40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen | BWBR0025709 | ministeriele-regeling | geldend | 2011-09-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0025709 | Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen |
Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In deze regeling wordt verstaan onder een onderwijsinstelling:
a. a. een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas; b. b. een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas; c. c. een school of instelling voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, bekostigd uit de openbare kas; d. d. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, bekostigd uit de openbare kas; e. e. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met uitzondering van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel b1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de instituten, genoemd in artikel 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de hogescholen, genoemd in artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijsinstelling; f. f. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, doch uitsluitend voor zover het gaat om het aanbieden en verzorgen van lerarenopleidingen voor het primair en voortgezet onderwijs.
2.
In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
a. a.
*de minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*een samenwerkingsverband:* een samenwerkingsverband bestaande uit minimaal vier deelnemers, waarvan tenminste twee onderwijsinstellingen en tenminste een ondernemer, die blijkens schriftelijke stukken samenwerken in het kader van een project;
c. c.
*een project:* een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het leren ondernemen volgens de doelstellingen, bedoeld in de artikelen 7, derde lid, en artikel 24a, tweede lid;
d. d.
*bevoegd gezag:* het bevoegd gezag, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. e.
*ondernemer:* natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;
f. f.
*de adviescommissie:* de Adviescommissie Onderwijs Netwerk Ondernemen, als bedoeld in artikel 2;
g. g.
*AgentschapNL:* AgentschapNL, het uitvoeringsorgaan van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
3.
In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
a. a. de aanvrager, en b. b. de subsidieontvanger: de penvoerder, als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
Artikel 2
1. Er is een onafhankelijke adviescommissie, genaamd de Adviescommissie Onderwijs Netwerk Ondernemen, die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de beoordeling van aanvragen, op basis van door de minister vastgestelde criteria, zoals omschreven in de artikelen 15, derde lid, en 24e, vijfde lid.
2. De minister benoemt bij afzonderlijke regeling de leden van de adviescommissie. De adviescommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal zeven leden.
3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een periode van een jaar.
4. De periode, bedoeld in het derde lid, kan telkens met een jaar worden verlengd.
5.
De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien:
a. a. daar door de desbetreffende persoon om verzocht is; b. b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft; c. c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.
6. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een lid kan de minister een andere voorzitter of een ander lid benoemen.
Artikel 3
Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de subsidieverlening.
Artikel 4
1. De minister kan een deskundige aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.
2. De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.
Artikel 5
1. De adviescommissie stelt, op voordracht van AgentschapNL, haar eigen werkwijze vast.
2. In het secretariaat van de adviescommissie wordt door AgentschapNL voorzien.
Artikel 6
1. De voorzitter en de andere leden van de adviescommissie ontvangen een vaste vergoeding per jaar. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitter en de andere leden is het maximum van schaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor is gebaseerd op 72 werkuren per jaar.
2. De voorzitter en de andere leden van de adviescommissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland. Deze vergoeding wordt door het secretariaat van de adviescommissie afgehandeld.
Paragraaf 2. Hoogte subsidie en subsidiabele kosten
Artikel 7
1. De minister verstrekt op aanvraag projectsubsidie aan een samenwerkingsverband dat voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoert.
2. De subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die bij de indiening van de aanvraag door de deelnemers gezamenlijk als penvoerder is aangewezen. De penvoerder is in ieder geval een onderwijsinstelling. Heeft de penvoerder zelf geen rechtspersoonlijkheid, dan wordt de subsidie betaald aan het bevoegd gezag van de penvoerder. Is er geen bevoegd gezag dan dienen de deelnemers in de aanvraag gezamenlijk aan te geven aan welke rechtspersoon de subsidie kan worden betaald.
3.
De subsidie wordt verleend aan projecten die tot doel hebben:
a. a. het ondersteunen van de deelnemende onderwijsinstellingen bij het effectief vormgeven en verankeren van het leren ondernemen in de eigen instellingen; en b. b. het structureel ondersteunen van kennisopbouw en -uitwisseling over het leren ondernemen in het onderwijsnetwerk ondernemen; en c. c. het stimuleren dat andere onderwijsinstellingen en partijen in de regio actief worden in het leren ondernemen.
4.
Geen subsidie wordt verstrekt:
a. a. indien reeds subsidie is verstrekt aan een penvoerder voor eenzelfde samenwerkingsverband; b. b. voor projectkosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag.
Artikel 8
De subsidie voor een project bedraagt maximaal 75% van de projectkosten met een maximum van € 150.000.
Artikel 9
1.
Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten:
a. a. personele kosten van de deelnemers uit het samenwerkingsverband op basis van een vast uurtarief van € 50; b. b. materiaalkosten; c. c. aan derden verschuldigde kosten;
2. De in het eerste lid onder b en c genoemde kosten bedragen tezamen niet meer dan 25% van de totale subsidiabele kosten.
Artikel 10
1. Kosten die op grond van enige andere regeling vanwege het Rijk reeds bekostigd of gesubsidieerd worden, zijn niet subsidiabel.
2. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de met inachtneming van de artikelen 11 en 24e verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
Artikel 11
1. Bij ministeriële regeling worden de perioden vastgesteld, na afloop waarvan de aanvragen om subsidie op grond van artikel 7 die in die periode zijn ontvangen en niet reeds op grond van artikel 15, eerste lid, moeten worden afgewezen, worden behandeld.
2. Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies op grond van artikel 7 op de in een periode als bedoeld in het eerste lid ontvangen aanvragen.
3. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2009 vastgesteld op 20 april 2009 tot en met 15 juni 2009.
4. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 7 ontvangen in de in het derde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op: € 4.000.000.
5. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2010 vastgesteld op 1 augustus 2010 tot en met 1 oktober 2010.
6. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 7 ontvangen in de in het vijfde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op € 7.250.000.
Paragraaf 3. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 12
1. De aanvraag om subsidie wordt ingediend door een onderwijsinstelling met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken.
2.
De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. a. een activiteitenplan, conform bijlage a van het aanvraagformulier; b. b. een begroting van de kosten, uitgesplitst per deelnemer van het samenwerkingsverband, conform bijlage b van het aanvraagformulier.
Artikel 13
AgentschapNL draagt zorg voor de mogelijkheid om aanvragen elektronisch in te dienen.
Artikel 14
1. Binnen 22 weken na de laatste dag van de krachtens artikel 11, derde lid, vastgestelde periode beslist de minister op de in die periode ontvangen aanvragen om subsidie.
2. De minister kan, gehoord de adviescommissie, de toegekende subsidie lager vaststellen dan op grond van de begroting bij de aanvraag is aangevraagd.
Artikel 15
1. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien die aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een aanvraag op grond van deze regeling moet voldoen.
2. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van het eerste lid afwijzend is beslist, het advies in van de adviescommissie.
3. De minister beslist daarbij, geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat een aanvraag op één of meer van de vijf rankingscriteria, bedoeld in het vierde lid, kennelijk onvoldoende bijdraagt.
4.
De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. a. het meer bijdraagt aan versterking van ondernemend gedrag op alle niveaus van de onderwijsinstellingen; b. b. het meer bijdraagt aan verankering van het leren ondernemen binnen de onderwijsinstellingen; c. c. het meer bijdraagt aan structurele samenwerking op het leren ondernemen tussen onderwijsinstellingen, ondernemers en andere deelnemers in het netwerk; d. d. het meer bijdraagt aan profilering van (de doelstellingen van) het samenwerkingsverband in de regio; e. e. het samenwerkingsverband meer divers is samengesteld.
5. Voor de rangschikking wegen de in het vierde lid genoemde criteria ieder even zwaar.
6. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen als bedoeld in het derde lid altijd buiten beschouwing blijven.
Artikel 16
1. Aan de algemeen directeur van AgentschapNL te Den Haag wordt mandaat verleend om namens de minister alle noodzakelijke besluiten te nemen met betrekking tot de behandeling van aanvragen in het kader van de uitvoering van deze regeling. De algemeen directeur van AgentschapNL kan ondermandaat verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen.
2. Bezwaarschriften ingediend naar aanleiding van besluiten op grond van deze regeling worden behandeld conform de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW.
Paragraaf 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 17
De aanvrager bewaart de boeken en bescheiden en informatie of andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van deze regeling gedurende ten minste vijf jaar na datum waarop de vaststelling van de subsidie heeft plaatsgevonden.
Artikel 18
1. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de evaluatie van de subsidieregeling en de ontwikkeling van het beleid.
2. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden, die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan AgentschapNL.
3. De subsidieontvanger is verplicht de minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met deze subsidieregeling verlangen. De subsidieontvanger geeft desgewenst deze ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.
4. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan communicatieactiviteiten gericht op het presenteren van het samenwerkingsverband en het verspreiden van de (tussentijdse) projectresultaten aan overige belanghebbenden.
5. De minister kan aan de subsidieverlening voorts verdere nadere voorschriften verbinden. Deze voorschriften worden opgenomen in de beschikking.
Artikel 19
1. De subsidie wordt uiterlijk binnen twee jaren en zes maanden na aanvang van het project, zoals bedoeld in artikel 21, besteed. De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan het in deze regeling omschreven doel en zoals deze zijn omschreven in het activiteitenplan bij de aanvraag. Zij kan ook worden aangewend voor andere activiteiten waarvoor aan de betrokken scholen en instellingen bekostiging wordt verstrekt. Tenzij de minister besluit tot gehele of gedeeltelijke terugvordering omdat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet zijn verricht of niet is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt geen terugvordering van niet-bestede middelen plaats.
