40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging | BWBR0014480 | ministeriele-regeling | geldend | 2002-12-28 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0014480 | Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging |
Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. afvalverbrandingsinstallatie: technische eenheid waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor:
1°.
de verbranding door oxidatie van afvalstoffen,
2°.
een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of
3°.
de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;
1°. 1°. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen, 2°. 2°. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of 3°. 3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen; b. b. meeverbrandingsinstallatie: technische eenheid waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en die in hoofdzaak is bestemd voor de opwekking van energie of de vervaardiging van producten en waarin afvalstoffen of de producten van thermische behandeling als brandstof worden gebruikt of afvalstoffen thermisch worden behandeld ten behoeve van verwijdering; c. c. verbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie; d. d. afvalwaterzuiveringsinrichting: afvalwaterzuiveringsinrichting waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en welke geen deel uitmaakt van een verbrandingsinstallatie; e. e. beheerder: degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt dan wel degene die een afvalwaterzuiveringsinrichting beheert; f. f. Wtw-bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet; g. g. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen; h. h. verlener van een vergunning: Wtw-bevoegd gezag of bevoegd gezag; i. i. lozen: brengen van:
1°.
stoffen in een oppervlaktewaterlichaam;
2°.
afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel, een openbaar ontwateringstelsel, een openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of
3°.
stoffen op een zuiveringtechnisch werk met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
1°. 1°. stoffen in een oppervlaktewaterlichaam; 2°. 2°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel, een openbaar ontwateringstelsel, een openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of 3°. 3°. stoffen op een zuiveringtechnisch werk met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Artikel 1a
Deze regeling berust op de artikelen 5.14 van het Besluit omgevingsrecht, 6.3a van het Waterbesluit en 8.40 en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 2
Deze regeling is niet van toepassing op:
a. a. verbrandingsinstallaties voor het thermisch behandelen onderscheidenlijk het verbranden van producten van thermische behandeling, van uitsluitend:
1°.
plantaardige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw;
2°.
plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de als gevolg van de thermische behandeling van zodanige afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
3°.
vezelachtig afvalstoffen die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
4°.
afvalstoffen bestaande uit hout dat niet als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of aanbrenging van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;
5°.
afvalstoffen bestaande uit kurk;
6°.
radioactieve afvalstoffen;
7°.
geslachte dieren als bedoeld in richtlijn nr. 90/667/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 betreffende de vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn nr. 90/445/EEG (PbEG L 363), en
8°.
afvalstoffen die ontstaan zijn bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
1°. 1°. plantaardige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw; 2°. 2°. plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de als gevolg van de thermische behandeling van zodanige afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen; 3°. 3°. vezelachtig afvalstoffen die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte wordt teruggewonnen; 4°. 4°. afvalstoffen bestaande uit hout dat niet als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of aanbrenging van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten; 5°. 5°. afvalstoffen bestaande uit kurk; 6°. 6°. radioactieve afvalstoffen; 7°. 7°. geslachte dieren als bedoeld in richtlijn nr. 90/667/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 betreffende de vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn nr. 90/445/EEG (PbEG L 363), en 8°. 8°. afvalstoffen die ontstaan zijn bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
- b. experimentele verbrandingsinstallaties voor onderzoek, ontwikkeling en tests ter verbetering van het verbrandingsproces waarin per jaar minder dan 50.000 kilogram afvalstoffen wordt verwerkt; c. c. het verbranden van gasvormige afvalstoffen, met uitzondering van gasvormige afvalstoffen die het resultaat zijn van een thermische behandeling van afvalstoffen; d. d. afvalwaterzuiveringsinrichtingen waarin afvalwater wordt gezuiverd afkomstig van de onder a, b en c bedoelde verbrandingsinstallaties.
Paragraaf 2. Instructie aan de verlener van een vergunning
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
1. Het Wtw-bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor het lozen in ieder geval het voorschrift dat afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen een zodanige behandeling ondergaat dat het voorafgaand aan het lozen ten minste voldoet aan de grenswaarden genoemd in bijlage 1.
2. Het Wtw-bevoegd gezag kan voor verbrandingsinstallaties waarvoor voor 28 december 2002 een vergunning voor het lozen is verleend bepalen dat de grenswaarden voor de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen niet eerder dan 1 januari 2008 van toepassing zijn.
3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat 80% van de gemeten waarden niet meer dan 30mg/l mag bedragen en dat geen van de gemeten waarden meer dan 45 mg/l mag bedragen.
4. Het Wtw-bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor het lozen lagere grenswaarden dan bedoeld in het eerste lid, indien dat noodzakelijk is opdat de op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam van toepassing zijnde milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens de Wet milieubeheer, kunnen worden gerealiseerd.
Artikel 5
Het Wtw-bevoegd gezag stelt in de vergunning voor het lozen operationele parameters vast voor ten minste pH, temperatuur en debiet.
Artikel 6
1.
Het Wtw-bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor het lozen:
a. a. voorschriften omtrent de door de beheerder te verrichten metingen en de controle op de hoeveelheid verontreinigende stoffen in het gezuiverde afvalwater; b. b. voorschriften omtrent de te volgen bemonsterings- en meetprocedures alsmede de daarbij te gebruiken bemonsterings- en meetpunten; c. c. het voorschrift dat de beheerder representatieve metingen gebruikt ter bepaling van de concentratie van waterverontreinigende stoffen waarvoor in de vergunning grenswaarden zijn gesteld, en d. d. het voorschrift dat de beheerder de bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen uitvoert volgens de in bijlage 2 bij deze regeling genoemde normen of daaraan ten minste gelijkwaardige normen.
2.
De in het eerste lid, onder a, bedoelde voorschriften bevatten in ieder geval de volgende metingen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd:
a. a. continumetingen van pH, temperatuur en debiet; b. b. dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen of metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur; c. c. maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur van de in bijlage 1 bedoelde verontreinigende stoffen overeenkomstig de punten 2 tot en met 10 van die bijlage, en d. d. driemaandelijkse metingen van dioxinen en furanen gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden, gevolgd door zesmaandelijkse metingen.
Artikel 7
Indien op het lozen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is, zijn de artikelen 3 tot en met 6 van overeenkomstige toepassing op het bevoegd gezag ten aanzien van een omgevingsvergunning voor een inrichting waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt.
Paragraaf 3. Algemene regels
Artikel 8
Afvalwater wordt niet verdund om aan de in artikel 4 bedoelde grenswaarden te voldoen.
Artikel 9
1.
Indien het afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen binnen de verbrandingsinstallatie wordt gezuiverd tezamen met afvalwater afkomstig van een andere bron binnen de verbrandingsinstallatie verricht degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt de in artikel 6 bedoelde metingen op:
a. a. de afvalwaterstroom van de rookgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding daarvan op de afvalwaterzuiveringsinrichting; b. b. de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de afval-waterzuiveringsinrichting; c. c. het punt waar het afvalwater na de zuivering wordt geloosd.
2. Degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt bepaalt aan de hand van passende massabalansberekeningen het aandeel van de emissies in de geloosde hoeveelheid afvalwater dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een afvalwaterzuiveringsinrichting beheert waar bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd tezamen met ander afvalwater.
Artikel 10
Aan de in artikel 4 bedoelde grenswaarden wordt voldaan indien:
a. a. bij metingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen 95% en 100% van de meetwaarden de daarvoor in de vergunning gestelde respectieve grenswaarden niet overschrijden; b. b. bij metingen van zware metalen niet meer dan eenmaal per jaar de daarvoor in de vergunning gestelde grenswaarden overschreden worden, en c. c. bij de halfjaarlijkse metingen van dioxinen en furanen de daarvoor in de vergunning gestelde grenswaarden niet overschreden worden.
Artikel 11
Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de in de vergunning gestelde grenswaarden zijn overschreden stelt de beheerder de verlener van de vergunning daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 12
De beheerder controleert ten minste een maal per kalenderjaar door middel van een verificatietest of de automatische apparatuur voor de bewaking van de emissies in het water goed functioneert en draagt er zorg voor dat deze apparatuur ten minste een maal per drie kalenderjaren wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 10, derde lid, en bijlage III, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332) door een instantie die blijkens accreditatie aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000.
Artikel 13
1. De beheerder registreert, verwerkt en rapporteert de resultaten van de op grond van deze regeling verrichte metingen aan de verlener van een vergunning op een zodanige wijze dat deze kan nagaan of aan de in artikel 4 bedoelde grenswaarden wordt voldaan.
2. De verlener van een vergunning kan een procedure vaststellen omtrent de door hem te verrichten controle.
Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 14
Een wijziging van richtlijn nr. 90/667/EEG, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder 7°, en richtlijn 2000/76/EG, genoemd in artikel 12, gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 15
Wijzigt de Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 28 december 2002.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.
Bijlage 1
A. Grenswaarden voor lozingen van afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen als bedoeld in artikel 4 van de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.
Bijlage 2
Te hanteren normen voor de bemonstering en analyse van verontreinigende stoffen als bedoeld in artikel 6 van de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.
Op de bemonstering van verontreinigende stoffen is het door het Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven normblad NEN 6600-1 van toepassing.
Opsomming per parameter van de van toepassing zijnde analysemethoden, opgenomen in de hieronder genoemde, door het Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven normbladen.
De analyse van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd door middel van dubbelkoloms gaschromatografie (GC) gekoppeld aan massaspectrometrie (MS).
Zowel de waterfase als het zwevende stof worden op dioxinen en furanen geanalyseerd. Voor het bepalen van de recovery van de analysetechniek wordt gebruik gemaakt van gelabelde interne standaards.
De onder 1 en 2 opgenomen verwijzingen naar een NEN-norm hebben betrekking op de laatst uitgegeven NEN-norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling respectievelijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van uitgifte ervan.