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
Artikel 6
1.
Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 26f, eerste lid, van de wet bevat de volgende gegevens:
a. a. het subsysteem waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. de TSI’s of gedeelten daarvan ten aanzien waarvan ontheffing wordt gevraagd; c. c. de redenen voor de aanvraag van een ontheffing; en d. d. de omschrijving van het belang dat de aanvrager heeft om een TSI of een gedeelte daarvan buiten toepassing te laten.
2. De voorschriften, bedoeld in artikel 26f, eerste lid, van de wet kunnen in elk geval bestaan uit alternatieve voorschriften die worden toegepast in plaats van een TSI of een gedeelte daarvan.
Paragraaf 3. Vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen die deel uitmaken van hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 7
1.
De technische compatibiliteit, bedoeld in artikel 26h, tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt aangetoond op basis van:
a. a. het voldoen aan toepasselijke TSI’s en, voor zover van toepassing op het desbetreffende subsysteem, het voldoen aan nationale voorschriften; en b. b. overeenstemming met de RINF-toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsverordening (EU) 2019/777.
2.
De veilige integratie, bedoeld in artikel 26h, tweede lid, onderdeel c, van de wet, wordt aangetoond op basis van:
a. a. de toepasselijke TSI’s en, voor zover van toepassing op het desbetreffend subsysteem, de nationale voorschriften; en b. b. gemeenschappelijke veiligheidsmethoden als bedoeld in artikel 6 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn die op het desbetreffende subsysteem van toepassing zijn.
Artikel 8
1.
De minister hanteert bij een beoordeling als bedoeld in artikel 26i, eerste lid, van de wet, de volgende beoordelingscriteria:
a. a. de geplande werkzaamheden kunnen het algehele veiligheidsniveau van de bij de vernieuwing of verbetering betrokken subsystemen niet ongunstig beïnvloeden; b. b. op grond van de toepasselijke TSI of het nationale implementatieplan, bedoeld in artikel 18, zesde lid, onderdeel c, van de interoperabiliteitsrichtlijn, is voor de desbetreffende vernieuwing of verbetering geen nieuwe vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, van de wet vereist; en c. c. de waarden van de parameters op basis waarvan een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, van de wet is verleend, wijzigen niet door de voorgenomen vernieuwing of verbetering.
2. Indien bij de vernieuwing of verbetering van het subsysteem voor besturing en seingeving een ERTMS-baanuitrustingsproject betrokken is, werkt de minister bij een beoordeling als bedoeld in artikel 26i, eerste lid, van de wet, samen met het Europees Spoorwegbureau.
Paragraaf 4. Conformiteitsbeoordelingsinstanties
Artikel 9
1.
Om te worden aangemeld als bedoeld in artikel 26u, eerste lid, van de wet, voldoet een instantie aan de volgende eisen van de interoperabiliteitsrichtlijn:
a. a. artikel 30, tweede tot en met zevende lid; b. b. artikel 31; en c. c. artikel 32.
2. Met een accreditatiecertificaat van de Raad voor Accreditatie kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat dit certificaat deze eisen omvat.
3. Een instantie als bedoeld in het eerste lid beschikt over een accreditatiecertificaat van de Raad voor Accreditatie waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
1.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 26u, eerste lid, van de wet gaat vergezeld van:
a. a. een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodules en de producten waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn; en b. b. een accreditatiecertificaat dat is afgegeven door de Raad voor Accreditatie, waarin wordt verklaard dat de instantie voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2. De minister meldt een instantie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aan overeenkomstig artikel 37, tweede lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
Artikel 11
1.
Om te worden aangewezen als bedoeld in artikel 26v, eerste lid, van de wet voldoet een instantie aan de volgende eisen van de interoperabiliteitsrichtlijn met inachtneming van artikel 45, eerste lid, onderdeel a, van de interoperabiliteitsrichtlijn:
a. a. artikel 30, tweede tot en met zevende lid; b. b. artikel 31; en c. c. artikel 32.
2. Met een accreditatiecertificaat van de Raad voor Accreditatie kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat dit certificaat deze eisen omvat.
3. Een instantie als bedoeld in het eerste lid beschikt over een certificaat van de Raad voor Accreditatie waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.
4. Wanneer een instantie als bedoeld in het eerste lid aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de toepasselijke geharmoniseerde normen of delen ervan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.