2. Over de uitgevoerde projectactiviteiten wordt verantwoording afgelegd door middel van een inhoudelijk eindverslag, waarin tevens is opgenomen een prestatieverklaring, over de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd. Dit eindverslag met de prestatieverklaring wordt overlegd bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Daarnaast geldt voor de in het eerste lid bedoelde bekostigde scholen en instellingen dat de verklaring van de accountant bij de reguliere jaarrekening tevens een oordeel omvat over de rechtmatige besteding van de subsidie.
3. Naast de verantwoording van de subsidie in de jaarverslaggeving brengt de subsidieontvanger een jaar na aanvang van het project schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project. Het verslag wordt neergelegd in het formulier dat is opgenomen als bijlage 2 bij deze regeling en bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten. De inrichting van het verslag komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan en bevat, voor zover van toepassing, een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie. Voor het opstellen en versturen van het voortgangsverslag heeft de subsidieontvanger 8 weken de tijd, te rekenen vanaf het moment dat het in de eerste volzin bedoelde jaar is geëindigd.
4. Het in het vorige lid bedoelde verslag wordt gezonden aan AgentschapNL.
5. Naar aanleiding van het in het derde lid genoemde verslag, kan de minister besluiten om de subsidiëring van het vervolg van het project geheel of gedeeltelijk te beëindigen.
6. De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a.
7. Het voortgangsverslag, bedoeld in het derde lid, wordt ingeval van een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.
Artikel 20
1. De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, doch uiterlijk binnen een tijdvak van twee en een half jaar na aanvang van het project.
2. De minister kan voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger schriftelijk ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 21
De subsidieontvanger begint met het project uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening.
Paragraaf 5. Voorschotten
Artikel 22
1. Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt bij de subsidieverlening van 40% van de toegekende subsidie.
2. Het tweede voorschot wordt verstrekt, nadat het voortgangsrapport bedoeld in artikel 19, derde lid, positief wordt beoordeeld. Het tweede voorschot bedraagt 40% van de toegekende subsidie, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 19, vijfde lid.
Paragraaf 6. Vaststelling
Artikel 23
1. Uiterlijk dertien weken na afloop van het project dient de subsidieontvanger een aanvraag om vaststelling in.
2. De aanvraag wordt ingediend bij AgentschapNL met een formulier, overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling of in bijlage 6 bij deze regeling in geval van een subsidieverlening als bedoeld in paragraaf 6a en gaat vergezeld van een inhoudelijk eindverslag. Het eindverslag bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten.
Artikel 24
De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Paragraaf 6a. Subsidieverlening 2012
Artikel 24a
1. Deze paragraaf heeft betrekking op het verlenen van subsidies in 2012.
2. De doelstelling van de subsidieverlening in 2012 is: het voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs alsmede de uitvoering daarvan en het verder verdiepen en versterken van reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken op dat terrein.
3. Op de subsidieverlening, bedoeld in het eerst lid, blijven de artikelen 1, derde lid, 7, 8, 11, 12, 14, 15 en 21 van deze regeling buiten toepassing.
Artikel 24b
De minister kan subsidie verstrekken aan een onderwijsinstelling voor activiteiten die zijn gericht op:
a. a. het voor tenminste drie andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken van door de aanvrager ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs alsmede de uitvoering daarvan en b. b. het verder verdiepen en versterken van de eigen, aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs.
Artikel 24c
1. De subsidieaanvraag omvat een activiteitenplan en een begroting en wordt ingediend vóór 4 januari 2012.
2. De begroting wordt vastgesteld op basis van tenminste 50% medefinanciering door de aanvrager. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, en de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel b. De kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, worden uitgesplitst naar de onderwijsinstellingen waarmee een overeenkomst is gesloten.
3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
4.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. een subsidiebeschikking op grond van deze regeling, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden activiteiten op het terrein van leren ondernemen in het onderwijs heeft ontplooid; b. b. een passage uit de schoolgids van de aanvrager voor de jaren 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden activiteiten op het terrein van leren ondernemen in het onderwijs heeft ontplooid; c. c. een document waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende tenminste 20 maanden heeft deelgenomen aan een ander project in het kader van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen of d. d. andere informatie waardoor aannemelijk wordt dat de aanvrager op het terrein van het leren ondernemen in het onderwijs een uitvoeringspraktijk van tenminste 20 maanden kent.
5. De aanvraag gaat voorts vergezeld van kopieën van de getekende overeenkomsten tussen de aanvrager en de onderwijsinstellingen ten behoeve waarvan de door de aanvrager ontwikkelde en aantoonbaar effectieve uitvoeringspraktijken met betrekking tot het leren ondernemen in het onderwijs bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar zullen worden gemaakt.
Artikel 24d
De minister wijst de aanvraag in ieder geval af, indien:
a. a. de aanvraag projectkosten betreft die zijn gemaakt vóór de datum van indiening van de aanvraag; b. b. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt op het terrein van het leren ondernemen in het onderwijs een uitvoeringspraktijk van tenminste 20 maanden te kennen; c. c. het aantal betrokken onderwijsinstellingen minder is dan drie; d. d. de aanvrager niet heeft aangetoond de activiteiten voor tenminste 50% zelf te financieren of e. e. de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, minder bedragen dan € 200.000.
Artikel 24e
1. Het subsidieplafond voor 2012 bedraagt € 2.000.000.
2. De minster beslist uiterlijk op 1 april 2012 gelijktijdig op de ingediende aanvragen.
3. Voor zover de minister een aanvraag niet op grond van artikel 24d heeft afgewezen, beslist hij op de ingediende aanvragen op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de voorgestelde activiteiten om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie, bedoeld in artikel 24a, tweede lid.
4. Omtrent de aanvragen waarop de minister niet met toepassing van artikel 24d afwijzend beslist, wint de minister, alvorens een beslissing te nemen, het advies in van de adviescommissie.
5.
De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de daarvoor in aanmerking komende aanvragen zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naarmate:
a. a. de kennisoverdracht van de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken naar de betrokken onderwijsinstellingen naar verwachting succesvol zal zijn; b. b. er sprake is van goede samenwerking op het gebied van ondernemend onderwijs, tenminste blijkend uit de diversiteit van de projectdeelnemers en hun capaciteiten; c. c. de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken meer bijdragen aan ondernemend onderwijs in de zin van deze regeling; d. d. het ondernemend onderwijs binnen de betrokken onderwijsinstellingen hierdoor meer is gewaarborgd; e. e. het verder verdiepen en versterken van de door de aanvrager ontwikkelde uitvoeringspraktijken naar verwachting succesvol zullen plaatsvinden en f. f. het accent van de activiteiten meer ligt op de activiteiten bedoeld in artikel 24b, onderdeel a, dan op de activiteiten, bedoeld in artikel 24b, onderdeel b.
Artikel 24f
De subsidie bedraagt maximaal € 250.000.
Artikel 24g
De subsidieontvanger begint met het project uiterlijk binnen drie maanden na de subsidieverlening.
Artikel 24h
De subsidieontvanger is verplicht bekendheid te geven aan het project, de resultaten en de algemene kennis die daaruit voortvloeien.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 25
De Regeling OCW-subsidies is niet van toepassing.
Artikel 25a
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2016.
Artikel 26
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen.
Bijlage 1
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 2. Tussenrapportage Onderwijs Netwerk Ondernemen
Uitgangspunt bij de tussenrapportage is dat u ons inzicht geeft in de voortgang van het project en de tussenresultaten op basis van het oorspronkelijke activiteitenplan.
De tussenrapportage dient maximaal vier pagina’s te zijn en dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd met kwantitatieve gegevens.
In de tussenrapportage komen de volgende vragen aan de orde:
Bijlage 3. Eindrapportage Onderwijs Netwerk Ondernemen
Uitgangspunt bij de eindrapportage is dat u ons inzicht geeft in de uiteindelijke resultaten die in het project zijn behaald. De eindrapportage dient maximaal vier pagina’s te zijn en dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd met kwantitatieve gegevens.
In de eindrapportage komen minimaal de volgende vragen aan de orde:
Bijlage 4. Aanvraagformulier Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012
Stuur het ingevulde formulier met bijlagen naar:
Agentschap NL
NL Innovatie
Postbus 93144
2509AC Den Haag
Meer informatie
Voor uitgebreide toelichting bij het aanvraagformulier:
– website www.agentschapnl.nl en www.onderwijsonderneemt.nl
– telefoon 088-602 5313 (op werkdagen van 8:30–17:30 uur)
[afbeelding]
Bijlage 5. Voortgangsverslag Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012
Uitgangspunt bij het voortgangsverslag is dat u ons inzicht geeft in de voortgang van het project en de tussenresultaten op basis van het oorspronkelijke activiteitenplan.
Het voortgangsverslag dient zo veel mogelijk te worden onderbouwd.
In het voortgangsverslag komen de volgende vragen aan de orde:
Bijlage 6. Vaststellingsaanvraag Regeling onderwijs netwerk ondernemen 2011/2012
Uitgangspunt bij de eindrapportage is dat u ons inzicht geeft in de uiteindelijke resultaten en outcome die door het project zijn behaald. De eindrapportage dient zo veel mogelijk kwalitatief en kwantitatief te worden onderbouwd.
In de eindrapportage komen minimaal de volgende vragen aan de orde: