40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling luchtvaartuiglichten | BWBR0006172 | ministeriele-regeling | geldend | 1993-10-20 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006172 | Regeling luchtvaartuiglichten |
Regeling luchtvaartuiglichten
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf . Lichten te tonen door vliegtuigen
Artikel 2
1.
In de lucht toont een vliegtuig buiten de daglichtperiode de volgende lichten:
a. a. navigatielichten, en b. b. indien het ermee is uitgerust, een rood of wit anti-botsingslicht.
2.
Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig buiten de daglichtperiode de volgende lichten:
a. a. navigatielichten en, indien het ermee is uitgerust, lichten die de spanwijdte van het vliegtuig aangeven, tenzij het tijdens parkeren voldoende wordt verlicht; b. b. indien het ermee is uitgerust, een rood anti-botsingslicht:
1º.
als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
2º.
als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
1º. 1º. als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of 2º. 2º. als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Indien een vliegtuig is uitgerust met een installatie die de navigatielichten kan laten knipperen, moeten de navigatielichten knipperend worden getoond indien het vliegtuig niet is uitgerust met een anti-botsingslicht dan wel indien het anti-botsingslicht defect is.
4. Indien de intensiteit van knipperlichten door reflectie in wolken of in mist de taakuitvoering van de vlieger nadelig beïnvloedt, is het toegestaan deze lichten te dimmen of te doven.
Artikel 3
1. In de lucht toont een vliegtuig gedurende de daglichtperiode een rood of wit anti-botsingslicht als het daarmee is uitgerust.
2.
Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig, indien het ermee is uitgerust, gedurende de daglichtperiode een rood anti-botsingslicht:
a. a. wanneer het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of b. b. wanneer een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Artikel 2, vierde lid, is gedurende de daglichtperiode van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1. Een vliegtuig op het water toont de lichten die zijn voorgeschreven voor vaartuigen, gedurende de periode en in de omstandigheden als ter plaatse is voorgeschreven voor vaartuigen.
2. Indien het onuitvoerbaar is de in het eerste lid genoemde lichten te tonen, worden lichten getoond die in eigenschappen en plaatsing zoveel mogelijk overeenkomen met die lichten.
Paragraaf . Lichten voor andere luchtvaartuigen
Artikel 5
1.
Buiten de daglichtperiode toont een luchtschip in de lucht, dat niet aan de grond of aan een vast voorwerp op de grond of in het water is vastgemaakt, de volgende lichten:
a. a. navigatielichten; b. b. aan de voorzijde een ononderbroken wit licht.
2.
Buiten de daglichtperiode toont een luchtschip in de lucht, dat onbestuurbaar is of wordt gesleept, de volgende lichten:
a. a. aan de voorzijde een ononderbroken wit licht; b. b. een heklicht; c. c. twee rondom zichtbare rode lichten, het ene loodrecht onder het andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien.
Artikel 6
1. Buiten de daglichtperiode toont een luchtschip, dat aan een landingsmast is gemeerd, aan of bij de achterzijde een ononderbroken wit licht.
2.
Buiten de daglichtperiode toont een luchtschip in de lucht, dat aan een ankerkabel vastligt, de volgende lichten:
a. a. aan de voorzijde een ononderbroken wit licht; b. b. een heklicht.
3. Buiten de daglichtperiode toont de ankerkabel waaraan het luchtschip is bevestigd twee ononderbroken witte lichten, die op ten minste vijf en ten hoogste tien meter vanaf het bovenste en onderste bevestigingspunt met een tussenruimte van vier meter zijn aangebracht.
Artikel 7
Buiten de daglichtperiode toont een ballon, die zich in de lucht bevindt en niet is vastgemaakt aan de grond of aan een vast voorwerp op de grond of in het water, een ononderbroken wit licht, dat op ten minste vijf en ten hoogste tien meter onder de mand of, bij gebreke daarvan, onder de ballon is aangebracht.
Artikel 8
Buiten de daglichtperiode toont de ankerkabel, waaraan de ballon is bevestigd, het in artikel 6, tweede lid, onder b, genoemde licht. De ballon hoeft dan geen lichten te tonen.
Artikel 9
Het besluit van de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst, de Chef van de Marinestaf en de Chef van de Luchtmachtstaf van 5 november 1985/nr. LVB/L 25692 wordt ingetrokken.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling luchtvaartuiglichten.