rijk/ministeriele-regeling/regeling-nationale-vervoerbewijzen-openbaar-vervoer/BWBR0011926
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer BWBR0011926 ministeriele-regeling geldend 2003-06-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011926 Regeling nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer

Regeling nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. Deze regeling is van toepassing op openbaar vervoer per metro, tram, bus of auto.

2.

Deze regeling is niet van toepassing op:

a. a. openbaar vervoer gedurende de nacht volgens een in een dienstregeling opgenomen nachtdienst, b. b. openbaar vervoer verricht op grond van een ontheffing als bedoeld in artikel 29 van de Wet personenvervoer 2000.

Hoofdstuk II. Geldigheid en tarieven nationale vervoerbewijzen

Paragraaf 1. Kaartassortiment

Artikel 3

Nationale vervoerbewijzen zijn:

a. a. de strippenkaart, bedoeld in artikel 13; b. b. de landelijke dagkaart, bedoeld in artikel 18; c. c. de zomerzwerfkaart, bedoeld in artikel 20; d. d. de stedelijke dagkaart, bedoeld in artikel 22; e. e. het sterabonnement, bedoeld in artikel 24; f. f. het netabonnement, bedoeld in artikel 30; g. g. het combinatie-abonnement, bedoeld in artikel 33; h. h. de zomertoerpluskaart, bedoeld in artikel 41; i. i. het OV-studentenreisrecht, bedoeld in artikel 43.

Artikel 4

1. Een nationaal vervoerbewijs vermeldt de naam en vestigingsplaats van de vervoerder, alsmede welke vervoersvoorwaarden op het vervoer van toepassing zijn.

2. In plaats van de naam en vestigingsplaats van een vervoerder kunnen op een nationaal vervoerbewijs naam en adres worden vermeld van het Koninklijk Nederlands Vervoer.

Artikel 5

1. De modellen van nationale vervoerbewijzen worden vastgesteld overeenkomstig de modellen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

2. De tarieven van nationale vervoerbewijzen worden vastgesteld overeenkomstig de tarieven die zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

3. Bij de vaststelling van tarieven kan onderscheid worden gemaakt in een voltarief en een reductietarief voor kinderen, jeugdigen, ouderen of studerenden die beschikken over een OV-studentenreisrecht, alsmede voor vervoer van fietsen en levende dieren als bedoeld in artikel 46, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000.

Paragraaf 2. Vaststelling gebieden

Artikel 6

1.

De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen openbaar vervoer per bus wordt verricht dat:

a. a. een gemiddelde rijsnelheid heeft van tenminste 30 kilometer per uur binnen de bebouwde kom en tenminste 60 kilometer per uur buiten de bebouwde kom; b. b. een reductie in reistijd kent van ten minste 20% voor ten minste 50% van de reizigers, ten opzichte van een vergelijkbare verbinding van het onderliggend buslijnennet.

2. De nationale vervoerbewijzen, genoemd in artikel 2, zijn, met uitzondering van het OV-studentenreisrecht en een combinatie-netabonnement met de geldigheidsduur van een jaar, niet geldig voor openbaar vervoer per auto met instemming van de concessieverlener binnen een beperkt gebied met behulp van vrijwilligers, voor zover het dat gebied betreft.

3. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat het OV-studentenreisrecht en het combinatie-netabonnement, bedoeld in het tweede lid, niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen openbaar vervoer per auto als bedoeld in het tweede lid wordt verricht.

4. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen het elektronisch vervoerbewijs in de plaats van de door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen functioneert.

5. Gebieden als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid worden aangewezen overeenkomstig bijlage 3 bij deze regeling.

Artikel 7

Een verzoek als bedoeld in artikel 6 bevat ten minste:

a. a. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen, b. b. een aanduiding van de zone, de lijnen en de lijnnummers die het betreft, c. c. een berekening waaruit blijkt dat aan artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, is voldaan, ofwel een beschrijving van het vervoer, bedoeld in artikel 6, derde lid, en d. d. de nationale vervoerbewijzen waarvoor het verzoek wordt gedaan.

Artikel 8

Indien bij het openbaar vervoer waarop het verzoek betrekking heeft, meer concessieverleners zijn betrokken, wordt het verzoek door hen gezamenlijk gedaan.

Artikel 9

Vervallen

Paragraaf 3. Zone-indeling

Artikel 10

1. De zone-indeling, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000, wordt vastgesteld overeenkomstig de zonekaart die is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

2. De minister kan in het belang van het openbaar vervoer of op verzoek van een concessieverlener de zone-indeling wijzigen.

3.

Het verzoek bevat tenminste:

a. a. de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen, b. b. een topografische kaart met schaal 1:50.000 waarop zijn aangegeven de zonegrenzen, de zonenummers en de zonenamen in zowel de beoogde als in de bestaande situatie, c. c. het gewenste tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging, en d. d. de voor de concessieverlener te verwachten financiële gevolgen van inwilliging van het verzoek.

4.

De minister neemt bij een besluit over de wijziging van de zone-indeling in aanmerking:

a. a. een logische samenhang van de zones naar grootte en ligging waarbij:

        1º.
         de zone gemiddeld een doorsnede heeft van 4 à 4,5 kilometer, tenzij de zone zich in zijn geheel uitstrekt over een dijk, een dam of een tunnel, in welk geval de zone een lengte van 4 à 4,5 kilometer heeft;
      
      
        2º.
         een woonkern in één zone ligt tenzij die kern een doorsnee kent van meer dan 4 à 4,5 kilometer;
      
      
        3º.
         een waterweg uitsluitend door een zonegrens op een brug of een veer verdeeld wordt;
      
      
        4º.
         een natuurgebied waarbinnen geen voor het openbaar verkeer toegankelijke wegen zijn gelegen, van zone-indeling kunnen worden uitgesloten.

1º. 1º. de zone gemiddeld een doorsnede heeft van 4 à 4,5 kilometer, tenzij de zone zich in zijn geheel uitstrekt over een dijk, een dam of een tunnel, in welk geval de zone een lengte van 4 à 4,5 kilometer heeft; 2º. 2º. een woonkern in één zone ligt tenzij die kern een doorsnee kent van meer dan 4 à 4,5 kilometer; 3º. 3º. een waterweg uitsluitend door een zonegrens op een brug of een veer verdeeld wordt; 4º. 4º. een natuurgebied waarbinnen geen voor het openbaar verkeer toegankelijke wegen zijn gelegen, van zone-indeling kunnen worden uitgesloten. b. b. de mate waarin de door de reiziger te betalen vervoerprijs die door wijziging van de zone-indeling wordt verhoogd, en c. c. het financiële belang van het openbaar vervoer.

Artikel 11

Indien bij de zones waarop een verzoek tot wijziging van de zone-indeling betrekking heeft, meer concessieverleners zijn betrokken, wordt het verzoek door hen gezamenlijk ingediend.

Paragraaf 4. Indiening verzoeken

Artikel 12

Verzoeken als bedoeld in artikel 6, eerste, derde en vierde lid, en artikel 10, tweede lid, met een gewenst tijdstip van inwerkingtreding binnen het in kolom A van onderstaande tabel genoemde tijdvak, worden uiterlijk op de in kolom B genoemde datum daaraan voorafgaand bij de Minister ingediend.

Hoofdstuk III. Kaartcategorieën

Paragraaf 1. Strippenkaarten

Artikel 13

Een strippenkaart bestaat uit een kaart met 45, 15, 8, 3 of 2 strippen.

Artikel 14

1. Een strippenkaart wordt afgegeven tegen het tarief dat geldt op de dag van afgifte.

2. Een strippenkaart is geldig tot en met 12 maanden nadat de eerstvolgende tariefwijziging in werking is getreden.

Artikel 15

1. Bij gebruik van een strippenkaart wordt de laatste strip van het aantal benodigde strippen afgestempeld.

2. Indien het totale aantal benodigde strippen niet op een kaart beschikbaar is, wordt de laatste strip van de kaart afgestempeld en wordt het resterend aantal benodigde strippen op een andere strippenkaart afgestempeld.

3. De cijfers en letters van de stempelafdruk duiden achtereenvolgens aan het stempelnummer, de zone waarin, de week, de dag en het tijdstip waarop de kaart is afgestempeld.

Artikel 16

1. Voor elke zone waarbinnen wordt gereisd is één strip benodigd.

2. Het totaal aantal benodigde strippen per reis wordt bepaald door het aantal zones waarbinnen wordt gereisd, vermeerderd met één strip als basistarief, met dien verstande dat het maximum aantal benodigde strippen 20 strippen bedraagt.

3. Kinderen en ouderen kunnen op strippenkaarten met 2, 3 of 8 strippen tegen het voltarief voor een persoon met zijn tweeën reizen.

Artikel 17

Na stempeling is een strippenkaart geldig op de dag, overeenkomstig de stempelafdruk, gedurende:

a. a. één uur vanaf het op de stempelafdruk vermelde tijdstip, bij afstempeling van 2 tot en met 4 strippen; b. b. anderhalf uur vanaf het op de stempelafdruk vermelde tijdstip, bij afstempeling van 5 tot en met 7 strippen; c. c. twee uur vanaf het op de stempelafdruk vermelde tijdstip, bij afstempeling van 8 tot en met 10 strippen; d. d. drie uur vanaf het op de stempelafdruk vermelde tijdstip, bij afstempeling van 11 tot en met 16 strippen; e. e. drieënhalf uur vanaf het op de stempelafdruk vermelde tijdstip, bij afstempeling van 17 tot en met 20 strippen.

Paragraaf 2. Landelijke en stedelijke dagkaarten

Artikel 18

1. Een landelijke dagkaart bestaat uit twee verticaal met hetzelfde stempelbeeld afgestempelde strippenkaarten met 8 strippen.

2. Een landelijke dagkaart voor kinderen en ouderen bestaat uit één verticaal met hetzelfde stempelbeeld gestempelde strippenkaart met 8 strippen.

Artikel 19

De landelijke dagkaart is geldig op de dag van afstempeling.

Artikel 20

Een zomerzwerfkaart is een landelijke dagkaart en bestaat uit een kaart met 1 strip.

Artikel 21

De zomerzwerfkaart is geldig op de dag van afstempeling die is gelegen binnen de maanden juni, juli en augustus.

Artikel 22

1.

Een stedelijke dagkaart bestaat uit een strippenkaart van 8 strippen die verticaal is gestempeld met één van de volgende zonenummers:

a. a. 5700, 5710, 5711, 5712, 5713, 5714, 5715, 5721, 5722, 5723, 5724, 5725 en 5825 in het gebied van het Regionaal Orgaan Amsterdam; b. b. 5300, 5310, 5311, 5314, 5315, 5316, 5319, 5321, 5322, 5324, 5326, 5327, 5329 en 5336 in het gebied van de Stadsregio Rotterdam; c. c. 5400, 5410, 5413, 5414, 5416 en 5419 in het gebied van het Stadsgewest Haaglanden; d. d. 5000, 5010, 5019, 5020, 5022, 5029, 5030, 5031, 5039, 5049, 5111, 5118, 5120, 5121, 5122, 5128, 5132, 5134, 5137, 5138, 5147, 5157, 5910, 5914, 5915, 5920, 5923, 5925, 5927, 5933, 5937 en 5939 in het gebied van het Bestuur Regio Utrecht.

2. Een stedelijke dagkaart voor kinderen en ouderen bestaat uit een strippenkaart met 8 strippen die verticaal is gestempeld op de eerste of laatste 4 strippen met een van de zonenummers, genoemd in het eerste lid.

Artikel 23

1.

De stedelijke dagkaart is geldig op de dag van afstempeling voor openbaar vervoer:

a. a. in de bij het zonenummer van de stempelafdruk behorende zone, genoemd in artikel 22, eerste lid, en b. b. in de bij die zone aansluitende zones met een van de zonenummers, genoemd in artikel 22, eerste lid.

