40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling open rondvaartboten | BWBR0004941 | ministeriele-regeling | geldend | 1991-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0004941 | Regeling open rondvaartboten |
Regeling open rondvaartboten
Artikel 1
1. De begripsbepalingen van het Binnenschepenbesluit zijn van toepassing.
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
3. Een opbouw met een tijdelijk karakter, bestaande uit zeildoek, gemakkelijk wegneembare raampanelen en dergelijke, wordt niet als gesloten opbouw in de zin van het tweede lid beschouwd.
Artikel 2
Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling zijn onderstaande regelen van bijlage III van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op open rondvaartboten: artikelen 6.01, 7.02, 7.04, 7.05, 8.01, 8.03, 9.06, 9.08, 9.09, 9.11, 10.3, 10.10 en 11.06.
Artikel 3
1.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.02, derde en vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit en met inachtneming van het bepaalde in deze regeling zijn onderstaande regelen van bijlage II van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op open rondvaartboten:
- artikel 2.02, derde tot en met zevende lid,
- artikel 2.06, tweede tot en met zevende lid,
- artikel 3.02,
- artikel 5.01, eerste lid,
- artikel 5.05, eerste en zevende lid,
- artikel 5.06, tweede tot en met negende lid,
- artikel 7.01,
- artikel 7.02, eerste lid,
- artikel 7.03, eerste lid,
- artikel 7.05, eerste en derde lid,
- artikel 11.06,
- artikel 11.15, derde lid,
- artikel 11.16, tweede lid, betreffende hekwerk of verschansing.
2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.02, derde en vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit en met inachtneming van het bepaalde in deze regeling is artikel 5.04 van bijlage II van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing op open rondvaartboten met buitenboordmotoren.
Artikel 4
1. Open rondvaartboten met een lengte van Lwl van meer dan 10 meter, moeten zijn voorzien van een waterdicht aanvaringsschot, gelegen op ten minste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn. Het schip moet voor dit aanvaringsschot met een waterdicht dek zijn afgesloten.
2. Voor houten open rondvaartboten die worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren van de zone 4 kan worden afgeweken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.
3. Op open rondvaartboten met een vast in het schip opgestelde voortstuwingsmotor moet deze motor geheel door een brandvertragende omkasting zijn omsloten.
Artikel 5
1. Er kan voor open rondvaartboten bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 door de inspecteur-generaal voorgeschreven worden, dat zij na vollopen voldoende reservedrijfvermogen bezitten. Dit reservedrijfvermogen wordt voldoende geacht indien het schip in volgelopen toestand nog een vrijboord van ten minste 0,05 m heeft.
2.
Voor open rondvaartboten welke met uitzondering van de gangpaden geheel zijn voorzien van vast opgestelde zitbanken, kunnen bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, de volgende afwijkingen van de regelen van artikel 4.01 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit worden toegestaan:
a. a. de in artikel 4.01, tweede lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit genoemde invloed van een winddruk en van een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven behoeve niet in rekening te worden gebracht; b. b. voor de in artikel 4.01, vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit genoemde dwarsscheepse verplaatsing van de helft van het toegestane aantal personen kan worden uitgegaan van het plaatsen van een vierde deel van het toegestane aantal personen aan een uiterste scheepszijde en een vierde deel van het toegestane aantal personen op het midden van het schip. Daarbij kunnen een geringer resterend vrijboord en een geringere resterende veiligheidsafstand worden toegestaan.
Artikel 6
In afwijking van de regelen van artikel 5.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit kan voor open rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, een geringere veiligheidsafstand dan 0,40 m worden toegestaan, mits aan de voorschriften met betrekking tot de stabiliteit wordt voldaan.
Artikel 7
1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld dat aan de regelen met betrekking tot de stabiliteit en het vrijboord wordt voldaan.
2. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers mag echter niet groter zijn dan het aantal voor passagiers beschikbare plaatsen.
3. Voor de zitplaatsen moet worden gerekend met een breedte van tenminste 0,40 m per persoon.
Artikel 8
In afwijking van de regelen van artikel 7.01, eerste lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluit moeten op open rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4 de voor passagiers bestemde, niet afgesloten gedeelten van dekken, welke geheel bezet zijn met dwarsscheeps geplaatste vast opgestelde zitbanken, zijn voorzien van vaste verschansingen of relingen met een hoogte van tenminste 0,30 m, gemeten boven de zitting van de bank.
Artikel 9
1. Op open rondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1, derde lid, moet een vrij middenpad over de gehele lengte van het voor passagiers bestemde gedeelte aanwezig zijn. Dit middenpad moet een breedte van ten minste 0,45 m hebben.
2. Op open rondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1, derde lid, moet zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het voor passagiers bestemde gedeelte een uitgang met een vrije breedte van tenminste 0,50 m aanwezig zijn. Eén der uitgangen mag zijn vervangen door twee nooduitgangen, ieder met een vrije doorgang van tenminste 0,60 cm. breedte en ten minste 0,80 cm. hoogte.
