40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A | BWBR0004150 | ministeriele-regeling | geldend | 1987-05-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0004150 | Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A |
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
Voor de berekening van de uitworp van een stookinstallatie geldt als het volume van het rookgas het volume bij een temperatuur van 273 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal, na aftrek van het volume van het erin aanwezige water, berekend als waterdamp.
Hoofdstuk 2. Controlemethoden
Paragraaf 1. Meetplaatsen
Artikel 3
1. Bij stookinstallaties waarbij krachtens het besluit metingen moeten worden uitgevoerd, dienen zodanige voorzieningen te worden aangebracht, dat het uitvoeren van deze metingen op verantwoorde wijze mogelijk is.
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, dienen te worden aangebracht na overleg met de vergunningverlener of na overleg met een door de vergunningverlener aan te wijzen instelling.
Paragraaf 2. Continue metingen
Artikel 4
1. De ter controle van een emissie-eis geïnstalleerde monstername- en analyse-apparatuur, alsmede de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten dient zo spoedig mogelijk nadat de emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing is geworden, goed te functioneren.
2. De apparatuur als bedoeld in het eerste lid dient zodanig te worden onderhouden, dat het goed functioneren zoveel mogelijk blijft gewaarborgd.
3. Bij een continue meting dient te kunnen worden aangetoond dat zoveel als mogelijk is met goed functionerende apparatuur is gemeten.
4.
Het goed functioneren dient door of vanwege de vergunninghouder te kunnen worden aangetoond. Daarbij dient voor de gehaltebepaling:
a. a. van zwaveldioxide de internationale norm ISO 7934, b. b. van stikstofoxiden de norm NEN 2044, c. c. van stof de richtlijn NPR 2788, te worden toegepast.
Artikel 5
1.
Ingeval de werking van de apparatuur als bedoeld in artikel 4, eerste lid, gestoord is, dienen:
a. a. onverwijld de nodige maatregelen te worden genomen om aan de storing een einde te maken; b. b. geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie te worden aangebracht, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten verontreinigende stof te weeg kunnen brengen.
2. Indien een storing langer duurt dan 48 uur dient onverwijld de vergunningverlener te worden gewaarschuwd.
Paragraaf . Zwaveldioxide
Artikel 6
De rechtstreekse continue meting van de concentratie aan zwaveldioxide in het rookgas dient te worden uitgevoerd met monstername- en analyse-apparatuur, die voldoet aan de kwaliteitseisen als vermeld in de ontwerpnorm ISO/DIS 7935.
Artikel 7
De continue meting van het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen dient te worden uitgevoerd met een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
Artikel 8
1. Het ontzwavelingspercentage dient dagelijks te worden bepaald op basis van het etmaalgemiddelde van de met de brandstof toegevoerde massahoeveelheid zwavelverbindingen berekend als zwavel en het etmaalgemiddelde van de met het rookgas uitgeworpen massahoeveelheid zwavelverbindingen berekend als zwavel.
2. Bij een stookinstallatie voor kolen mag, indien dat nodig is voor de berekening van het ontzwavelingspercentage, de hoeveelheid zwavelverbindingen in de as worden gemeten met een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk, of worden gesteld op 5% van de hoeveelheid zwavelverbindingen in de kolen, berekend als zwavel.
Paragraaf . Stikstofoxiden
Artikel 9
De rechtstreekse continue meting van de concentratie aan stikstofoxiden in het rookgas dient te worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
Artikel 10
1. Bij toepassing van een methode, als bedoeld in artikel 9, kan worden volstaan met het continu meten van de concentratie aan stikstofmonoxide, indien kan worden aangetoond dat het gehalte aan stikstofoxide kleiner is dan 10% van het gehalte aan stikstofoxiden.
2. Het aantonen als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden aan de hand van een meting volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode, indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
3. Bij toepassing van het eerste lid dient de continu gemeten massaconcentratie aan stikstofmonoxide, berekend als stikstofdioxide, verhoudingsgewijs te worden vermeerderd met het bij de metingen, bedoeld in het tweede lid, bepaalde gehalte aan stikstofdioxide.
Artikel 11
1. Indien de concentratie aan stikstofdioxiden in de rookgassen wordt bepaald aan de hand van een uitworpkarakteristiek als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder b, van het besluit, moet de stookinstallatie op zodanige wijze worden gebruikt dat de uitworpkarakteristiek daarop van toepassing is.
2. De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallaties worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.
3. Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.
4. In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode, indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en tenminste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
5. Bij toepassing van artikel 38, derde lid, onder b, van het besluit op een gasturbine of gasturbine-installatie dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.
6. Continue meting van een parameter als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder b, van het besluit dient te worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming van de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
Paragraaf . Stof
Artikel 12
Continue meting voor de bepaling van de concentratie aan stof in het rookgas dient te worden uitgevoerd met een optische rookdichtheidsmeter.
Paragraaf . Overige parameters
Artikel 13
1. Bij een continue meting als bedoeld in de artikelen 6, 7, 9, of 12 dienen tevens alle parameters continu te worden gemeten, die noodzakelijk zijn om vast te stellen of aan de van toepassing zijnde emissie-eis is voldaan.
2. Continue meting van een parameter, als bedoeld in het eerste lid, dient te worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
Paragraaf . Registratie en bewerking van meetgegevens
Artikel 14
1. Bij een continue meting dienen de meetresultaten continu te worden geregistreerd.
2.
Tevens dient te worden geregistreerd:
a. a. de voor een component en de voor een parameter toegepaste meetmethode; b. b. voor zover van toepassing, de vastgestelde uitworpkarakteristiek; c. c. de bedrijfscondities van de stookinstallaties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan.
Artikel 15
1.
Aan de hand van de ingevolge artikel 14 geregistreerde gegevens dient, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid en betrokken op de werkelijke tijd dat de stookinstallatie in gebruik is, te worden berekend en vervolgens geregistreerd:
a. a. indien onderscheidenlijk artikel 34, artikel 38, vierde lid of artikel 43, eerste lid, juncto artikel 34 van het besluit van toepassing is, van de massaconcentratie aan onderscheidenlijk zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof in het rookgas:
1º.
elke kalenderdag, van de twee voorafgaande kalenderdagen, het 48-uursgemiddelde en
2º.
van elke kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde;
1º. 1º. elke kalenderdag, van de twee voorafgaande kalenderdagen, het 48-uursgemiddelde en 2º. 2º. van elke kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde; b. b. indien artikel 40, eerste lid, onder a, van het besluit van toepassing is, van iedere kalenderdag het 24-uursgemiddelde en indien artikel 40, eerste lid, onder b, van toepassing is van ieder opeenvolgend half uur het halfuurgemiddelde van de met de rookgassen uitgeworpen hoeveelheid stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxide en herleid naar grammen per Gigajoule Bij ISO-luchtcondities.
2. De gemiddelde waarden, bedoeld in het eerste lid, onder a, dienen te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in artikel 4, eerste lid, van het besluit.
3. De gemiddelde waarden bedoeld in het eerste lid, onder a, dienen in klassen te worden ingedeeld en per kalenderjaar als percentielwaarden te worden geregistreerd.
4. De klassen, bedoeld in het derde lid, dienen zodanig te zijn vastgesteld, dat toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 34, 38, vierde lid en 43, eerste lid, juncto 34 van het besluit.
Artikel 16
1.
Voor de herleiding naar ISO-luchtcondities als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b, dient de volgende formule te worden toegepast:
E = stikstofoxidenuitworp herleid tot ISO-luchtcondities
E_m = gemeten stikstofoxidenuitworp
P_ref = compressor einddruk (absoluut) onder ISO-luchtcondities
P_m = gemeten compressor einddruk (absoluut)
T_m = inlaatlucht temperatuur (Kelvin)
x_m = gemeten vochtgehalte van de inlaatlucht (in kg water per kg droge lucht).
2. In afwijking van het eerste lid mag een andere formule worden toegepast indien kan worden aangetoond, dat toepassing daarvan een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van de formule vermeld in het eerste lid.
Paragraaf 3. Afzonderlijke metingen
Artikel 17
1.
De afzonderlijke metingen voor de bepaling van de concentraties aan:
a. a. zwaveldioxide dienen te worden uitgevoerd volgens de internationale norm ISO 7934; b. b. stikstofdioxiden dienen te worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2044; c. c. stoffen dienen te worden uitgevoerd volgens de richtlijn NPR 2788.
2.
In afwijking van het eerste lid, onder a en b, mogen de afzonderlijke metingen voor de bepaling van de concentraties aan:
a. a. zwaveldioxiden worden uitgevoerd met apparatuur die voldoet aan kwaliteitseisen als vermeld in de ontwerpnorm ISO/DIS 7935; b. b. stikstofoxiden worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode, indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en tenminste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
3. Indien een methode als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt toegepast, is artikel 4, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
1. Een afzonderlijke meting bestaat uit een serie van ten minste drie metingen.
2.
De duur van een meting dient niet meer dan een half uur te bedragen.
Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is de meting in die tijd uit te voeren mag de meting ten hoogste twee uur bedragen.
3. In afwijking van het tweede lid dient bij toepassing van de norm NEN 2044 per meting binnen een half uur vier monsters van het rookgas te worden getrokken en van alle monsters de concentratie aan stifstofoxiden te worden bepaald.
4. Bij toepassing van artikel 36, tweede lid, van het besluit dient een serie van negen metingen te worden verricht.
5. De serie van negen metingen, bedoeld in het vierde lid, dient binnen een periode van een week te worden uitgevoerd. Het tweede en derde lid zijn van toepassing.
Artikel 19
1. Bij een afzonderlijke meting dienen tevens die parameters te worden bepaald, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis is voldaan.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag voor de vaststelling van de uitworp van stifstofoxiden met het rookgas bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een zelfaanzuigende zuigermotor in plaats van de bepaling van de volumehoeveelheid aangezogen lucht het door de leverancier van de stookinstallatie opgegeven luchtverbruik van die stookinstallatie gehanteerd worden.
3. De bepaling van een parameter als bedoeld in het eerste lid, dient te worden uitgevoerd tegelijk met de ingevolge artikel 18, eerste of vierde lid, uit te voeren metingen en met een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk. Artikel 18, tweede en derde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1. Bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een zuigermotor dient de gemeten concentratie aan stikstofoxiden in het rookgas te worden herleid op grammen per Gigajoule bij ISO-luchtcondities.
2. Bij andere rookinstallaties dan bedoeld in het eerste lid dienen de op grond van artikel 18 en 19 verkregen meetresultaten te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in artikel 4, eerste lid, van het besluit.
3. De na toepassing van het eerste of het tweede lid verkregen waarde dient als halfuurgemiddelde te worden berekend en geregistreerd.
Artikel 21
1. Bij een gasturbine of gasturbine-installatie is voor de herleiding naar ISO-luchtcondities artikel 16 van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij een zuigermotor mag:
a. a. indien tijdens de afzonderlijke meting de temperatuur van de aangezogen lucht lager is dan 288 Kelvin en de vochtigheid van de aangezogen lucht hoger is dan 0,0063 kg water per kg lucht, de gemeten waarde gelijk worden gesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde; b. b. in de andere gevallen dan die bedoeld onder a, 95% van de gemeten waarde gelijk worden gesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde.
3. In afwijking van het tweede lid mag de herleiding naar ISO-luchtcondities geschieden op een andere wijze, indien kan worden aangetoond dat zulks een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 22
Bij de metingen als bedoeld in het artikel 18, vierde lid, gelden de emissie-eisen als in acht genomen, indien:
a. a. het gemiddelde van de met toepassing van de artikelen 19 en 20 verkregen meetuitkomsten van deze serie van negen metingen lager ligt dan de getalwaarde van de emissie-eis, en b. b. acht van de negen meetuitkomsten, bedoeld onder a, lager liggen dan de getalwaarde van de emissie-eis.
Artikel 23
De meetresultaten van de ingevolge de artikelen 18 en 19 uitgevoerde metingen en de bewerking daarvan ingevolge de artikelen 20, 21 en 22 dienen in een rapport te worden vastgelegd. Tevens dient daarin te worden vermeld:
a. a. de voor elke component of parameter toegepaste meetmethode; b. b. de bedrijfscondities van de stookinstallatie voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 23a
1.
Voor de vaststelling van de uitworp aan zwaveldioxide in de rookgassen van stookinstallaties in een raffinaderij dient, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en betrokken op de werkelijke tijd dat de stookinstallatie in gebruik is, te worden berekend en vervolgens te worden geregistreerd:
a. a. indien artikel 37, vijfde lid, van het besluit van toepassing is, van iedere kalenderdag het 24-uursgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen; b. b.
indien 37, zesde lid, van toepassing is,
1º.
iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en,
2º.
van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
1º. 1º. iedere kalenderdag, van de twee voorafgaande dagen, het 48-uursgemiddelde en, 2º. 2º. van iedere kalendermaand, het kalendermaandgemiddelde van de massaconcentratie aan zwaveldioxide in de rookgassen;
2. Voor zover de uitworp aan zwaveldioxide afkomstig van stookinstallaties in een raffinaderij wordt bepaald door continue meting dient de berekening, bedoeld in het eerste lid, te geschieden aan de hand van de ingevolge artikel 14 voor de betreffende stookinstallaties geregistreerde gegevens.
3. De gemiddelde waarden bedoeld in het eerste lid, dienen te worden herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof als bepaald in artikel 4, eerste lid, van het besluit.
4. De 48-uursgemiddelde waarden verkregen na toepassing van het eerste, tweede en derde lid, dienen in klassen te worden ingedeeld en per kalenderjaar als percentielwaarden te worden geregistreerd.
5. De klassen, bedoeld in het vierde lid, dienen zodanig te zijn vastgesteld, dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 37, zesde lid, van het besluit.
Artikel 24
1. Voor de bemonstering van een brandstof en voor de bepaling van het zwavelgehalte van een brandstof is het Besluit bepalingsmethode zwavelgehalte brandstoffen (Stcrt. 1974, 215) van toepassing.
2. De bepaling van het stikstofgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 3228.
3. De bepaling van het asgehalte van een vloeibare brandstof dient te geschieden volgens de methode ASTM D 482.
4. De bepaling van het stofgehalte van een gasvormige brandstof dient te geschieden volgens de richtlijn NPR 2788.
5.
De bepaling van de stookwaarde van een brandstof dient, tenzij het zesde lid wordt toegepast, te geschieden:
1º . 1º . bij vaste brandstoffen volgens de norm NEN-ISO 1928; 2º . 2º . bij zware stookolie volgens de norm NEN 1884; 3º . 3º . bij andere vloeibare brandstoffen volgens de methode ASTM D 2382; 4º . 4º . bij gasvormige brandstoffen volgens de methode ASTM D 1826.
6. Indien voor de stookwaarde van een vloeibare brandstof of van aardgas een in de praktijk gangbare waarde beschikbaar is, mag deze waarde worden gehanteerd.
7.
In afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid mogen ook andere methoden worden toegepast, indien kan worden aangetoond dat met deze andere methode:
a. a. meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen volgens de desbetreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid, en b. b. een gelijke of betere herhaalbaarheid wordt verkregen dan met de betreffende methode genoemd in het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 25
1. Indien artikel 10 van het besluit van toepassing is, dient het rookgasdebiet te worden berekend aan de hand van het brandstofdebiet en de brandstofsamenstelling.
2. In afwijking van het eerste lid mag, indien een afzonderlijke meting wordt uitgevoerd, het rookgasdebiet ook worden bepaald volgens de methode vermeld in de richtlijn NPR 2788.
3. Voor de brandstofsamenstelling kan worden volstaan met de gegevens over het koolstofgehalte, het waterstofgehalte en de onverbrandbare bestanddelen.
Artikel 25a
1.
De raming van de totale uitgeworpen massahoeveelheid zwaveldioxide als bedoeld in artikel 43a, tweede lid, van het besluit geschiedt:
a. a. indien de uitworp van een stookinstallatie wordt bepaald door een afzonderlijke meting: op basis van de in een kalenderjaar gemiddelde belasting en het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie, alsmede van het resultaat van de meest recente afzonderlijke meting die ter voldoening aan het besluit is uitgevoerd; b. b. indien de uitworp wordt bepaald met toepassing van artikel 33, of 37, eerste lid, van het besluit: op basis van de in het kalenderjaar ingezette hoeveelheid van elke brandstof en het zwavelgehalte daarvan.
2. Voor de raming van de uitworp aan stikstofoxiden als bedoeld in artikel 43a, tweede lid, van het besluit is het bepaalde in het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 26
Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking op het tijdstip, waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging in werking treedt.
Artikel 27
Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A.