rijk/ministeriele-regeling/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande-ouders-1996/BWBR0007917
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996 BWBR0007917 ministeriele-regeling geldend 1996-03-02 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007917 Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996

Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Subsidie aan de gemeenten

Artikel 2

1.

De minister verleent op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door deze in het kalenderjaar 1996 te maken kosten voor het realiseren van nieuwe kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:

a. a. algemene bijstand ontvangen en:

        1º
        arbeid verrichten; of
      
      
        2º
         ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel

1º 1º arbeid verrichten; of 2º 2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel b. b. geen algemene bijstand meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid - waaronder begrepen deelname aan de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996 (Melkert I), de Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden (Melkert II), de Jeugdwerkgarantiewet of de Rijksbijdrageregeling Banenpools, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten.

2. Met algemene bijstand, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

3.

De kosten van kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:

a. a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet; b. b. door het betalen van een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen; c. c. door het betalen van een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de ouder verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen.

4. Geen subsidie wordt verleend ten aanzien van kosten die uit anderen hoofde worden vergoed.

Artikel 3

De subsidie voor gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente verleend onder de voorwaarden dat:

a. a. in de schriftelijke overeenkomst bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen b en c, tenminste is vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen als bedoeld in deze regeling, alsmede het tijdstip waarop en de periode waarin deze plaatsen zijn gerealiseerd; b. b. in de jaarverantwoording van de derde instelling bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, over het jaar waarin de in de regeling bedoelde plaatsen zijn gerealiseerd tevens de feitelijk gerealiseerde plaatsen worden verantwoord; alsmede het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen per 31 december 1995 wordt vermeld; en c. c. deze jaarverantwoording voorzien is van een verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet.

Artikel 4

1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt f 85 miljoen gulden.

2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van dat bedrag vastgesteld naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders, dat volgens de facettencode CBS (1993) in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontving.

3. Indien een gemeente te kennen geeft het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van het eerste en tweede lid niet te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum vaststellen, overeenkomstig het door die gemeente aange geven bedrag.

4. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan uit de toepassing van het eerste en tweede lid zou volgen. De toevoeging vindt zo veel mogelijk naar rato van het bepaalde in het tweede lid plaats.

5. Indien de op grond van dit artikel berekende aantallen of bedragen niet op een geheel getal uitkomen, worden die op een door de minister te bepalen wijze afgerond op een geheel getal.

Artikel 5

1. Met inachtneming van de artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats op alle werk- of studiedagen van de week: f 18.000 voor het gehele kalenderjaar vermenigvuldigd met de in het tweede lid omschreven omrekenfactor.

2.

De omrekenfactor bedraagt bij:

a. a. hele-dagopvang: 1; b. b. halve-dagopvang: 0,66; c. c. buitenschoolse opvang: 0,66; d. d. gastouderopvang: 0,40.

3. De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien de kinderopvangplaats niet op alle werk- of studiedagen van de week wordt gerealiseerd of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar.

4. De na toepassing van de leden 1, 2 en 3 berekende subsidie wordt verlaagd indien de gemiddelde feitelijke bezetting van de gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen over 1996 lager is dan 50%. Voorzover deze gemiddelde bezetting beneden de 50% blijft, wordt het verschil in procentpunten vermenigvuldigd met de factor 2, en vervolgens in mindering gebracht op de subsidie.

Artikel 6

1. Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag in vóór 15 september 1996.

2. Bij de aanvraag wordt in elk geval opgave gedaan van het aantal nieuwe kinderopvangplaatsen dat burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1996 te realiseren en over welke periode in 1996 die voornemens zich uitstrekken. Deze opgave wordt ingericht volgens het bij deze regeling behorende model.

3. Op de aanvraag wordt ten aanzien van elke gemeente tenminste één kinderopvangplaats toegewezen.

Artikel 7

1. De minister stelt de subsidie vast binnen vier maanden na ontvangst van de jaaropgave bedoeld in artikel 11, eerste lid.

2. Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, kan de minister de bijdrage ambtshalve vaststellen.

Paragraaf 3. Bevoorschotting

Artikel 8

De minister betaalt aan de gemeente op of omstreeks:

a. a. 1 maart 1996 een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in artikel 4, tweede lid; b. b. 1 november 1996 een voorschot tot ten hoogste 100% van het bedrag dat op de aanvraag is toegekend.

Paragraaf 4. Administratieve verplichtingen

Artikel 9

1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht, dat alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.

2.

De administratie van de gemeente bevat in elk geval een overzicht waaruit kan worden afgeleid:

a. a. welke alleenstaande ouders gebruik hebben gemaakt van de feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen; b. b. het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995 en gedurende 1996, alsmede de periode in 1996 waarin de gerealiseerde kinderopvangplaatsen ook daadwerkelijk bezet zijn geweest; c. c. de soort opvangplaats.

Artikel 10

1. Het toezicht op de uitvoering van deze regeling berust bij de minister.

2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen, die hij voor het toezicht op de uitvoering en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie.

Artikel 11

1. Burgemeester en wethouders doen voor 20 september 1997 aan de minister opgave van het aantal feitelijk gerealiseerde nieuwe kinderopvang-plaatsen, de perioden waarover die plaatsen beschikbaar zijn geweest de feitelijke bezetting van die plaatsen door ten laste komende kinderen, alsmede de soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is ingericht overeenkomstig het bij deze regeling behorende model en is voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voor geschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.

2. De verklaring dat aan de voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig algemene uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig het bij deze regeling behorende model.

3. Indien de jaarverantwoording van de derde instelling bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt gecontroleerd door een ander dan de accountant bedoeld in het eerste lid, kan de accountant van de gemeente bij de controle van de opgave, indien dit naar zijn oordeel doelmatig is, gebruik maken van de controle die de registeraccountant of de Accountant-Administratieconsulent uitvoert in het kader van de jaarverantwoording van de derde bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b.

Paragraaf 5. Intrekking van de toekenning en terugvordering

Artikel 12

De minister kan een besluit tot toekenning van subsidie geheel of gedeeltelijk intrekken en een reeds uitbetaalde subsidie of voorschot terugvorderen, indien:

a. a. de subsidie niet is besteed aan de bestrijding van kosten van nieuwe kinderopvangplaatsen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid; b. b. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3 of paragraaf 4; c. c. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996.

Bijlage . Model accountantsverklaring behorende bij de jaaropgave 1996