3. Het aan en van boord gaan der passagiers moet op veilige wijze kunnen geschieden. Zo nodig moeten handgrepen en traptreden zijn aangebracht.
Artikel 10
1. Op open rondvaartboten mag voor buitenboordmotoren brandstof met een vlampunt van 55 of lager worden gebruikt.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, mag de brandstoftank geen grotere inhoud dan 25 liter hebben. De tank moet zich buiten het voor passagiers bestemde gedeelte bevinden.
3. Bij een electrisch gedreven voortstuwing moeten de accubatterijen aan de bovenzijde zodanig zijn afgedekt, dat zij beschermd zijn tegen aanraking, vallende voorwerpen en druipwater.
Artikel 11
1. Op open rondvaartboten met een lengte van Lwl van 7 meter of minder moeten ten minste twee geschikte hoosvaten aanwezig zijn.
2. Open rondvaartboten met een lengte van Lwl van meer dan 7 meter moeten van een handlenspomp zijn voorzien. Bij een lengte Lwl van 12 meter of minder moet de diameter van de aansluiting tenminste 38 mm zijn en bij een lengte boven 12 meter tenminste 50 mm.
Artikel 12
Open rondvaartboten moeten bij gebruik op de binnenwateren van zone 3 van een anker met ankertros van voldoende lengte voor het betrokken vaarwater zijn voorzien. Het gewicht van dit anker moet ten minste 25 kg bedragen.
Artikel 13
1. Bij een ten hoogste toegestaan aantal passagiers van 25 of minder moet ten minste één reddingboei en bij een aantal van meer dan 25 ten minste twee reddingboeien aanwezig zijn. De reddingboeien moeten van een lijn met een lengte van ten minste 20 m zijn voorzien en zodanig zijn opgeborgen, dat zij voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
2.
Voor alle passagiers moet individuele of collectieve reddingmiddelen aan boord zijn. Drijvende zitkussens worden als reddingmiddel beschouwd indien zij:
- een draagvermogen in zoetwater van ten minste 7,5 kg hebben;
- bestand zijn tegen olie, olieproducten en temperaturen tot 50°C;
- van een grijplijn zijn voorzien en
- niet aan het schip zijn bevestigd.
3. Er kan voor open rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van zone 4, een afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden toegestaan.
Artikel 14
In de nabijheid van de motorinstallatie moet een draagbaar blustoestel met een voor vloeistofbranden geschikt blusmiddel en een vulgewicht van ten minste 4 kg aanwezig zijn.
Artikel 15
Aan boord moet ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig zijn:
- een vaarboom/bootshaak,
- een verbanddoos, model B,
- voldoende trossen voor meren en slepen,
- indien tussen zonsondergang en zonsopgang wordt gevaren een geschikte draagbare elektrische lantaarn in waterdichte uitvoering.
Artikel 16
1. In aanvulling op artikel 43 van het Binnenschepenbesluit zijn bij het onderzoek van bestaande schepen de artikelen 7 en 10, tweede en derde lid, van deze regeling niet van toepassing gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek.
2. In aanvulling op artikel 42 van het Binnenschepenbesluit zijn de artikelen 4, 11, tweede lid, tweede zin, en 12 van deze regeling niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met het bevoegde districtshoofd van de arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.
3. Indien op bestaande schepen niet aan de eisen van artikel 9 wordt voldaan, kan de inspecteur-generaal een afwijking daarvan toestaan onder beperking van het ten hoogste toegestane aantal passagiers op het schip ofwel in de betrokken ruimte, mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden.
4. Op bestaande schepen moeten de aantallen reddingmiddelen zoals voorgeschreven in artikel 13 binnen één jaar na de datum van het eerste onderzoek bedoeld in artikel 32 van het Binnenschepenbesluit aan boord aanwezig zijn. Aan de regelen betreffende de uitvoering en eigenschappen van de reddingmiddelen behoeft op bestaande schepen alleen te worden voldaan bij eerste aanschaf of bij aanvulling of vernieuwing van de oorspronkelijk aan boord zijnde reddingmiddelen.
5. De artikelen opgenomen in kolom 2 van artikel 11.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit zijn, in aanvulling op artikel 42, tweede lid, van het Binnenschepenbesluit niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, overeenkomstig de artikelen 5, tweede lid, en 9 van deze regeling, met dien verstande dat naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal geen reden tot twijfel bestaat aan de veiligheid van de opvarenden en aan de stabiliteit van het beladen schip, en dat de omstandigheden die op grond van eerdere lokale verordeningen zijn aanvaard, overeenkomstig van toepassing zijn.
Artikel 17
Met de in deze regeling vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een lid-staat van de Europese Unie danwel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling open rondvaartboten.