rijk/ministeriele-regeling/regeling-jeugdwet/BWBR0036007
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling Jeugdwet BWBR0036007 ministeriele-regeling geldend 2026-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0036007 Regeling Jeugdwet

Regeling Jeugdwet

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *aanbieder:* jeugdhulpaanbieder, aanbieder van preventie of gecertificeerde instelling;

    *algemene risicoanalyse:* een analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens een materiële controle of een fraudeonderzoek zich zal richten;

    *Covid-19:* de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2;

    *detailcontrole:* onderzoek door het college of door een door het college aangewezen persoon naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot jeugdigen die hun woonplaats hebben in de gemeente waarvoor het desbetreffende college werkzaam is, ten behoeve van materiële controle of fraude-onderzoek;

    *formele controle:* een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of:
  
    
      1.
      het gedeclareerde bedrag:
      
        
          a.
          een prestatie betreft die is geleverd ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente van het college;
        
        
          b.
          een prestatie betreft voor een in de wet bedoelde dienst;
        
        
          c.
          een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient jegens de gemeente bevoegd is; en
        
        
          d.
          overeenkomt met daartoe door of namens het college gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten; of
        
      
    
    
      2.
      het gedeclareerde bedrag een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet betreft;
    1. het gedeclareerde bedrag:
      
      
          a.
          een prestatie betreft die is geleverd ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente van het college;
      
      
          b.
          een prestatie betreft voor een in de wet bedoelde dienst;
      
      
          c.
          een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient jegens de gemeente bevoegd is; en
      
      
          d.
          overeenkomt met daartoe door of namens het college gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten; of
      

a. a. een prestatie betreft die is geleverd ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente van het college; b. b. een prestatie betreft voor een in de wet bedoelde dienst; c. c. een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient jegens de gemeente bevoegd is; en d. d. overeenkomt met daartoe door of namens het college gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten; of 2. 2. het gedeclareerde bedrag een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet betreft;

    *fraude-onderzoek:* een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of degene die bij de gemeente een bedrag als bedoeld in artikel 6a.1 in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben;

    *gegevens over gezondheid:* gegevens over gezondheid, als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming;

    *identificerende persoonsgegevens:* naam en contactgegevens en, voor zover het een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling betreft, AGB-code van de onderneming, AGB-code van de vestiging of AGB-code van de zorgverlener;

    *iJw:* door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de Jeugdwet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties;

    *inspanningsgerichte uitvoeringsvariant:* uitvoering van jeugdhulp of werkzaamheden van een gekwalificeerde gedragswetenschapper waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder of de gekwalificeerde gedragswetenschapper over de levering van een specifiek product of dienst in een afgesproken eenheid;

    *materiële controle:* een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of de gedeclareerde prestatie is geleverd en, indien het college de materiële controle daar ook toe wenst uit te strekken, of die prestatie:
  
    
      a.
      aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking, inhoudende dat recht bestaat op preventie of jeugdhulp,
    
    
      b.
      indien het college een aanbieder heeft gemandateerd om namens hem preventie of jeugdhulp te verstrekken, binnen dat mandaat valt,
    
    
      c.
      past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts,
    
    
      d.
      aansluit op een door de gecertificeerde instelling genomen beschikking als bedoeld in artikel 3.5 van de wet, inhoudende dat jeugdhulp aangewezen is;
    
    
      e.
      aansluit op een rechterlijke uitspraak, inhoudende dat de jeugdige is aangewezen op een kinderbeschermingsmaatregel of op jeugdreclassering; of
    
    
      f.
      aansluit bij een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet;

a. a. aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking, inhoudende dat recht bestaat op preventie of jeugdhulp, b. b. indien het college een aanbieder heeft gemandateerd om namens hem preventie of jeugdhulp te verstrekken, binnen dat mandaat valt, c. c. past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts, d. d. aansluit op een door de gecertificeerde instelling genomen beschikking als bedoeld in artikel 3.5 van de wet, inhoudende dat jeugdhulp aangewezen is; e. e. aansluit op een rechterlijke uitspraak, inhoudende dat de jeugdige is aangewezen op een kinderbeschermingsmaatregel of op jeugdreclassering; of f. f. aansluit bij een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet;

    *Ministers:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie;

    *outputgerichte uitvoeringsvariant:* uitvoering van jeugdhulp of werkzaamheden van een gekwalificeerde gedragswetenschapper waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder of de gekwalificeerde gedragswetenschapper over het te behalen resultaat;

    *pleegkind:* jeugdige die door de pleegouder wordt opgevoed en verzorgd als behorend tot het gezin van de pleegouder en voor wie een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de wet is afgesloten;

    *specifieke risicoanalyse:* een analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens en op welke aanbieders of categorieën van aanbieders van jeugdhulp of preventie of op welke gecertificeerde instellingen de detailcontrole zich zal richten;

    *wet:*
    Jeugdwet.

Paragraaf 1a. Betaal-, onderzoeks- en informatieplicht gemeente

Artikel 1a.1

De redelijke termijn, bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van de wet, is in ieder geval verstreken wanneer het college binnen twee weken na ontvangst van een informatieverzoek van een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling over welk college financieel verantwoordelijk is voor de aan een jeugdige te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering niet de gevraagde informatie heeft verstrekt.

Paragraaf 2. Gekwalificeerde gedragswetenschapper

Artikel 2

Als categorieën van gekwalificeerde gedragswetenschappers worden aangewezen:

beroepsbeoefenaren die zijn ingeschreven in het register Kinder- en Jeugdpsychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen; beroepsbeoefenaren die als postmaster-orthopedagoog SKJ of als postmaster-psycholoog SKJ zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet; beroepsbeoefenaren die als gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut of orthopedagoog-generalist zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; beroepsbeoefenaren die als psychiater zijn ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Paragraaf 2a. Jeugdhulpverantwoordelijke

Artikel 2a.1

Als categorie van deskundigen als bedoeld in de begripsomschrijving van jeugdhulpverantwoordelijke in artikel 1.1 van de wet worden aangewezen:

a. a. beroepsbeoefenaren die zijn ingeschreven in het register Kinder- en Jeugdpsychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen; b. b. geregistreerde jeugdprofessionals die in het bezit zijn van een diploma op ten minste HBO-niveau; c. c. geregistreerde professionals die in het bezit zijn van een diploma op ten minste HBO-niveau.

Paragraaf 3. Cliëntervaringsonderzoek

Artikel 3

1.

Een onderzoek dat wordt ingesteld op grond van artikel 2.10 van de wet juncto artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaat mede uit een ervaringsonderzoek onder ten minste een representatief te achten aantal personen:

a. a. voor wie op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de wet de inzet van een voorziening is overwogen; b. b. die gebruik maken van een individuele voorziening; c. c. die gebruik maken van overige voorzieningen; d. d. ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel is uitgevoerd; e. e. ten aanzien van wie jeugdreclassering is uitgevoerd.

2.

Voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst die ten minste ingaat op hoe personen als bedoeld in het eerste lid:

a. a. de toegankelijkheid van voorzieningen ervaren; b. b. de kwaliteit van de jeugdhulp en van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering ervaren; c. c. de jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vinden bijdragen aan het gezond en veilig opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid, de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie.

Paragraaf 4. Melding en verantwoording

Artikel 4.0

1. De melding, bedoeld in artikel 4.0.1 van de wet, geschiedt door het volledig invullen van het daartoe via de website www.toetredingzorgaanbieders.nl beschikbaar gestelde formulier.

2. De jeugdhulpaanbieder doet de melding niet eerder dan drie maanden voor de aanvang van de jeugdhulp.

Artikel 4.1

1. Artikel 4.3.1, eerste lid, van de wet alsmede de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4 van deze regeling zijn niet van toepassing op jeugdhulpaanbieders als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 2°, van de wet.

2.

In afwijking van de artikelen 4.2 tot en met 4.4 is op de jaarverslaggeving van een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 1°, van de Jeugdwet of gecertificeerde instelling, die tevens een zorgaanbieder is waarop artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg van toepassing is, het bepaalde in de Regeling openbare jaarverantwoording WMG van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. a. vorenbedoelde jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling die een winst- en verliesrekening opstelt als bedoeld in Bijlage 1, Model F, of een staat van baten en lasten als bedoeld in Bijlage 2, Model B, D of F, of Bijlage 3, Model B, van die regeling, in de resultatenrekening afzonderlijk de opbrengsten op grond van de Jeugdwet vermeldt; b. b. voor de toepassing van artikel 15 van de Regeling openbare jaarverantwoording WMG in geval van een jeugdhulpaanbieder onder het aandeel zorg van de netto-omzet wordt verstaan: het aandeel zorg en jeugdhulp van de netto-omzet.

3.

In afwijking van de artikelen 4.2 tot en met 4.4 is op de jaarverslaglegging van een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 1°, van de Jeugdwet, die niet tevens een zorgaanbieder is waarop artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg van toepassing is, het bepaalde in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs van overeenkomstige toepassing, indien:

a. a. de jeugdhulpaanbieder tevens een bekostigde onderwijsinstelling is; en b. b. de netto-omzet van de jeugdhulpaanbieder gedurende twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien gedurende twee opeenvolgende balansdata, voor een groter aandeel bestaat uit onderwijs dan uit jeugdhulp.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op het eerste en tweede boekjaar voor een jeugdhulpaanbieder waarvan op de balansdatum van het eerste boekjaar een groter aandeel van de netto-omzet bestaat uit onderwijs dan uit jeugdhulp.

Artikel 4.2

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op waarin de eigen financiële gegevens zijn opgenomen en waaraan de gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zijn bijgevoegd.

2. Op de jaarverslaggeving van de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling is Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12 voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.

3.

In afwijking van of in aanvulling op Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek:

a. a. wordt de jaarverslaggeving ingericht overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 655; b. b. wordt de jaarverslaggeving opgesteld en gepubliceerd in de Nederlandse taal en in de in Nederland wettige valuta; c. c. is het verslagjaar altijd gelijk aan een kalenderjaar; d. d. is de jeugdhulpaanbieder die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen, genoemd in artikel 395a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet gehouden een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over te leggen; e. e. kan de gecertificeerde instelling die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen, genoemd in artikel 395a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; f. f. kan een jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen genoemd in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een beoordelingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; g. g. wordt de informatie, bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.7 en 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens, opgenomen in de jaarrekening, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen model.

4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt over het verslagjaar 2018 de jaarverslaggeving ingericht overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 640, of met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 655.

Artikel 4.3

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de jaarverslaggeving en een jaardocument op dat ten minste een verantwoordingsdocument, het verslag, bedoeld in artikel 4.3.1 van de wet en andere informatie die wordt verstrekt op grond van het model, bedoeld in het derde lid, bevat.

2. De jaarverslaggeving en het jaardocument worden jaarlijks uiterlijk vijf maanden na het verstrijken van het jaar waarop zij betrekking hebben ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt. In afwijking van de vorige zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 uiterlijk vóór 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021 ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt.

3. De jaarverslaggeving en het jaardocument worden opgesteld met gebruikmaking van het model dat is te verkrijgen via de website www.jaarverantwoordingzorg.nl.

4. De Ministers stellen jaarlijks uiterlijk voor 1 oktober na overleg met betrokken partijen het model voor het volgende verslagjaar vast en kunnen dit model tussentijds herzien.

Artikel 4.4

1.

Het bestuur van een jeugdhulpaanbieder levert de Jaarverantwoording Jeugd vóór 1 juni van het jaar volgend op het verslagjaar, met gebruikmaking van het elektronisch platform DigiMV, aan bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg. De Jaarverantwoording Jeugd bestaat uit:

a. a. de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 4.3; b. b. het jaardocument, bedoeld in artikel 4.3;

2. De ministers kunnen het bestuur van een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling in geval van overmacht uitstel van indiening verlenen op een gemotiveerd verzoek dat vóór 1 april van het jaar, volgend op het verslagjaar, in elektronische vorm via het e-mailadres meldpunt@igj.nl moet zijn ingediend. Een uitstel dat naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in de vorige zin is verleend, geldt tevens voor de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid.

3. In afwijking van het eerste lid wordt de Jaarverantwoording Jeugd over de verslagjaren 2019 of 2020 aangeleverd vóór 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021, en hoeven over dat verslagjaar de gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens, niet te worden aangeleverd met gebruikmaking van het elektronisch platform DigiMV. In afwijking van het tweede lid kan een verzoek om uitstel van indiening van de Jaarverantwoording Jeugd over de verslagjaren 2019 of 2020 worden ingediend vóór 15 juli 2020, respectievelijk 15 juli 2021.

Paragraaf 4b. Bestuursstructuur

Artikel 4.5

Een jeugdhulpaanbieder die moet voldoen aan artikel 4.4.1, eerste lid, van de wet en een gecertificeerde instelling legt op de volgende wijze vast hoe hij voldoet aan het bepaalde bij en krachtens artikel 4.4.1, eerste en tweede lid, van de wet:

a. a. een jeugdhulpaanbieder die een rechtspersoon is en een gecertificeerde instelling legt dit in zijn statuten vast; b. b. een jeugdhulpaanbieder die geen rechtspersoon is ligt dit anderszins schriftelijk vast.

Paragraaf 5. Basisbedragen en toeslagen pleegvergoeding

Artikel 5.1

1. Het in artikel 5.3, eerste lid, van de wet bedoelde basisbedrag van de vergoeding voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind is het bedrag, genoemd in onderdeel a van bijlage 1 bij deze regeling.

2. Het basisbedrag kan worden verminderd voor de periode gedurende welke een pleegkind als gevolg van bijzondere omstandigheden tijdelijk niet bij de pleegouder verblijft. Alsdan worden de door de pleegouder werkelijk gemaakte noodzakelijke kosten vergoed tot ten hoogste het basisbedrag.

