rijk/ministeriele-regeling/regeling-meet-en-rekenregels-verdeelmaatstaven-provinciefonds-en-gemeentefonds/BWBR0019708
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds BWBR0019708 ministeriele-regeling geldend 2006-04-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019708 Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds

Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. de ministers: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën; b. b. besluit: Besluit financiële verhouding 2001; c. c. maatstaf: verdeelmaatstaf als bedoeld in bijlage 1 en bijlage 2 bij het besluit; d. d. topografische kaart: topografische kaart (schaal 1:10 000) van de Topografische Dienst Nederland.

2. In deze regeling wordt onder een nader omschreven maatstaf verstaan: de maatstaf die met een overeenkomstige omschrijving is opgenomen in bijlage 1 of bijlage 2 bij het besluit.

Artikel 2

Voor de maatstaven waarvoor het CBS de bron is, worden de uitkomsten van de telling of berekening van het CBS gebruikt, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf 2. Verdeelmaatstaven provinciefonds

Artikel 3

1. De Minister van Financiën doet vóór 1 april van elk jaar een definitieve opgave aan de Minister van Binnenlandse Zaken van de bruto opbrengst per afzonderlijke provincie van de ontvangen provinciale opcenten op de hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting over het voorafgaande jaar.

2. De opbrengst, bedoeld in het eerste lid, wordt gewogen met het aantal opcenten dat in het betreffende jaar door de provincie is geheven in de periode tot 1 april en de periode vanaf 1 april in de verhouding 3 : 9.

Artikel 4

1. De inwoners stedelijk gebied, bedoeld in maatstaf 3a van bijlage 1 bij het besluit, is het aantal inwoners van rastervierkanten met een omgevingsadressendichtheid die groter is dan of gelijk is aan 1500 adressen per vierkante kilometer;

2. De inwoners landelijk gebied bedoeld in maatstaf 3b van bijlage 1 bij het besluit is het aantal inwoners van rastervierkanten met een omgevingsadressendichtheid die kleiner is dan 1000 adressen per vierkante kilometer.

Artikel 5

De maatstaf oppervlak agrarisch en natuurterrein omvat het totaal van de statistiek landbouw en de statistiek bos en natuur.

Artikel 6

De maatstaf gewogen weglengte wordt als volgt vastgesteld:

Paragraaf 3. Verdeelmaatstaven gemeentefonds

Artikel 7

1. Met personen afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba van de eerste of tweede generatie, bedoeld in de maatstaf minderheden, worden personen bedoeld waarvan ten minste één ouder is geboren in Turkije, Marokko, Suriname of op Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2. Houders van een verblijfsvergunning op grond van asiel zijn personen aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdeel c of d, van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend.

Artikel 8

1. Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern, bedoeld in de maatstaf klantenpotentieel lokaal, is het aantal aan een woonkern toegedeelde inwoners.

2. Ter berekening van het klantenpotentieel lokaal wordt het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern toegedeeld aan die woonkern zelf en aan de woonkernen in de lokale omgeving van die woonkern.

3. De woonkernen in de lokale omgeving van een woonkern zijn de woonkernen waarvan de adressenzwaartepunten liggen binnen een afstand van 20 kilometer tot die woonkern.

4. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern bestaat uit het aantal inwoners van de woonkern, vermeerderd met een aandeel van de in de gemeente waarbinnen de woonkern is gelegen, niet in enige woonkern wonende inwoners. Het aandeel is gelijk aan het aandeel van de inwoners van de woonkern in het totaal aantal in een woonkern binnen de gemeente wonende inwoners.

5. De toedeling aan de woonkernen geschiedt evenredig aan het gecorrigeerde aantal inwoners van die woonkernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die woonkernen. Daarbij wordt de afstand van de woonkern tot zichzelf op 1 kilometer vastgesteld.

6. De in het tweede lid bedoelde afstand tussen twee kernen is de hemelsbreed gemeten afstand tussen de adressenzwaartepunten van die kernen in kilometers.

7. De coördinaten van een adressenzwaartepunt worden bepaald door het gewogen gemiddelde te bepalen van de coördinaten van de middelpunten van de rastervierkanten die de kern vormen. De weging geschiedt op basis van het aantal adressen per rastervierkant.

Artikel 9

1. Het aantal potentiële regionale klanten van een woonkern, bedoeld in de maatstaf klantenpotentieel regionaal, is het aantal aan een woonkern in de regionale omgeving toegedeelde inwoners.

2. Ter berekening van het aantal aan een woonkern in de regionale omgeving toegedeelde aantal inwoners wordt het gecorrigeerde aantal inwoners toegedeeld aan die woonkern zelf en aan de woonkernen in de regionale omgeving van die woonkern.

3.

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. a. de woonkernen in de regionale omgeving van een woonkern, de woonkernen zijn die liggen binnen een afstand van 60 kilometer tot de woonkern; b. b. de toedeling aan de woonkernen evenredig geschiedt aan het kwadraat van het gecorrigeerde aantal inwoners van die woonkernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die woonkernen.

Artikel 10

1.

Het aantal leerlingen bedoeld in de leerlingmaatstaf betreft de leerlingen die de volgende typen onderwijs volgen:

a. a. onderwijs bedoeld onder 1: onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; b. b. onderwijs bedoeld onder 2:

        1°.
        praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
      
      
        2°.
        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;

1°. 1°. praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of 2°. 2°. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; c. c. onderwijs bedoeld onder 3: voortgezet onderwijs voor zover het onderwijs betreft als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met c, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

2.

Correctie vindt plaats door het aantal leerlingen dat het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, volgt, te vermenigvuldigen met:

a. a. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onder 1°: 1,98; b. b. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°: 3,46; met dien verstande dat indien is bepaald dat het onderwijs wordt gegeven aan groepen van 2, 3 of 6 leerlingen het aantal leerlingen daarenboven wordt vermenigvuldigd met respectievelijk 4,30, 2,86, of 1,43; c. c. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c: 0,80.

Artikel 11

De maatstaf extra groei leerlingen streekscholen wordt als volgt berekend: het gecorrigeerd aantal leerlingen bedoeld in maatstaf 15 onder 2 en 3, wordt verminderd met 8,3% van het totaal aantal inwoners bedoeld in de maatstaf inwoners. Een negatieve uitkomst wordt op 0 gesteld.

Artikel 12

1. Tot het binnenwater wordt gerekend water met een breedte van ten minste 6 meter of een oppervlak van meer dan 1 hectare. De omschrijvingen van het binnenwater van het CBS zijn van toepassing, met uitzondering van het IJsselmeer.

2. Tot het binnenwater behoren tevens die delen van de Waddenzee, de Eems, de Dollard, de Noordzee de Ooster- en de Westerschelde en het IJsselmeer die liggen tussen havenhoofden en strekdammen.

Artikel 13

1. Het aantal hectaren buitenwater van de gemeente bedraagt maximaal 10.000 hectare.

2. Het water in natuurlijke inhammen, kreken in kwelders en schorrengebieden wordt als buitenwater aangemerkt.

3. Het IJsselmeer wordt als buitenwater aangemerkt.

Artikel 14

1. De grens tussen land en buitenwater ligt op de gemiddelde hoogwaterlijn zoals aangegeven op de meest recente topografische kaart.

2. Pieren, strekdammen en havenhoofden die aan het land grenzen worden als land beschouwd, indien zij op de topografische kaart zijn aangegeven.

3. Pieren, strekdammen en havenhoofden die niet aan het land grenzen worden als land beschouwd indien zij bij gemiddeld hoog water 0,1 hectaren of meer beslaan.

4. De peilerdam in de Oosterschelde wordt als land beschouwd.

5. Indien de gemiddelde hoogwaterlijn op de meest recente topografische kaart in een gemeente sterk afwijkt van de gemiddelde hoogwaterlijn op de voorlaatste topografische kaart en de gemeente ten gevolge van deze afwijking een onevenredig groot financieel nadeel ondervindt, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten voor deze gemeente uit te blijven gaan van de voorlaatste topografische kaart.

Artikel 15

De grens tussen binnen- en buitenwater ligt bij vrij in zee uitmondende rivieren zonder strekdammen of havenhoofden op een denkbeeldige lijn ter hoogte van de hoogwaterlijn langs de kust. Bij pieren, strekdammen of havenhoofden ligt de grens op de denkbeeldige lijn die wordt gevormd door de verbinding van de uiteinden van de pieren, strekdammen of havenhoofden.

Artikel 16

1. Het water van natuurlijke inhammen wordt als binnenwater beschouwd, indien er een economische functie is ten behoeve van het achterland.

2. Het water van de kreken in kwelder en schorrengebieden wordt als buitenwater beschouwd.

Artikel 17

Voor de bepaling van de gemeentegrens van de gemeenten die grenzen aan de Eems en de Dollard wordt uitgegaan van de rijksgrens overeenkomstig de Nederlandse rechtsopvatting zoals in kaart gebracht bij de Aanvullende Overeenkomst bij het op 8 april 1960 voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ondertekende Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag).

Artikel 18

1. De oeverlengte, bedoeld in de maatstaven opgenomen in bijlage 2 bij het besluit onder nummer 34 en 35, is de lengte van de omtrek van de vlakken water volgens de digitale topografische kaart, schaal 1:10.000, in hectometers.

2. Buiten beschouwing wordt gelaten: waterlopen smaller dan 6 meter en wateroppervlakten kleiner dan 50 m^2 .

3. Bij de bepaling van de oeverlengte zijn de lijnen die de begrenzing vormen tussen buitenwater en land, respectievelijk buitenwater en binnenwater, uitgesloten.

Artikel 19

1. Het percentage slechte grond van een gemeente, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, is het percentage van het totale oppervlak van land en binnenwater binnen de gemeente dat wordt ingenomen door slechte grond, voorzover deze is gelegen onder land of onder binnenwater smaller dan 100 meter. Dit percentage wordt verminderd met 25 procentpunt. Een negatieve uitkomst wordt op nul gesteld.

2.

De bodemfactor van een gemeente of van een deelgebied binnen een gemeente, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het besluit, is het gewogen gemiddelde aandeel van de verschillende grondsoorten in het totale oppervlak van land en binnenwater binnen deze gemeente of dat deelgebied. De wegingsfactoren voor de verschillende grondsoorten zijn:

a. a. goede grond en water 1,00; b. b. kleigebied: 1,30; c. c. kleiveengebied: 1,45; d. d. veengebied: 1,60.

3. De totale oppervlakken land en binnenwater in het eerste en tweede lid hebben betrekking op land en binnenwater als bedoeld in de verdeelmaatstaven, vermeld onder de nummers 16 en 19 van bijlage 2.

Artikel 20

De grondoppervlakte bebouwing wordt vastgesteld aan de hand van periodieke metingen van de topografische dienst. Tussen de metingen worden per gemeente de gegevens van de grondoppervlakte bebouwing van de laatste meting geïndexeerd, rekening houdend met de indeling naar stedelijkheid volgens de indexeringsmethode van het CBS.

Artikel 21

De oppervlakte van de historische kernen en de lengte van de historische waterwegen wordt vastgesteld als aangegeven in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 22

De bewoonde oorden 1930 en het aantal woningen 1930 in het bewoonde oord of in een bewoond oord tevens historische kern wordt vastgesteld als aangegeven in bijlage 2 bij deze regeling

Artikel 23

1.

De totalen van de eigen bijdragen stedelijke vernieuwing die via de algemene uitkering worden gecompenseerd, bedragen:

a. a. voor de jaren 2003 t/m 2005: € 23.472.890,33 voor het onderdeel (a) stadsvernieuwing en € 13.335.875,96 voor het onderdeel (b) herstructurering; b. b. voor de jaren 2006 en volgende: € 22.207.381,03 voor het onderdeel (a) stadsvernieuwing en € 18.234.822,04 voor het onderdeel (b) herstructurering.

2. De aandelen van de gemeenten in deze bedragen worden op grond van het verdeelmodel van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing vastgesteld als aangegeven in bijlage 3 bij deze regeling, kolommen 2 t/m 5.

3. De wijziging in de bedragen ten opzichte van de voormalige maatstaf Stadsvernieuwing wordt in tien gelijke stappen doorgevoerd. Op grond hiervan gelden voor de jaren 2003 tot en met 2011 correctiebedragen als weergegeven in bijlage 3, kolommen 6 tot en met 14.

Artikel 24

Het totaal aantal bedrijfsvestigingen per gemeente wordt afgerond op vijftallen.

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Artikel 25

Wijzigt de Regeling belastingcapaciteit.

Artikel 26

Wijzigt de Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds.

Artikel 27

De Regeling Meet- en rekenregels verdeelmaatstaven en vaststelling kilometers gewogen weglengte provinciefonds wordt ingetrokken

Artikel 28

De Regeling Meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds wordt ingetrokken

Artikel 29

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Artikel 23, eerste lid, onderdeel a werkt terug tot en met 1 januari 2003.

3. Artikel 23, eerste lid, onderdeel b werkt terug tot en met 1 januari 2006.

4. Artikel 26, onderdeel B, werkt terug tot en met 1 januari 2005.

Artikel 30

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds.

Bijlage 1. De historische kernen en het historisch water (bijlage bij artikel 21 van de

Bijlage 2. De bewoonde oorden 1930 (bijlage bij artikel 22 van de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds 2004)

Bijlage 3. Maatstaf stedelijke vernieuwing en overgangsmaatregel 20032011 (bijlage bij artikel 23 van de Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds 2004).