Artikel 12
Een aanvraag als bedoeld in artikel 26v, eerste lid, van de wet gaat vergezeld van:
a. a. een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodules en de producten waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn; en b. b. een accreditatiecertificaat dat is afgegeven door de Raad voor Accreditatie, waarin wordt verklaard dat de instantie voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
Artikel 13
1. Een aangemelde instantie die taken uitbesteedt of door dochterondernemingen laat uitvoeren, voldoet aan artikel 34 van de interoperabiliteitsrichtlijn.
2. Een aangewezen instantie die taken uitbesteedt of door dochterondernemingen laat uitvoeren, voldoet aan artikel 34 van de interoperabiliteitsrichtlijn met inachtneming van artikel 45, eerste lid, onderdeel a, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
Artikel 14
1.
Een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 26y kan ten aanzien van de volgende modules conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verrichten:
a. a. de in bijlage II bij besluit nr. 768/2008/EG uiteengezette modules A1, A2, C1 of C2; en b. b. de in bijlage I bij besluit 2010/713/EU gedefinieerde modules CA1 en CA2.
2. Een geaccrediteerde interne instantie als bedoeld in artikel 26y van de wet voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
3. Op verzoek van de minister verstrekt de onderneming waar de geaccrediteerde interne instantie deel van uitmaakt, of de Raad voor Accreditatie, informatie over de accreditatie van de interne instantie.
Artikel 15
1. De conformiteitsbeoordelingen worden op evenredige wijze uitgevoerd met inachtneming van artikel 41, tweede lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
2. Een aangemelde instantie voldoet aan artikel 41, derde tot en met vijfde lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
3. De operationele verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op aangewezen instanties met dien verstande dat de verplichtingen verband houden met nationale voorschriften en niet met TSI's.
Artikel 16
1.
Aangemelde instanties brengen de minister op de hoogte van:
a. a. elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van door de desbetreffende aangemelde instantie behandelde of verleende certificaten in het kader van de interoperabiliteitsrichtlijn; b. b. alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor hun aanmelding; en c. c. alle informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen.
2. Op verzoek van de minister brengen aangemelde instanties de minister op de hoogte van de binnen de werkingssfeer van hun aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en activiteiten die door de aangemelde instantie zijn uitbesteed.
3. Aangemelde instanties verstrekken de andere uit hoofde van de interoperabiliteitsrichtlijn aangemelde instanties die vergelijkbare conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde subsystemen of interoperabiliteitsonderdelen verrichten, relevante informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten en, op verzoek, ook over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.
4. Aangemelde instanties verstrekken het Europees Spoorwegbureau keuringscertificaten betreffende de keuring van subsystemen, de conformiteit van interoperabiliteitsonderdelen of de geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen.
5. De informatieverplichtingen uit het eerste en tweede lid gelden ook voor aangewezen instanties, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op nationale voorschriften.
Paragraaf 5. Infrastructuurregister
Artikel 17
Vervallen
Hoofdstuk 3. Spoorwegveiligheid
Paragraaf 1. Veiligheidsvergunning
Artikel 18
Onverminderd bijlage II bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/762, voldoet het veiligheidsbeheersysteem van een beheerder aan de eisen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met vijfde lid, eerste en tweede alinea, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
Artikel 19
Bij een aanvraag tot verlening van een veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 16f, eerste lid, van de wet wordt een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem dan wel worden andere documenten gevoegd teneinde de overeenstemming met de eisen, bedoeld in artikel 18 aan te tonen.
Artikel 20
Een veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 16f, eerste lid, van de wet is vijf jaar geldig.
Artikel 21
De houder van een veiligheidsvergunning informeert de minister onverwijld over elke ingrijpende wijziging van:
a. a. het subsysteem infrastructuur, het subsysteem energie of het subsysteem baanuitrusting voor besturing en seingeving, bedoeld in bijlage II van de interoperabiliteitsrichtlijn; of b. b. de beginselen van de exploitatie en onderhoud van een subsysteem als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 22
De minister kan besluiten dat een wijziging van een bestaande veiligheidsvergunning is vereist, indien de informatie, bedoeld in artikel 21, daartoe aanleiding geeft.