Paragraaf 3. Sterabonnementen

Artikel 24

1. Een sterabonnement bestaat uit een abonnementskaart met een geldigheidsduur van een week, een maand of een jaar.

2. Een sterabonnement dat is afgegeven door een instelling of bedrijf op grond van een overeenkomst met de vervoerder bestaat uit een abonnementskaart die geldig is vanaf de dag van afgifte tot en met de einddatum van de overeenkomst, met een maximum van twee jaar.

Artikel 25

Een sterabonnement wordt afgegeven tegen de prijs die geldt op de eerste dag van de geldigheidsduur.

Artikel 26

1. Een sterabonnement heeft ten hoogste zes sterwaarden met dien verstande dat weekabonnementen anders dan voor kinderen, jeugdigen en ouderen een waarde van ten hoogste 3 sterwaarden kennen.

2.

Een sterabonnement met:

a. a. één sterwaarde is geldig voor het openbaar vervoer in een centrumzone; b. b. twee sterwaarden is geldig voor het openbaar vervoer in de centrumzone en één aangrenzende zone; c. c. drie sterwaarden is geldig voor het openbaar vervoer in de centrumzone en twee achtereenvolgens aangrenzende zones; d. d. vier sterwaarden is geldig voor het openbaar vervoer in de centrumzone en drie achtereenvolgens aangrenzende zones; e. e. vijf sterwaarden is geldig voor het openbaar vervoer in de centrumzone en vier achtereenvolgens aangrenzende zones; f. f. zes sterwaarden is geldig voor het openbaar vervoer in de centrumzone en vijf achtereenvolgens aangrenzende zones.

3. In dit artikel wordt onder aangrenzende zones verstaan zones met een gemeenschappelijke zonegrens.

Artikel 27

Een sterabonnement is na het aanbrengen van de centrumzone en de geldigheidsduur op de abonnementskaart geldig gedurende de geldigheidsduur voor de op die abonnementskaart vermelde centrumzone en een of meer door de sterwaarde bepaalde aangrenzende zones.

Artikel 27a

Een sterabonnement met een geldigheidsduur van een jaar kan gedurende die periode worden omgewisseld voor een jaarabonnement met een hoger aantal sterwaarden. De centrumzone kan hierbij worden gewijzigd.

Artikel 28

1. Onverminderd artikel 27 is een sterabonnement alleen geldig in combinatie met een stamkaart.

2. Een stamkaart kan gratis worden verkregen bij de verkooppunten van nationale vervoerbewijzen.

3. Bij het aanvragen van een stamkaart moet een geldig legitimatiebewijs worden getoond en wordt een pasfoto overgelegd die voldoet aan de voorschriften in de Regeling eisen pasfotos.

4. Een stamkaart heeft een geldigheidsduur van 5 jaar na de datum van afgifte.

5. Het nummer van de stamkaart wordt overgenomen op de abonnementskaart.

6. Indien de geldigheid van een stamkaart eerder afloopt dan de geldigheid van een abonnementskaart, geldt tot het verlopen van de geldigheid van de abonnementskaart de oude stamkaart.

7. Een pas 65 wordt aangemerkt als een stamkaart indien de laatste 7 nummers van de pas zijn overgenomen op de abonnementskaart.

8. Dit artikel is niet van toepassing op een sterabonnement dat bestaat uit een abonnementskaart waarin een stamkaart is opgenomen.

Artikel 29

Bij verlies of diefstal van een sterabonnement met een geldigheidsduur van ten minste een jaar wordt een duplicaat verstrekt na overlegging van een kopie van aangifte van vermissing.

Paragraaf 4. Netabonnementen

Artikel 30

1. Een netabonnement bestaat uit een abonnementskaart met een geldigheidsduur van een week, een maand of een jaar.

2. Een netabonnement dat wordt afgegeven aan de reiziger door een instelling of bedrijf op grond van een overeenkomst tussen deze en de vervoerder bestaat uit een abonnementskaart die geldig is vanaf de dag van afgifte tot en met de einddatum van de overeenkomst, met een maximum van twee jaar.

Artikel 31

Een netabonnement is na het aanbrengen van de geldigheidsduur op de abonnementskaart, geldig voor openbaar vervoer gedurende de op die abonnementskaart vermelde geldigheidsperiode.

Artikel 32

De artikelen 25, 28 en 29 zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5. Combinatie-abonnementen

Artikel 33

1. Onder combinatie-abonnement wordt verstaan een abonnement dat recht geeft op openbaar vervoer dat wordt verricht in aanvulling op het openbaar vervoer waarvoor nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn.

2. Er is een combinatie-sterabonnement en een combinatie-netabonnement.

Artikel 34

Een combinatie-sterabonnement wordt afgegeven tegen de prijs die geldt op de eerste dag van de geldigheidsduur.

Artikel 35

1. Een combinatie-sterabonnement bestaat uit een abonnementskaart met een geldigheidsduur van een maand of een jaar.

2. Een combinatie-sterabonnement dat wordt afgegeven aan de reiziger door een instelling of bedrijf op grond van een overeenkomst tussen deze en de vervoerder bestaat uit een abonnementskaart die geldig is vanaf de dag van afgifte tot en met de einddatum van de overeenkomst, met een maximum van twee jaar.

Artikel 36

1. Een combinatie-sterabonnement is geldig voor de op de abonnementskaart vermelde centrumzones en een of meer door de sterwaarde bepaalde aangrenzende zones, gedurende de op de abonnementskaart vermeld geldigheidsduur.

2. Een combinatie-sterabonnement kent ten hoogste drie sterwaarden.

Artikel 37

1.

Een combinatie-sterabonnement is geldig te zamen met:

a. a. een gelijksoortig en gelijkgenummerde NS-trajectkaart en een gelijkgenummerde NS-stamkaart, of b. b. een ander gelijksoortig en gelijkgenummerd vervoerbewijs voor openbaar vervoer waarvoor een nationaal vervoerbewijs niet geldig is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een combinatie-sterabonnement waarvan de abonnementskaart geïntegreerd is met de trajectkaart, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het vervoerbewijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 38

1. Een combinatie-netabonnement heeft een geldigheidsduur van een dag, een maand of een jaar.

2. Een combinatie-netabonnement dat wordt afgegeven aan de reiziger door een instelling of bedrijf op grond van een overeenkomst tussen deze en de vervoerder bestaat uit een abonnementskaart die geldig is vanaf de dag van afgifte tot en met de einddatum van de overeenkomst, met een maximum van twee jaar.

Artikel 39

Het combinatie-netabonnement is geldig voor openbaar vervoer gedurende de op de abonnementskaart aangegeven geldigheidsduur.

Artikel 40

1.

Een combinatie-netabonnement is geldig te zamen met:

a. a. een gelijksoortige en gelijkgenummerde NS-netkaart en een gelijkgenummerd NS-stamkaart, of b. b. een ander gelijksoortig en gelijkgenummerd vervoerbewijs voor openbaar vervoer waarvoor een nationaal vervoerbewijs niet geldig is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een combinatie-netabonnement waarvan de abonnementskaart geïntegreerd is met de netkaart, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het vervoerbewijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Paragraaf 6. Zomertoerpluskaart

Artikel 41

1. De zomertoerpluskaart bestaat uit twee aan elkaar gehechte delen en is geldig voor openbaar vervoer dat wordt verricht in aanvulling op de NS-zomertoer.

2. De zomertoerpluskaart is verkrijgbaar gedurende een door de minister jaarlijks vast te stellen periode van het jaar.

Artikel 42

De zomertoerpluskaart is geldig gedurende een op de kaart vermelde periode van zeven dagen in de periode, bedoeld in artikel 41, tweede lid, op ten hoogste twee afgestempelde dagen.

Paragraaf 7. OV-studentenreisrecht

Artikel 43

Een OV-studentenreisrecht is een reisrecht dat aan een studerende als reisvoorziening is toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 44

Het OV-studentenreisrecht is geldig voor openbaar vervoer overeenkomstig de artikelen 1.6 en 1.7 van de overeenkomst inzake het OV-studentenreisrecht, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid van de Regeling studiefinanciering 2000.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen

Artikel 45

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 46

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer.

Bijlage 1. behorende bij

Raadpleeg voor dit onderdeel de Staatscourant.

Bijlage 2. behorende bij

Bijlage 3. behorende bij

Bijlage 4

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.