Artikel 5.2

1.

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, wordt vermeerderd met een toeslag ter hoogte van het bedrag, genoemd in onderdeel b van bijlage 1 bij deze regeling:

a. a. zolang sprake is van een crisisplaatsing waarbij het pleegkind met spoed is geplaatst bij de pleegouder, gedurende de eerste vier weken van het verblijf van het pleegkind; b. b. zolang bij een pleegouder drie of meer pleegkinderen verblijven, voor het derde en volgende pleegkind.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, vermeerderd met een door de pleegzorgaanbieder vast te stellen toeslag van ten hoogste het bedrag, genoemd in onderdeel c van bijlage 1 bij deze regeling, voor de door de pleegouder ten behoeve van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking gemaakte kosten, voor zover:

a. a. deze kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn in verband met de beperkingen; b. b. deze kosten niet kunnen worden voldaan uit het basisbedrag, en c. c. daarvoor geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt.

3. De toeslag die noodzakelijk is voor het dekken van de kosten, bedoeld in het tweede lid, wordt verstrekt gedurende een door de pleegzorgaanbieder te bepalen periode.

Artikel 5.3

De pleegzorgaanbieder verstrekt een door de pleegzorgaanbieder vast te stellen vergoeding voor bijzondere kosten voor het pleegkind voor zover:

a. a. deze kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht en niet kunnen worden voldaan uit het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, dan wel uit de toeslagen, bedoeld in artikel 5.2; b. b. voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, en c. c. de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op onderhoudsplichtige ouders.

Artikel 5.4

Het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, en de toeslagen, bedoeld in artikel 5.2, worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de wijze, bedoeld in onderdeel d van bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 5.5

Vervallen

Paragraaf 5a. Toekennen zak- en kleedgeld in accommodaties

Artikel 5a.1

1.

Ingeval een jeugdige ten minste gedurende een maand voltijds verblijft in een accommodatie en diens ouders niet voldoen aan hun onderhoudsplicht verstrekt de jeugdhulpaanbieder:

a. a. zakgeld aan een jeugdige die de leeftijd van zes maar nog niet van twaalf jaar heeft bereikt; en b. b. zak- en kleedgeld aan een jeugdige van twaalf jaar of ouder.

2. Het zakgeld of het zak- en kleedgeld bedraagt het bedrag, genoemd in bijlage 1a bij deze regeling.

3. De jeugdhulpaanbieder kan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, vermeerderen voor zover dat naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk is in verband met bijzondere omstandigheden.

4. De jeugdhulpaanbieder maakt afspraken met de jeugdige over de wijze en de tijdstippen waarop het zakgeld of zak- en kleedgeld zal worden verstrekt.

5. Indien een jeugdige wordt overgeplaatst naar een accommodatie van een andere jeugdhulpaanbieder voor een periode van ten minste een maand verstrekt die jeugdhulpaanbieder het zakgeld of zak- en kleedgeld conform de afspraken, bedoeld in het vierde lid, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.

Artikel 5a.2

Indien een jeugdige bij de opname of gedurende het verblijf in een accommodatie geen of onvoldoende kleding of schoeisel tot zijn beschikking heeft, verstrekt de jeugdhulpaanbieder op de kortst mogelijke termijn benodigde kleding en schoeisel aan de jeugdige.

Artikel 5a.3

Het bedrag, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, wordt periodiek aangepast.

Paragraaf 6. Beveiligingseisen gegevensverwerking

Artikel 6

De beveiliging van de gegevensverwerking, bedoeld in de artikelen 7.2.1 en 7.2.4 van de wet, voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of aan daaraan gelijkwaardige normen.

Paragraaf 6a. Verwerking persoonsgegevens ten behoeve van bekostiging

Artikel 6a.1

1.

Een aanbieder die voor een in de wet bedoelde dienst bij een gemeente een bedrag in rekening brengt, vermeldt daarbij de volgende gegevens:

a. a. gegevens ter identificatie van de aanbieder, te weten van die aanbieder:

        1°.
        naam en adres,
      
      
        2°.
        AGB-code van de onderneming,
      
      
        3°.
        AGB-code van de vestiging, of
      
      
        4°.
        AGB-code van de zorgverlener;

1°. 1°. naam en adres, 2°. 2°. AGB-code van de onderneming, 3°. 3°. AGB-code van de vestiging, of 4°. 4°. AGB-code van de zorgverlener; b. b. het in rekening gebrachte bedrag alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de rekening dient te worden voldaan; c. c. gegevens ter identificatie van de jeugdige ten behoeve van wie de dienst is of zal worden verleend, te weten van die jeugdige:

        1°.
        burgerservicenummer, of indien de aanbieder niet over dat nummer kan beschikken,
      
      
        2°.
        naam, adres en geboortedatum;

1°. 1°. burgerservicenummer, of indien de aanbieder niet over dat nummer kan beschikken, 2°. 2°. naam, adres en geboortedatum; d. d. tenzij door of namens het college is aangegeven dat daar geen behoefte aan bestaat: de datum waarop de dienstverlening is aangevangen of naar verwachting zal aanvangen; e. e. tenzij door of namens het college is aangegeven dat daar geen behoefte aan bestaat: de datum waarop de dienstverlening is beëindigd of naar verwachting zal eindigen; f. f. het voor het gedeclareerde bedrag relevante aantal eenheden of tijdseenheden gedurende welke de diensten zijn of zullen worden verricht; g. g. indien verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts heeft plaatsgevonden, van de desbetreffende arts:

        1°.
        naam en adres, of
      
      
        2°.
        zorgverlenerscode;

1°. 1°. naam en adres, of 2°. 2°. zorgverlenerscode; h. h. indien in een beschikking van het college is neergelegd dat de jeugdige op de verleende dienst is aangewezen of indien een opdrachtnummer is toegekend: het nummer van de beschikking of het opdrachtnummer.

2. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die voor een in de wet bedoelde dienst een bedrag in rekening brengt, vermeldt daarbij de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede om welke dienst het is gegaan, de datum waarop hij zijn dienst heeft verleend en de naam en het adres van degene in wiens opdracht hij de dienst heeft verricht.

Artikel 6a.2

Vervallen

Artikel 6a.3

Een jeugdhulpaanbieder die jeugdhulp heeft verleend of zal verlenen of een aanbieder die preventie heeft verleend of zal verlenen, vermeldt bij de declaratie naast de in artikel 6a.1, eerste lid, bedoelde gegevens de persoonsgegevens die hij ingevolge door of namens het college gemaakte afspraken dan wel gegeven instructies moet vermelden, met dien verstande dat niet meer persoonsgegevens worden vermeld dan de persoonsgegevens die voor de gemeente noodzakelijk zijn ten behoeve van het verrichten van de formele controle en de betaling van de declaratie.

Artikel 6a.4

Een gecertificeerde instelling die een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, vermeldt bij de declaratie naast de in artikel 6a.1, eerste lid, bedoelde gegevens of sprake is van:

a. a. eerste jaar ondertoezichtstelling, b. b. vervolgjaren ondertoezichtstelling, of c. c. voogdij.

Artikel 6a.5

Een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert vermeldt bij de declaratie naast de in artikel 6a.1, eerste lid, bedoelde gegevens of sprake is van:

a. a. toezicht en begeleiding, b. b. individuele trajectbegeleiding Harde Kern, c. c. individuele trajectbegeleiding Criem, d. d. scholings- en trainingsprogramma, e. e. gedragsbeïnvloedende maatregel, f. f. voorbereiding gedragsbeïnvloedende maatregel, of g. g. samenloop met ondertoezichtstelling of voogdij, als bedoeld in artikel 6a.4.

Artikel 6a.6

De artikelen 6a.1 tot en met 6a.5 gelden niet voor jeugdhulp, preventie, maatregelen van kinderbescherming of jeugdreclassering die is verleend ten behoeve van een jeugdige wiens verblijfplaats geheim dient te blijven omdat hij ernstig wordt bedreigd, mits ter zake van de declaratie afspraken tussen de aanbieder en de gemeente gelden en de aanbieder deze afspraken in acht neemt.

Artikel 6a.7

1.

Het college of een door het college aangewezen persoon verwerkt persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 6a.1 tot en met 6a.5 slechts voor zover zij noodzakelijk zijn ten behoeve van:

a. a. het verrichten van formele controle, b. b. het betalen van het gedeclareerde bedrag, behalve voor zover de formele controle tot de conclusie leidt dat de betaling niet rechtmatig zou zijn, of c. c. het zonodig bij de declarant opvragen van nadere persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 6a.1 tot en met 6a.5 indien de formele controle uitwees dat betaling van de declaratie niet rechtmatig zou zijn omdat noodzakelijke gegevens ontbreken.

2.

Het college of een door het college aangewezen persoon is bevoegd om bij de declaratie vermelde persoonsgegevens verder te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor:

a. a. het verrichten van materiële controle, of b. b. het verrichten van fraude-onderzoek.

Artikel 6a.8

Vervallen

Paragraaf 6b. Verwerking persoonsgegevens ten behoeve van materiële controle en fraudebestrijding

Artikel 6b.1

1. Het college verricht materiële controle op de in de artikelen 6b.2 tot en met 6b.6 bepaalde wijze.

2. Het college verricht fraude-onderzoek op de in de artikel 6b.7 bepaalde wijze.

3. Aanbieders zijn verplicht medewerking te verlenen aan overeenkomstig het eerste of tweede lid uitgevoerde controles of onderzoeken.

Artikel 6b.2

Het college stelt voorafgaand aan de uitvoering van de materiële controle het doel ervan vast door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de aanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en, indien het college de materiële controle daar ook toe wenst uit te strekken, of die prestatie:

a. a. aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking, inhoudende dat recht bestaat op preventie of jeugdhulp, b. b. indien het college een aanbieder heeft gemandateerd om namens hem preventie of jeugdhulp te verstrekken, binnen dat mandaat valt, c. c. past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts, d. d. aansluit op een door de gecertificeerde instelling genomen beschikking als bedoeld in artikel 3.5 van de wet, inhoudende dat jeugdhulp aangewezen is; e. e. aansluit op een rechterlijke uitspraak, inhoudende dat de jeugdige is aangewezen op een kinderbeschermingsmaatregel of op jeugdreclassering; of f. f. aansluit bij een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet.

Artikel 6b.3

1. Het college voert een algemene risicoanalyse uit op basis van gegevens waarover deze in verband met de uitvoering van de Jeugdwet beschikt.

2. Het college stelt op basis van de in het eerste lid uitgevoerde algemene risicoanalyse een algemeen controleplan vast, waarin de objecten van materiële controle en de in te zetten controle-instrumenten zijn opgenomen.

3. Het naar aanleiding van de algemene risicoanalyse opgestelde algemene controleplan voorziet niet in de inzet van detailcontrole.

4. Indien uit het uitgevoerde algemene controleplan blijkt dat het controledoel, bedoeld in artikel 6b.2, is bereikt, kan slechts detailcontrole worden uitgevoerd als er van een ander dan het college afkomstige of uit de uitgevoerde controle voortvloeiende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is van onvoldoende zekerheid.

Artikel 6b.4

Het college maakt informatie openbaar over het ingevolge artikel 6b.2 vastgestelde controledoel en het ingevolge artikel 6b.3 vastgestelde algemene controleplan op een zodanige wijze dat die informatie voor jeugdigen of degenen die het gezag over hen uitoefenen alsmede voor aanbieders gemakkelijk verkrijgbaar is.

Artikel 6b.5

1.

Het college voert geen detailcontrole uit dan nadat is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. a. het college heeft een specifieke risicoanalyse verricht op de bevindingen uit het uitgevoerde algemene controleplan, bedoeld in artikel 6b.3, tweede lid; b. b. het college heeft naar aanleiding van de specifieke risicoanalyse een specifiek controleplan en specifiek controledoel opgesteld, waarin de objecten van materiële controle en de methoden van detailcontrole zijn opgenomen; c. c. het overeenkomstig onderdeel b vastgestelde specifieke doel van de materiële controle kan zonder detailcontrole niet worden bereikt; d. d. uit het specifieke controleplan blijkt dat in het kader van de detailcontrole niet meer persoonsgegevens worden verwerkt dan gelet op het met het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval noodzakelijk is; e. e. het college heeft de aanbieder voorafgaand aan de uitvoering van de detailcontrole toereikende en op verzoek van de aanbieder schriftelijke informatie verstrekt waarin wordt gemotiveerd hoe is voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.

2.

Indien bij de uitvoering van detailcontrole persoonsgegevens van de jeugdige of degene die het gezag over hem uitoefent worden verwerkt, geschiedt dit in opdracht van het college:

a. a. in geval van aan een jeugdige verleende geestelijke gezondheidszorg: door of onder verantwoordelijkheid van een persoon op wie het medisch beroepsgeheim van toepassing is, of b. b. in geval van aan een jeugdige verleende andere jeugdhulp, preventie, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: door of onder verantwoordelijkheid van een persoon als bedoeld in onderdeel a, een persoon die op grond van artikel 7.3.11 van de wet een geheimhoudingsplicht heeft of een persoon die op grond van artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg een geheimhoudingsplicht heeft.

Op voorafgaand verzoek van de aanbieder is de persoon, bedoeld in onderdeel a of b, aanwezig bij dit deel van de controle.

3. In afwijking van het eerste lid kan het college met betrekking tot een aan een individuele jeugdige verleende hulp, preventie, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden van toepassing zijn, indien deze jeugdige of, indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaar dan wel niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, degene die het gezag over hem uitoefent of zijn curator of mentor ten behoeve van de materiële controle schriftelijk toestemming aan de aanbieder heeft gegeven voor verstrekking van gegevens over de gezondheid van de jeugdige aan het college. Het college verwerkt bij de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.

4. Het college informeert de aanbieder over de zakelijke inhoud van de voorgenomen uitkomsten van de detailcontrole en stelt hem in de gelegenheid daarop binnen een redelijke termijn te reageren. Het college betrekt de reactie van de aanbieder bij de vaststelling van de definitieve uitkomsten van de detailcontrole en bericht deze uitkomsten aan de aanbieder.

Artikel 6b.6

1. Het college legt de specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontrole in zijn administratie vast om toetsing door en verantwoording aan toezichthouders mogelijk te maken. Daarbij worden niet meer persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, verwerkt dan voor dit doel noodzakelijk is.

2. Het college bewaart na detailcontrole de daarbij verwerkte persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij zijn verkregen.

3.

Het college verwerkt bij de detailcontrole verkregen persoonsgegevens slechts verder voor zover dat noodzakelijk is voor:

a. a. het verrichten van werkzaamheden die uit de detailcontrole voortvloeien, of b. b. het verrichten van fraude-onderzoek.

Artikel 6b.7

1. Bij fraude-onderzoek zijn de voorwaarden, bedoeld in artikel 6b.5, eerste lid, onderdelen b en d, van overeenkomstige toepassing, en is de in onderdeel e bedoelde voorwaarde van overeenkomstige toepassing voor zover het onderzoeksbelang of het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige of degene die het gezag over hem uitoefent zich hier niet tegen verzet.

2. In afwijking van het eerste lid kan het college met betrekking tot een individuele jeugdige detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden van toepassing zijn, indien die jeugdige of, indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaar dan wel niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, degene die het gezag over hem uitoefent of zijn curator of mentor ten behoeve van het fraude-onderzoek schriftelijk toestemming heeft gegeven voor verstrekking van persoonsgegevens, waaronder gegevens met betrekking tot zijn gezondheid, aan het college. Het college verwerkt ten behoeve van de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.

3. Het college verwerkt bij het fraude-onderzoek verkregen persoonsgegevens slechts verder voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die uit dat onderzoek voortvloeien

Paragraaf 6c. Beperking uitvoeringslasten

Artikel 6c.1

1.

Bij de bekostiging van aanbieders of gekwalificeerde gedragswetenschappers, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan het college gebruik maken van een:

a. a. inspanningsgerichte uitvoeringsvariant, of b. b. outputgerichte uitvoeringsvariant.

2. Bij gebruik van de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant of de outputgerichte uitvoeringsvariant draagt het college ten aanzien van de financieringswijzen en administratieve processen en de wijze van gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet zorg voor de toepassing van de iJw.

3. Toepassing van de iJw houdt in ieder geval in dat er overeenkomstig de iJw elektronisch berichtenverkeer is tussen gemeenten en de in het eerste lid bedoelde personen en instanties bij het toewijzen, factureren en declareren, en leveren van producten, diensten of resultaten.

Artikel 6c.2

Indien de iJw worden gewijzigd, wordt de wijziging van kracht vanaf het moment waarop deze openbaar is gemaakt door het Zorginstituut.

Paragraaf 7. Beleidsinformatie

Artikel 7

De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verstrekken aan het Centraal Bureau voor de Statistiek structureel de gegevens, bedoeld in artikel 7.5.1, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet, op de wijze beschreven in bijlage 2 bij deze regeling.

Paragraaf 8. Persoonsgebonden budget

Artikel 8

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a.

    *derde:* derde als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet;

b. b.

    *hulp uit het sociale netwerk:* natuurlijk persoon die jeugdhulp verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de jeugdige of zijn ouders bestaande sociale relatie, tenzij die jeugdhulp beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.

Artikel 8a

1. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer met iedere derde die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget jeugdhulp laat verlenen, behalve voor zover reeds vervoer van een derde is betrokken of een hulp uit het sociaal netwerk jeugdhulp zal verlenen.

2.

Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid worden opgesteld volgens de meest recente door de Sociale verzekeringsbank vigerende vastgestelde toepasselijke modelovereenkomsten, die beschikbaar waren gesteld ten tijde van het afsluiten van die overeenkomst, en bevatten bovendien ten minste:

a. a. een weergave van de wijze waarop de derde zal voorzien in de behoefte aan jeugdhulp van degene ten behoeve van wie het budget is verstrekt; b. b. de verplichting dat een declaratie de vereiste gegevens, bedoeld in artikel 8b, vierde lid, bevat of, indien van toepassing, dat wordt gebruikgemaakt van periodiek maandbetalingen; c. c. een beding, inhoudende dat de gemeente een vordering heeft op de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget jeugdhulp levert, indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag; d. d. indien de uitkering van vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing is, een beding, inhoudende dat in het te betalen bruto loon het vakantiegeld is verdisconteerd.

3. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college en de Sociale verzekeringsbank.

4. Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de overeenkomst voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.

5. De Sociale verzekeringsbank kan haar goedkeuring slechts onthouden wegens strijd met het recht, of in het belang van de uitvoerbaarheid van het persoonsgebonden budget of van het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, van de wet.

6. Een wijziging van een goedgekeurde overeenkomst wordt onmiddellijk aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier.

7. Op verzoek van een college kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen dat dat college, voor zover het de goedkeuring van de overeenkomst van personen aan wie het college een persoonsgebonden budget verstrekt en het kenbaar maken van een wijziging van de overeenkomst betreft, voor de toepassing van het derde, vijfde en zesde lid in de plaats treedt van de Sociale verzekeringsbank. Indien de vorige zin is toegepast bericht het college de Sociale verzekeringsbank onmiddellijk van wijzigingen als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 8ab

1.

Indien van toepassing kan een persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt ten laste van zijn persoonsgebonden budget een hulp uit het sociaal netwerk voor jeugdhulp, die zonder dienstbetrekking wordt verleend, laten betalen:

a. a. een tegemoetkoming van maximaal € 141 per kalendermaand; b. b. een door het college vastgestelde tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding en reiskosten ten behoeve van de hulp.

Daartoe draagt hij zorg voor een verklaring. De verklaring wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. De Sociale verzekeringsbank stelt onmiddellijk het college daarvan in kennis.

2. Een persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt kan niet een overeenkomst als bedoeld in artikel 8b, eerste lid, onderdeel b, en de hiergenoemde verklaring met betrekking tot dezelfde derde, die ten laste van het persoonsgebonden budget betalingen zou ontvangen, indienen.

3.

Een verklaring wordt opgesteld volgens het vigerende, door de Sociale verzekeringsbank vastgestelde model en bevat ten minste:

a. a. de naam, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de hulp uit het sociaal netwerk; b. b. de ingangsdatum vanaf wanneer op verzoek een tegemoetkoming kan worden verstrekt; c. c. de mededelingen dat de hulp uit het sociaal netwerk zonder dienstbetrekking jeugdhulp zal verlenen aan de persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt en of een bedrag per kalendermaand en of door het college vastgestelde bedragen worden aangevraagd; d. d. de handtekening van de persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt, waarmee die persoon aangeeft dat hij inderdaad jeugdhulp uit het sociaal netwerk zal ontvangen, alsmede de handtekening van de hulp uit het sociaal netwerk.

4. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college.

5. Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de verklaring voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid.

6. Een wijziging van een goedgekeurde verklaring wordt onmiddellijk met een formulier aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier.

Artikel 8b

1.

De Sociale verzekeringsbank voert het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, van de wet, uit:

a. a. overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet; en b. b. overeenkomstig een door de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt met een derde gesloten overeenkomst of een verklaring als bedoeld in artikel 8ab, die respectievelijk overeenkomstig de artikelen 8a of 8ab is goedgekeurd.

2. In het kader van het budgetbeheer draagt de Sociale verzekeringsbank voor zover deze verschuldigd zijn loonbelasting, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet af, tenzij het gaat om tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 8ab.

3.

De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor overeengekomen jeugdhulp die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst voor vervoer, uitsluitend aan de derde aan de hand van:

a. a. een declaratie voor geleverde jeugdhulp; b. b. een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij overeengekomen periodieke maandbetalingen; c. c. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen jeugdhulp, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, of, voor zover het sociaal-recreatief vervoer betreft, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020, als gevolg van de maatregelen in verband met Covid-19, door de desbetreffende derde, niet is verleend; d. d. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen jeugdhulp, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021, niet is verleend in verband met:

        1°.
        een besmetting van de budgethouder of desbetreffende derde, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19;
      
      
        2°.
        een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of desbetreffende derde in verband met Covid-19;
      
      
        3°.
        een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding;
      
      
        4°.
        de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 genomen maatregelen;
      
      
        5°.
        het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19; of

1°. 1°. een besmetting van de budgethouder of desbetreffende derde, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19; 2°. 2°. een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of desbetreffende derde in verband met Covid-19; 3°. 3°. een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding; 4°. 4°. de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 genomen maatregelen; 5°. 5°. het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19; of e. e. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen jeugdhulp, als gevolg van het ontvangen van een vaccinatie voor Covid-19 voor ten hoogste twee uur niet is verleend.

4.

Een declaratie als bedoeld in het derde lid, derde lid, onderdelen a, c, d en e, bevat:

a. a. de naam van de derde, en

        1°.
         het nummer waarmee de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of,
      
      
        2°.
        indien de derde niet over dat nummer kan beschikken, de geboortedatum of het burgerservicenummer van de derde;

1°. 1°. het nummer waarmee de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of, 2°. 2°. indien de derde niet over dat nummer kan beschikken, de geboortedatum of het burgerservicenummer van de derde; b. b. de naam van de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt en zijn adres of burgerservicenummer of klantnummer bij de Sociale verzekeringsbank; c. c. het tarief; d. d. een verantwoording van de overeengekomen resultaten dan wel een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen; en e. e. een handtekening van de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt of, voor zover van toepassing, diens vertegenwoordiger, indien het een schriftelijke declaratie betreft.

5. Indien voor de geleverde jeugdhulp een goedgekeurde verklaring bestaat, betaalt de Sociale verzekeringsbank de hulp uit het sociaal netwerk op aanvraag van de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8ab, eerste lid, uit. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen indien het verzoek is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld.

6.

De Sociale verzekeringsbank kan een betaling uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten:

a. a. bij het intrekken of herzien van een beslissing op een of meer van de gronden, bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, van de wet; b. b. indien een declaratie niet voldoet aan de voorwaarden van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of aan de overeenkomst of verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. c. wegens strijd met het recht, waaronder het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht, of het belang van de uitvoerbaarheid van het verrichten van de betalingen uit het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank; d. d. indien de derde een declaratie niet binnen zes weken na de maand waarin de prestatie is verleend, heeft ingediend bij de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt; e. e. indien de Sociale verzekeringsbank een declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt, deze heeft ontvangen; f. f. indien de Sociale verzekeringsbank een verzoek als bedoeld in het vierde lid, niet heeft ontvangen binnen tien weken na de kalendermaand waarop een verzoek betrekking heeft; g. g. indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, van de wet, de Sociale verzekeringsbank daarom verzoekt.

7. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, binnen dertig dagen na ontvangst van de declaratie of van het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, tenzij de declaratie of verzoek onjuist of onvolledig is ingediend. Indien een declaratie niet overeenkomstig het vierde lid of vijfde lid is ingediend, en betalingen niet zijn beëindigd, geweigerd of opgeschort, nodigt de Sociale verzekeringsbank de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verleend uit tot herstel van de declaratie of het verzoek. Na herstel wordt de betaling binnen dertig dagen verricht. De Sociale verzekeringsbank weigert de betaling geheel of gedeeltelijk indien de declaratie of het verzoek niet binnen een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn is hersteld. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van een declaratie werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen.

8. Sociale verzekeringsbank verricht periodieke maandbetalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, uiterlijk binnen dertig dagen na afloop van de maand waarin de zorg geleverd is. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van de periodieke maandbetaling werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen.

9. Indien de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt in aanvulling op de bij de beschikking, bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet toegekende jeugdhulp aanvullende jeugdhulp heeft gecontracteerd, betaalt de Sociale verzekeringsbank deze indien daartoe voldoende geld is gestort. De Sociale verzekeringsbank stort na de betaling van de aanvullende jeugdhulp binnen redelijke termijn de onbestede gelden terug aan degene die hiervoor het geld heeft gestort.

10. De Sociale verzekeringsbank ondersteunt de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt bij zijn werkgeverstaken of opdrachtgeverschap waaronder ten aanzien van arbeidsomstandighedenregelgeving, zaakschade en aansprakelijkheid.

11.

De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt, houdt een administratie bij van het totaal aan niet-geleverde jeugdhulp per derde aan wie betalingen zijn verricht op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e. Deze administratie bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

a. a. de naam van de derde; b. b. het overeengekomen tarief; en c. c. een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen.

12. De persoon bedoeld in het elfde lid, verstrekt op verzoek van het college voor elke derde het op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e, totaal aantal betaalde uren inclusief het bijbehorende totaalbedrag door middel van een daartoe beschikbaar gesteld formulier aan de Sociale verzekeringsbank.

Artikel 8c

1.

In afwijking van artikel 8b, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het vierde en vijfde lid van dat artikel, kan de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt, betalen:

a. a. door die persoon gemaakte vervoerskosten; of b. b. een verantwoordingsvrij bedrag voor jeugdhulp.

2. In afwijking van artikel 8b, tweede, vierde lid, en zesde lid, onderdelen d en e, ontvangt de Sociale verzekeringsbank een verzoek om een verantwoordingsvrij bedrag voor jeugdhulp voor het eindigen van de beschikking, bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet, van de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt.

3. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen, indien de declaratie voor vervoerskosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld.

Artikel 8d

De persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt, doet aan de Sociale verzekeringsbank op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van gegevens waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, van de wet, of het uitvoeren van betalingen ten laste van het persoonsgebonden budget.

Artikel 8e

1. In het belang van een gecoördineerde uitvoering van het persoonsgebonden budget ondersteunt de Sociale verzekeringsbank het college bij de uitoefening van diens taken als de verstrekker van dat budget.

2. De Sociale verzekeringsbank en het college werken samen aan de digitalisering en standaardisering van de uitvoering van het persoonsgebonden budget.

Paragraaf 8a. Verwerking gegevens ten behoeve van stelselonderzoek, vroegsignalering en wettelijke taken andere instanties

Artikel 8f

1.

Voor de uitvoering van artikel 9a.1 van de wet worden persoonsgegevens van jeugdigen als bedoeld in de wet verwerkt indien en voor zover zij naar het oordeel van de zorgautoriteit voor die uitvoering noodzakelijk zijn, op de persoonsgegevens pseudonimisering is toegepast voor verstrekking aan de zorgautoriteit en voor zover het de hieronder vermelde gegevens betreft:

a. a. gegevens met betrekking tot de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling: de AGB-code van de onderneming, de AGB-code van de vestiging of de AGB-code van de zorgverlener; b. b. gegevens met betrekking tot de jeugdige en de verleende jeugdhulp of uitgevoerde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering:

        1°.
        burgerservicenummer,
      
      
        2°.
        gemeentecode van de woonplaats van de jeugdige,
      
      
        3°.
        geboortejaar,
      
      
        4°.
        type verwijzer naar jeugdhulp,
      
      
        5°.
        jeugdhulpvorm, type kinderbeschermingsmaatregel of type jeugdreclassering,
      
      
        6°.
        toewijzingsdatum,
      
      
        7°.
        beoogde datum aanvang jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,
      
      
        8°.
        daadwerkelijke datum aanvang jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,
      
      
        9°.
        datum einde jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,
      
      
        10°.
        reden einde jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,
      
      
        11°.
        in rekening gebracht bedrag, en
      
      
        12°.
        geleverd volume.

1°. 1°. burgerservicenummer, 2°. 2°. gemeentecode van de woonplaats van de jeugdige, 3°. 3°. geboortejaar, 4°. 4°. type verwijzer naar jeugdhulp, 5°. 5°. jeugdhulpvorm, type kinderbeschermingsmaatregel of type jeugdreclassering, 6°. 6°. toewijzingsdatum, 7°. 7°. beoogde datum aanvang jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, 8°. 8°. daadwerkelijke datum aanvang jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, 9°. 9°. datum einde jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, 10°. 10°. reden einde jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, 11°. 11°. in rekening gebracht bedrag, en 12°. 12°. geleverd volume.

2. De Stichting Inlichtingenbureau bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de verstrekking aan de zorgautoriteit gedurende vier jaar, te rekenen vanaf het tijdstip van registratie van de gegevens in het elektronische berichtenverkeer tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen. De zorgautoriteit bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de uitvoering van artikel 9a.1 van de wet gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij de gegevens van de Stichting Inlichtingenbureau heeft ontvangen.

Artikel 8g

1.

De periodieke verstrekking van gegevens en inlichtingen aan de zorgautoriteit ter uitvoering van haar taak, bedoeld in artikel 9a.2 van de wet, door Jeugdregio's, en indien het om landelijk gecontracteerde of te contracteren jeugdhulp gaat, de door gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie belast met de contractering, betreft het jaarlijks aan de zorgautoriteit verstrekken van:

a. a. de namen en nummers van inschrijving bij de Kamer van Koophandel van de door de Jeugdregio of landelijke werkende organisatie gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen; en b. b. van die jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen per aanbieder of instelling een overzicht van de vormen van jeugdhulp, bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet, respectievelijk de typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering waarop de contractering of subsidiëring betrekking heeft.

2.

De periodieke verstrekking van gegevens en inlichtingen aan de zorgautoriteit ter uitvoering van haar taak, bedoeld in artikel 9a.2 van de wet, door jeugdhulpaanbieders die een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet aanbieden en gecertificeerde instellingen, betreft:

a. a. het jaarlijks aan de zorgautoriteit verstrekken van de volgende onderdelen van de jaarprognose:

        1°.
        het begrote bedrijfsresultaat,
      
      
        2°.
        de begrote som der bedrijfsopbrengsten,
      
      
        3°.
        de begrote overige bedrijfskosten,
      
      
        4°.
        het begrote subtotaal aan kosten personeel in loondienst,
      
      
        5°.
        het begrote subtotaal aan kosten personeel niet in loondienst, en
      
      
        6°.
        de begrote opbrengsten Jeugdwet; en

1°. 1°. het begrote bedrijfsresultaat, 2°. 2°. de begrote som der bedrijfsopbrengsten, 3°. 3°. de begrote overige bedrijfskosten, 4°. 4°. het begrote subtotaal aan kosten personeel in loondienst, 5°. 5°. het begrote subtotaal aan kosten personeel niet in loondienst, en 6°. 6°. de begrote opbrengsten Jeugdwet; en b. b. het per kwartaal aan de zorgautoriteit verstrekken van:

        1°.
        naam, nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode,
      
      
        2°.
        de contactgegevens voor de zorgautoriteit,
      
      
        3°.
        een overzicht van de vormen van jeugdhulp, bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet, respectievelijk de typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering die de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling aanbiedt,
      
      
        4°.
        het bedrijfsresultaat,
      
      
        5°.
        de som der bedrijfsopbrengsten,
      
      
        6°.
        de liquiditeit,
      
      
        7°.
        de overige bedrijfskosten,
      
      
        8°.
        het werkkapitaal,
      
      
        9°.
        het subtotaal aan kosten personeel in loondienst,
      
      
        10°.
        het subtotaal aan kosten personeel niet in loondienst,
      
      
        11°.
        de opbrengsten Jeugdwet,
      
      
        12°.
        de ingeschatte niet-declarabele productie,
      
      
        13°.
        de ingeschatte wachttijden en het aantal jeugdigen of ouders op de wachtlijst, van de vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet uitgesplitst naar vorm van jeugdhulp en per regio waarbinnen de jeugdhulpaanbieder de betreffende jeugdhulp aanbiedt,
      
      
        14°.
        de wachttijd en het aantal jeugdigen op de wachtlijst voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering uitgesplitst naar type kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en per regio waarbinnen de gecertificeerde instelling werkzaam is,
      
      
        15°.
        een antwoord op de vraag of in het afgelopen kwartaal, het huidige kwartaal of het komende kwartaal risicos voor de financiële continuïteit van de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling dan wel belangrijke strategische risicos aan de orde zijn of zijn geweest, en
      
      
        16°.
        indien van toepassing, een overzicht van de jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen die de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling op grond van een overeenkomst van opdracht heeft ingeschakeld bij de verlening van vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet of het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, alsmede de nummers van inschrijving bij de Kamer van Koophandel van de ingeschakelde jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen.

1°. 1°. naam, nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode, 2°. 2°. de contactgegevens voor de zorgautoriteit, 3°. 3°. een overzicht van de vormen van jeugdhulp, bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet, respectievelijk de typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering die de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling aanbiedt, 4°. 4°. het bedrijfsresultaat, 5°. 5°. de som der bedrijfsopbrengsten, 6°. 6°. de liquiditeit, 7°. 7°. de overige bedrijfskosten, 8°. 8°. het werkkapitaal, 9°. 9°. het subtotaal aan kosten personeel in loondienst, 10°. 10°. het subtotaal aan kosten personeel niet in loondienst, 11°. 11°. de opbrengsten Jeugdwet, 12°. 12°. de ingeschatte niet-declarabele productie, 13°. 13°. de ingeschatte wachttijden en het aantal jeugdigen of ouders op de wachtlijst, van de vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet uitgesplitst naar vorm van jeugdhulp en per regio waarbinnen de jeugdhulpaanbieder de betreffende jeugdhulp aanbiedt, 14°. 14°. de wachttijd en het aantal jeugdigen op de wachtlijst voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering uitgesplitst naar type kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en per regio waarbinnen de gecertificeerde instelling werkzaam is, 15°. 15°. een antwoord op de vraag of in het afgelopen kwartaal, het huidige kwartaal of het komende kwartaal risicos voor de financiële continuïteit van de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling dan wel belangrijke strategische risicos aan de orde zijn of zijn geweest, en 16°. 16°. indien van toepassing, een overzicht van de jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen die de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling op grond van een overeenkomst van opdracht heeft ingeschakeld bij de verlening van vormen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet of het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, alsmede de nummers van inschrijving bij de Kamer van Koophandel van de ingeschakelde jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor:

a. a. solistisch werkende jeugdhulpverleners; b. b. jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 4 van de Regeling openbare jaarverantwoording Jeugdwet.

Artikel 8h

De zorgautoriteit verstrekt colleges en Jeugdregios om zelf zo vroeg mogelijk een risico voor de aanwezigheid van een toereikend aanbod of ontoereikend aanbod als bedoeld in artikel 9a.2, eerste lid, van de wet in hun eigen gemeente of regio te kunnen signaleren de volgende gegevens, met dien verstande dat de zorgautoriteit geen bedrijfsgevoelige informatie van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verstrekt:

a. a. gegevens met betrekking tot een door de zorgautoriteit ontvangen melding als bedoeld in artikel 9a.2, tweede lid, onderdeel a, van de wet, indien daaruit voor die gemeente of regio een mogelijk risico voor de aanwezigheid van een toereikend aanbod of een bestaand ontoereikend aanbod als bedoeld in artikel 9a.2, eerste lid, van de wet volgt, te weten:

      1°.
      de dagtekening van de melding,
    
    
      2°.
      de vormen van jeugdhulp of typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering waar de melding betrekking op heeft,
    
    
      3°.
      of de melding betrekking heeft op een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod,
    
    
      4°.
      de ontwikkelingen waarop de melding betrekking heeft, en
    
    
      5°.
      voor zover van toepassing, de naam en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode van de jeugdhulpverlener of gecertificeerde instelling die bij de melding is genoemd;

1°. 1°. de dagtekening van de melding, 2°. 2°. de vormen van jeugdhulp of typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering waar de melding betrekking op heeft, 3°. 3°. of de melding betrekking heeft op een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod, 4°. 4°. de ontwikkelingen waarop de melding betrekking heeft, en 5°. 5°. voor zover van toepassing, de naam en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode van de jeugdhulpverlener of gecertificeerde instelling die bij de melding is genoemd; b. b. indien uit de informatie die de zorgautoriteit op grond van artikel 9a.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 6°, van de wet analyseert volgens de zorgautoriteit voor die gemeente of regio een mogelijk risico voor de aanwezigheid van een toereikend aanbod of een bestaand ontoereikend aanbod als bedoeld in artikel 9a.2, eerste lid, van de wet volgt:

      1°.
      de vormen van jeugdhulp of typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering waarbij sprake is van een mogelijk risico of ontoereikend aanbod,
    
    
      2°.
      of sprake is van een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod,
    
    
      3°.
      de ontwikkelingen die hebben geleid tot de inschatting van de zorgautoriteit dat sprake is van een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod, en
    
    
      4°.
      voor zover van toepassing, de naam en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode van de jeugdhulpverlener of gecertificeerde instelling waarop de ontwikkelingen betrekking hebben.

1°. 1°. de vormen van jeugdhulp of typen kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering waarbij sprake is van een mogelijk risico of ontoereikend aanbod, 2°. 2°. of sprake is van een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod, 3°. 3°. de ontwikkelingen die hebben geleid tot de inschatting van de zorgautoriteit dat sprake is van een mogelijk risico of bestaand ontoereikend aanbod, en 4°. 4°. voor zover van toepassing, de naam en instellingscode, praktijkcode of zorgverlenerscode van de jeugdhulpverlener of gecertificeerde instelling waarop de ontwikkelingen betrekking hebben.

Artikel 8i

De zorgautoriteit verstrekt aan de in artikel 71f van de Wet marktordening gezondheidszorg genoemde instanties persoonsgegevens indien en voor zover verwerking van die gegevens voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden noodzakelijk is en voor zover die gegevens behoren tot de hieronder bij die instanties vermelde categorieën van persoonsgegevens:

a. a. de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de FIOD-ECD: identificerende persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreffende jeugdhulpaanbieders en bestuurders of medewerkers van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen; b. b. het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur: identificerende persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreffende jeugdhulpaanbieders en bestuurders of medewerkers van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen; c. c. het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau, de Gezondheidsraad, de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving, het Rijksinstituut voor de volksgezondheid en milieu en het Sociaal Cultureel Planbureau: identificerende persoonsgegevens betreffende jeugdhulpaanbieders.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 9.1

De Regeling beleidsinformatie jeugdzorg 2011 blijft nadat zij met ingang van 1 januari 2015 is vervallen, van toepassing op informatieverstrekkingen met betrekking tot de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 9.1a

In afwijking van artikel 6c.1, tweede lid, hoeven de iJw niet te worden toegepast bij de uitvoering van contracten die door de contractspartijen zijn ondertekend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, behalve voor zover:

a. a. deze contracten volgens de gezamenlijke contractspartijen ruimte laten voor toepassing daarvan, of b. b. deze contracten na de inwerkingtreding van deze regeling worden gewijzigd.

Artikel 9.1.b

Artikel 4.1, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2021, blijft van toepassing op de jaarverslaggeving over verslagjaar 2020.

Artikel 9.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2014, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2015.

Artikel 9.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Jeugdwet.

Bijlage 1. behorende bij

Bijlage 1a. behorende bij

Bijlage 2. behorende bij