Paragraaf 2. Spoorwegondernemingen
Artikel 23
Onverminderd bijlage I bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/762, voldoet het veiligheidsbeheersysteem van een spoorwegonderneming die over een geldig veiligheidscertificaat beschikt en met een exploitatiegebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur binnen Nederland of een gedeelte daarvan omvat, aan de eisen, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met vierde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
Artikel 24
1. Onverminderd bijlage I bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/763, vermeldt een aanvraag voor een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet de omvang van het vervoer.
2. Op een aanvraag tot uitbreiding van het exploitatiegebied van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de wet is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat alleen gegevens en bescheiden behoeven te worden verstrekt die betrekking hebben op de uitbreiding van het exploitatiegebied.
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
1.
De houder van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet meldt elke geplande nieuwe spoorwegvervoersactiviteit uiterlijk twee maanden voor aanvang daarvan, aan de minister. In deze melding worden de volgende gegevens opgenomen:
a. a. informatie over de nieuwe spoorwegvervoersactiviteit; b. b. een overzicht van personeelscategorieën voor de spoorwegvervoersactiviteit; en c. c. een overzicht van de typen spoorvoertuigen die gebruikt worden ter uitvoering van de spoorwegvervoersactiviteit. d. d. belangrijke wijzigingen van de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2. De houder van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet maakt aan de minister zo spoedig mogelijk melding van wijzigingen ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij gevolgen hebben voor het afgegeven veiligheidscertificaat of voor de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.
3.
In elk geval wordt een melding als bedoeld in het tweede lid gemaakt, indien:
a. a. het soort vervoer wijzigt; of b. b. de omvang van het vervoer ingrijpend wijzigt.
Artikel 28
De minister kan besluiten dat een wijziging van het bestaande veiligheidscertificaat is vereist, indien de informatie, bedoeld in artikel 27, tweede lid, daartoe aanleiding geeft.
Paragraaf 3. Jaarlijks verslag over spoorwegveiligheid
Artikel 29
1. De houder van een veiligheidscertificaat, met uitzondering van een beheerder als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de wet, stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de spoorwegveiligheid en zendt dat jaarlijks voor 31 mei aan de minister.
2. Een verslag als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval de in artikel 9, zesde lid, onderdelen a, b, d en e, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn bedoelde informatie.
3. Het jaarlijks verslag van de beheerder als bedoeld in artikel 16f, zesde lid van de wet bevat in elk geval de in artikel 9, zesde lid, onderdelen a, b, d en e, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn bedoelde informatie.
Paragraaf 4. Veiligheidsbeheersysteem in geval van vrijstelling
Artikel 30
1.
Met een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in de artikelen 16b, onderdeel c, van het Besluit bedrijfsvergunning veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen wordt gewaarborgd dat de spoorwegonderneming:
a. a. bij de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen daarvan geen schade berokkent en niemand onnodig hindert of in gevaar brengt en zorgt dat het spoorverkeer zo veel mogelijk zonder verstoringen kan worden afgewikkeld; b. b. rekening houdt met de specifieke vereisten wanneer de normale bedrijfsvoering raakt aan die van andere gebruikers van de spoorweg of van de beheerder; c. c. de aan de bedrijfsvoering verbonden risico's onderkent en passende maatregelen neemt om deze afdoende te beheersen en daarbij rekening houdt met de stand der techniek en de binnen de bedrijfstak aanwezige kennis en richtsnoeren voor een veilige bedrijfsvoering; d. d. procedures vaststelt en hanteert voor het nemen van corrigerende maatregelen bij afwijkingen en incidenten, alsmede voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is voor het voortdurend verbeteren van het veiligheidsniveau met het oog op zich wijzigende omstandigheden en op grond van opgedane ervaringen; e. e. ervoor zorg draagt dat werknemers met een veiligheidsfunctie met het oog op het behouden van hun geschiktheid, kennis en bekwaamheid voor de desbetreffende functie de noodzakelijke oefening hebben en de noodzakelijke nadere of aanvullende scholing, opleiding en studie volgen.
2. Een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in het eerste lid, is passend voor de aard en de omvang van de spoorwegonderneming.
3.
Een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in het eerste lid, bevat:
a. a. een beschrijving van het beleid inzake spoorwegveiligheid waarbij voortdurend wordt gestreefd naar verbetering van de spoorwegveiligheid; b. b. een registratie van ongevallen en incidenten; c. c. een inventarisatie van de veiligheidsrisico’s die kunnen bestaan binnen de normale bedrijfsvoering en bij voorzienbare afwijkingen daarvan met daarbij een risicoanalyse die in overeenstemming is met de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en de aard van de risico’s; d. d. een interne beoordeling van de werking van het veiligheidsbeheersysteem en van de non-conformiteiten, alsmede van de wijze waarop en wanneer corrigerende maatregelen bij non-conformiteiten zijn vastgesteld en geïmplementeerd; en e. e. procedures voor het samenwerken met andere partijen aan spoorveiligheid en in het geval van calamiteiten.
Artikel 31
1. Op basis van de inventarisatie, bedoeld in artikel 30, derde lid, onderdeel c, beoordeelt de spoorwegonderneming of maatregelen noodzakelijk zijn.
2. De uit het eerste lid voortvloeiende maatregelen worden door de spoorwegonderneming uitgevoerd, zo nodig in samenwerking met andere partijen.
Paragraaf 5. Beoordelingsinstanties als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 402/2013
Artikel 32
1. Een in Nederland gevestigde beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 beschikt, overeenkomstig die uitvoeringsverordening, over een accreditatiecertificaat, verleend door de Raad voor Accreditatie.
2. Erkenningen van beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013, die zijn verleend voor 16 juni 2019, blijven geldig onder de voorwaarden waaronder zij zijn verleend.
Artikel 33
De minister meldt de beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aan overeenkomstig artikel 13 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013.
Paragraaf 6. Veiligheid en risicobeheersing van, op en rond spoorwegen
Artikel 34
1. Onverminderd het bepaalde in uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 en gedelegeerde verordening (EU) 2018/762 voldoen spoorwegondernemingen en een beheerder aan de eisen, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel d, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
2. Een met onderhoud belaste entiteit en elke andere actor met een potentiële invloed op de veiligheid van, op en rond de spoorwegen, voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
3. Spoorwegondernemingen, een beheerder en elke actor, bedoeld in het tweede lid, voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
4. Bij de uitwisseling van spoorvoertuigen tussen spoorwegondernemingen voldoen alle betrokken actoren aan de eisen, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
Artikel 34a
1. Ten aanzien van een spoorvoertuig voor strikt historisch gebruik dat hoofdzakelijk wordt gebruikt op infrastructuur als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn, is aan de verplichting, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, voldaan als de met het onderhoud belaste entiteit een onderhoudssysteem heeft dat voldoet aan Bijlage III van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
2. Onze Minister past het eerste lid toe overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van spoorwegveiligheidsrichtlijn.
Hoofdstuk 4. Handhaving
Artikel 35
1. Met het toezicht op de naleving van de gedelegeerde handelingen die overeenkomstig artikel 27 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn of artikel 50 van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn vastgesteld en de uitvoeringshandelingen die overeenkomstig artikel 28, derde lid van de spoorwegveiligheidsrichtlijn of artikel 51 van de interoperabiliteitsrichtlijn zijn vastgesteld, zijn belast de bij besluit van de minister daartoe aangewezen personen.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.
3.
Het tweede lid geldt niet ten aanzien van overtreding van de volgende punten van de bijlage van Uitvoeringsverordening 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L 139I):
a. a. 4.2.1.2. en 4.2.3.4.3.; b. b. 4.2.1.5.; c. c. 4.2.2.1.; d. d. 4.2.2.2.2.; e. e. 4.2.2.7.2.; f. f. 4.2.3.6.1.; g. g. aanhangsel B, onderdeel 4.
4. De punten, genoemd in het derde lid, vormen een beboetbaar feit in de zin van artikel 77, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 5. Wijziging van andere ministeriële regelingen
Paragraaf 1. Wijziging van de
Artikel 36
Wijzigt de Regeling indienststelling spoorvoertuigen.
Paragraaf 2. Wijziging van de
Artikel 37
wijzigt de Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 38
De Regeling eisen keuringsinstanties Spoorwegwet en de Regeling aanvraag veiligheidscertificaat en eisen veiligheidsbeheersysteem hoofdspoorwegen worden ingetrokken.
Artikel 39
Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 juni 2019.
Artikel 40
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen.