rijk/ministeriele-regeling/regeling-nadere-eisen-aan-vuurwerk-2004/BWBR0016412
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 BWBR0016412 ministeriele-regeling geldend 2008-05-21 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016412 Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. lont: onderdeel van het vuurwerk waardoor de gebruiker in staat wordt gesteld het vuurwerk tot ontbranding te brengen; b. b. lading: samenstelling van de sas en de hoeveelheid sas in vuurwerk; c. c. zwart buskruit: mengsel bestaande uit houtskool en natriumnitraat of kaliumnitraat met of zonder zwavel, met een maximale verontreiniging van 3%; d. d. knal: het beoogde geluidseffect ten gevolge van een explosieve verbranding van zwart buskruit opgesloten in een afzonderlijk compartiment; e. e. burst: het effect ten gevolge van een explosieve verbranding van een lading met als doel om effectladingen aan te steken en te verspreiden; f. f. indoortheatervuurwerk: theatervuurwerk dat geschikt is voor de realisatie van pyrotechnische speciale effecten in besloten ruimten; g. g. elektrische ontsteker: een voorwerp waarmee, middels een gespecificeerde minimale hoeveelheid elektrische energie, een stof of voorwerp tot ontbranding of ontsteking gebracht wordt; h. h. sterren: delen of onderdelen van pyrotechnische voorwerpen in vaste vorm (bol, cilinder, korrel) die bij verbranding een lichtspoor of een spoor van vonken veroorzaken; i. i. vonken: hete deeltjes die een kortstondig lichteffect veroorzaken; j. j. scherven: delen of onderdelen van de constructieve elementen van pyrotechnische stoffen en voorwerpen, die een (onbedoeld) gevaar voor personen kunnen opleveren in de vorm van verwonding of ander letsel; k. k. scherfwerking: een eigenschap van stoffen, voorwerpen of producten om scherven te veroorzaken; l. l. bijlage: bij deze regeling behorende bijlage; m. m. pyrotechnische unit: afzonderlijke eenheid die een pyrotechnisch effect teweegbrengt; n. n. compartiment: afgesloten deel van vuurwerk dat een of meer pyrotechnische units bevat.

Artikel 2

1. Het in bijlage I vermelde vuurwerk wordt aangewezen als fop- en schertsvuurwerk.

2. Het in bijlage I vermelde vuurwerk voldoet aan de in die bijlage gestelde eisen met betrekking tot de lading.

Artikel 3

Consumentenvuurwerk en theatervuurwerk mag niet de stoffen bevatten vermeld in bijlage II.

Artikel 4

1. De houder van een sterretje is vervaardigd van een materiaal, dat niet kan smelten bij de temperatuur van de brandende lading en dat niet tot zelfontbranding kan overgaan.

2. De houder van een sterretje mag, nadat het in een horizontale positie volledig heeft gefunctioneerd, niet meer dan 45° zijn gebogen, gemeten op het overgangspunt metaal/pyrotechnisch materiaal naar de punt van het sterretje.

Artikel 5

1. Consumentenvuurwerk voorzien van een lont heeft een ontsteekvertraging van ten minste 3 en ten hoogste 8 seconden. Consumentenvuurwerk is slechts voorzien van één lont.

2. De lont is zodanig samengesteld, dat het verloop van de ontsteking tot het moment van de ontbranding van het consumentenvuurwerk bij voortduring zichtbaar is.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op Romeinse kaarsen.

4. Consumentenvuurwerk is niet voorzien van een wrijvingsontsteker.

Artikel 6

1. Metalen houders en sluitingen van consumentenvuurwerk hebben een zodanige sterkte, dat zij na de ontsteking niet uiteen worden gereten door het functioneren van het vuurwerk.

2. Onderdelen van zichzelf voortdrijvend consumentenvuurwerk, die bestemd zijn om een roterend of voortbewegend effect van dat vuurwerk te veroorzaken, zijn niet vervaardigd van metaal.

3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid mag de motorhuls van zichzelf voortdrijvend consumentenvuurwerk, bestemd om uitsluitend een opstijgend, niet roterend effect van dat vuurwerk te veroorzaken, met een totale lading van ten minste 15 gram, zijn vervaardigd van aluminium.

4. Consumentenvuurwerk dat als hoofdeffect het genereren en verspreiden van rook heeft, is verboden.

5. Het brutogewicht van een consumentenvuurwerkartikel bedraagt niet meer dan 10 kg.

Artikel 7

Consumentenvuurwerk dat een roterende beweging maakt, is niet aan een stok of een draad bevestigd.

Artikel 8

Consumentenvuurwerk is niet herlaadbaar.

Artikel 9

1. De lading, constructie en eigenschappen van consumentenvuurwerk voldoen aan de in bijlage III per categorie gestelde eisen.

2. Consumentenvuurwerk is niet voorzien van een burst.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op consumentenvuurwerk dat behoort tot categorie C of D2 van bijlage III.

4. Vuurwerk van categorie B, C1, C2, F en G van bijlage III mag tijdens het functioneren niet omvallen.

5. Hulpstukken, die dienen om de stabiliteit van het in het vierde lid bedoelde vuurwerk te verbeteren, zijn onlosmakelijk verbonden met het vuurwerk.

6. Voor de beoordeling of consumentenvuurwerk voldoet aan het vierde lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage IV vastgestelde methode van onderzoek.

Artikel 10

1. Ontsteking van naastliggende compartimenten bij gecompartimenteerd consumentenvuurwerk anders dan via de doorverbindlont, is niet mogelijk.

2. Roterend consumentenvuurwerk is zodanig samengesteld dat de voortdrijvende werking ervan, of van onderdelen ervan, beperkt is tot een afstand van 2 meter van de plaats van ontsteking.

3. Bij zichzelf niet voortdrijvend consumentenvuurwerk met uitsluitend lichteffect is de dracht van de vrijkomende delen van de lading beperkt tot een afstand van ten hoogste twee meter van de plaats van ontsteking.

Artikel 11

Consumentenvuurwerk mag niet door gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen de indruk wekken dat het vuurwerk niet voldoet aan de in deze regeling aan consumentenvuurwerk gestelde eisen.

Artikel 12

1. Theatervuurwerk bevat geen brandbare vloeistoffen.

2. Theatervuurwerk mag voorzien zijn van een elektrische ontsteker.

3. Theatervuurwerk bevat geen detonabele stoffen of voorwerpen.

4. Metalen, papieren of kunststof compartimenten, houders en sluitingen van theatervuurwerk hebben een zodanige sterkte dat zij na de ontsteking niet uiteen worden gereten door het functioneren van het theatervuurwerk.

5. Delen of onderdelen van theatervuurwerk die na ontsteking uitgeworpen worden, mogen niet zijn vervaardigd van metaal of zijn voorzien van een burst.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing op vuurwerk van de categorie RR.

7. Theatervuurwerk dat bedoeld is om te worden afgevuurd vanaf een vlakke ondergrond, en dat niet wordt gesteund door enig andere constructie, moet zodanig geconstrueerd zijn dat het niet omvalt tijdens het functioneren.

8. Voor de beoordeling of theatervuurwerk voldoet aan het zesde lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage IV vastgestelde methode van onderzoek.

9. Theatervuurwerk mag alleen scherfwerking vertonen voor zover dit door de fabrikant of importeur is aangegeven en mede door de fabrikant of importeur is aangegeven met welke maatregelen en voorzieningen deze scherfwerking opgeheven kan worden.

Artikel 13

Het in bijlage V vermelde vuurwerk wordt aangewezen als theatervuurwerk voor zover het voldoet aan de in die bijlage gestelde eisen met betrekking tot de lading.

Artikel 14

1. Consumentenvuurwerk dat behoort tot categorie A1 of E1 van bijlage III levert bij het ontbranden een zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen geluidexpositieniveau L AE op 2 meter afstand niet meer bedraagt dan 116 dB. Consumentenvuurwerk dat behoort tot categorie A2 van bijlage III levert bij het ontbranden van het gehele artikel een zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen geluidexpositieniveau L_AE op 6 meter afstand niet meer bedraagt dan 140,6 dB en levert bij het ontbranden van een enkel compartiment een zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen geluidexpositieniveau L_AE op 2 meter afstand niet meer bedraagt dan 116 dB.

2. Voor de beoordeling of consumentenvuurwerk voldoet aan het eerste lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage VI vastgestelde methode van onderzoek.

Artikel 15

De Regeling nadere eisen aan vuurwerk wordt ingetrokken.

Artikel 15a

Deze regeling berust mede op artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004.

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten (Stb. 26) in werking treedt, met dien verstande dat:

a. a. het verbod op de ingevolge artikel 3 in bijlage II, onder 8 genoemde stoffen in werking treedt met ingang van 1 maart 2005; b. b.

    artikel 6, vierde lid, in werking treedt met ingang van 25 oktober 2004.

Bijlage I

Fop- en schertsvuurwerk (artikel 2, eerste en tweede lid)

Bijlage II

Stoffen die niet mogen voorkomen in consumentenvuurwerk en theatervuurwerk (artikel 3)

Bijlage III. Eisen met betrekking tot de lading, constructie en eigenschappen per categorie consumentenvuurwerk (

A. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten;

A1. niet-gecompartimenteerd  lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram;

A2. gecompartimenteerd, zoals snoeren, strengen of zevenklappers  lading: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 0,5 gram.

B. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een geleidelijke uitstoot van het effect op de grond tot een maximale hoogte van 5 meter;

B1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 100 gram;

B2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 100 gram.

C. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten; indien zich in het vuurwerk een bursteffect bevindt, dient dit pas boven een hoogte van 5 meter tot ontbranding te komen;

C1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram en een lading per compartiment van ten hoogste 15 gram; de totale lading van de burst mag per compartiment maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;

C3. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met twee of meer pyrotechnische units tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50 gram waarbij de lading per pyrotechnische unit niet meer bedraagt dan 10 gram; de totale lading van de bursteffecten mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; de constructie dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het vuurwerk eenvoudig in de grond is te plaatsen.

D. Zichzelf voortdrijvend, verticaal opstijgend vuurwerk;

D1. met knal  lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D2. met bursteffect dat na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten  lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten;

D3. met een geluid- of lichteffect anders dan een burst of een knal  lading: zwart buskruit tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie bezitten.

E. Zichzelf voortdrijvend, roterend vuurwerk;

E1. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten  lading voor knaleffect: uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 1 gram; overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen;

E2. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten  lading: zwart buskruit of een andere lading, waarvan het gezamenlijk gewicht ten hoogste mag bedragen:

E3. dat opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten  lading: zwart buskruit of een andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 5 gram.

F. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de reactie niet uiteen wordt gereten met een effect dat per pyrotechnische unit gelijktijdig geheel wordt uitgestoten en vanaf de grond tot een maximale hoogte van 10 meter reikt;

F1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 50 gram;

F2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een gewicht van ten hoogste 200 gram mits elke pyrotechnische unit niet meer lading bevat dan 15 gram.

G. Vuurwerk bestaande uit door de fabrikant samengestelde combinaties van B1, C2, C3 of F2 zijn toegestaan mits ieder type afzonderlijk functioneert en voldoet aan de individuele eisen die gesteld zijn  lading: tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram.

Bijlage IV

Methode van onderzoek in verband met omvallen van vuurwerk (artikel 9, zesde lid, alsmede artikel 12, achtste lid)

  1. Het te testen artikel wordt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing geplaatst op een houten blok. Het bovenvlak van dit blok heeft een helling van 10 graden ten opzichte van het horizontale vlak en is bekleed met schuurpapier met grit P80 volgens ISO 6344-2.

  2. Plaats de basis van het artikel op het houten blok en ontsteek de lont. Voor een polygone basis (bijvoorbeeld een driehoek of ruit): plaats één zijde van de basis evenwijdig aan de bovenrand van het blok.

  3. Observeer of het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed. Wanneer dit het geval is, kan de test worden gestaakt.

  4. Plaats het volgende exemplaar van het artikel 90° met de klok mee gedraaid ten opzichte van de oriëntatie in de vorige test op het houten blok en ontsteek de lont.

  5. Herhaal stap 4. voor ieder artikel uit de steekproef, tenzij het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed.

Bijlage V

Theatervuurwerk (artikel 13)

Bijlage VI. Methode van onderzoek geluidsniveau (

  1. Testlocatie

  2. Weersomstandigheden

De test moet worden uitgevoerd bij droog weer. De windsnelheid, gemeten op 1,5 meter hoogte boven de grond, mag niet groter zijn dan 5 meter per seconde.

  1. Meetsysteem

  2. Meetopstelling

  3. Meetmethode

  4. Testrapport

Het testrapport moet ten minste de volgende informatie bevatten: