rijk/ministeriele-regeling/regeling-radarinstallaties-en-bochtaanwijzers-1995/BWBR0007588
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995 BWBR0007588 ministeriele-regeling geldend 1995-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007588 Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995

Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *radarinstallatie:* een radioapparaat als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet voor gebruik als hulpmiddel bij de navigatie;

b. b.

    *bochtaanwijzer:* een aanwijzer van de snelheid van draaiing van een schip.

Artikel 2

1. De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent typegoedkeuring van een radarinstallatie dan wel van een bochtaanwijzer.

2. Een radarinstallatie als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement of als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, onderdeel b, en 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, is een radarinstallatie van een type dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd volgens bijlage M van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

3. Een bochtaanwijzer als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement, of als bedoeld in artikel 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, is een bochtaanwijzer van een type dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd volgens bijlage M van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

Artikel 3

1.

De vaarwegen, bedoeld in artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, zijn:

a. a. de Waddenzee; b. b. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen; c. c. het Noordzeekanaal, met inbegrip van zijkanaal G tot aan de Zaansluizen, het IJ en de vaarwegen ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden; d. d. het IJsselmeer, met inbegrip van het Markermeer en het IJmeer en met uitzondering van de Gouwzee; e. e. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal en het Yangtzekanaal; f. f. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil en de daarop aansluitende vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk; g. g. de Oosterschelde; h. h. het Kanaal door Zuid-Beveland; i. i. de havens die met de Westerschelde in open verbinding staan.

2. Onder de bij het eerste lid vermelde vaarwegen zijn begrepen de daaraan gelegen havens met de tot die havens toegang gevende vaarwegen.

3.

Op de bij het eerste lid vermelde vaarwegen, respectievelijk op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, met inbegrip van de buitenvoorhavens te Terneuzen, is de in dat lid, respectievelijk in artikel 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, bedoelde radarinstallatie:

a. a. voor elk schip: een radarinstallatie van een type als bedoeld in artikel 2, tweede lid, of b. b. voor een zeeschip: een radarinstallatie van een type, dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd:

         1e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties voor de zeevaart gesteld ingevolge artikel 95a van het Schepenbesluit 1965;
      
      
        2e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties, zoals vermeld in de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen resoluties A.222 (VII) van 12 oktober 1971, A.278 (VIII) van 20 november 1973, A.422 (XI) van 14 januari 1980, A.477 (XII) van 19 november 1981 en A.574 (XIV) van 20 januari 1986.
  • 1e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties voor de zeevaart gesteld ingevolge artikel 95a van het Schepenbesluit 1965;
  • 2e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties, zoals vermeld in de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen resoluties A.222 (VII) van 12 oktober 1971, A.278 (VIII) van 20 november 1973, A.422 (XI) van 14 januari 1980, A.477 (XII) van 19 november 1981 en A.574 (XIV) van 20 januari 1986.

4. Op de in het eerste lid vermelde vaarwegen en op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, met inbegrip van de buitenvoorhavens te Terneuzen, mogen zeeschepen in plaats van met een bochtaanwijzer zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, zijn uitgerust met een ander daartoe bruikbaar middel.

5. Met een zeeschip worden gelijkgesteld een reddingsvaartuig, een vissersschip en een klein schip dat niet wordt gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen, zomede een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen schip.

6. Met een klein schip dat niet wordt gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen worden gelijkgesteld een reddingsvaartuig en een vissersschip, zomede een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen schip.

Artikel 4

1. Voor veerponten, die zijn ingericht om in twee richtingen te kunnen varen, geldt als keuringseis, bedoeld in artikel 2, tweede lid, dat de koerslijn zich voortdurend over de gehele diameter van het scherm van 000 - 180 graden aftekent. Voor deze veerponten is een middelpuntsverschuiving niet vereist.

2. Niet vrijvarende veerponten mogen zijn uitgerust met een radarinstallatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdelen b en c.

Artikel 5

1. Een radarinstallatie van een type, dat volgens de Beschikking vaartuigen met radar (Stcrt. 1980, 209) of het Besluit schepen met Marifoon en Radar (Stcrt. 1984, 75) is goedgekeurd, wordt met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd en wordt, indien de goedkeuring geschiedde voor 1 januari 1990, geacht tot 1 januari 2010 te zijn goedgekeurd overeenkomstig de in artikel 2, tweede en derde lid, van deze regeling bedoelde voorschriften.

2. Een bochtaanwijzer van een type, dat volgens de Beschikking vaartuigen met radar (Stcrt. 1980, 209) of het Besluit schepen met Marifoon en Radar (Stcrt. 1984, 75) is goedgekeurd, wordt met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd en wordt, indien de goedkeuring geschiedde voor 1 januari 1990, geacht tot 1 januari 2010 te zijn goedgekeurd overeenkomstig de in artikel 2, tweede en derde lid, van deze regeling bedoelde voorschriften.

Artikel 6

De stuurstelling van een schip die zodanig is ingericht dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, moet voldoen aan de voorschriften die zijn vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel 7

1. Met de in deze regeling bedoelde typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een typegoedkeuring verleend door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lid-staat van de Europese Unie danwel een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke typegoedkeuring is verleend op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen.

2. Met de in deze regeling vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie danwel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995.

Artikel 9

Vervallen

Bijlage

De stuurstelling van een schip, die zodanig is ingericht, dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, moet voldoen aan de volgende voorschriften:

Artikel I

1. De stuurhut moeten zodanig zijn ingericht dat de roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart zittend kan verrichten.

2. Alle voor het voeren van het schip noodzakelijke signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur moeten zodanig zijn gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld uit het oog te verliezen.

3. Controle-instrumenten moeten gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de controle-instrumenten beïnvloeden.

Artikel II

1. De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn.

2. De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog, welke zich bevindt in een verticaal vlak, dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengte-as van het schip, kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijde van de stopstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de vrijstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.

3. De richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren moet worden aangegeven.

4. Het roer van het schip moet worden bediend door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden en de hoek tussen de hefboom en de lengte-as van het schip moet overeenkomen met de afwijking van de roerbladen ten opzichte van de as van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De middenstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.

5. Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (b.v. voor achteruitvaren), moeten deze door speciale hefbomen kunnen worden bediend, die aan de in het vierde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen. Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinrichtingen van andere schepen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte schip worden gebruikt.

Artikel III

1.

Ter controle van de navigatielichten en de lichtseinen moeten controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars van de navigatielichten moeten in of vlakbij de daarbij behorende controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren. De groepering en de kleur van de controlelampen van de navigatielichten en de lichtseinen moet overeenkomen met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielichten en lichtseinen.

Het niet-functioneren van een navigatielicht of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige controlelamp tot gevolg hebben, dan wel op andere wijze door de betreffende controlelamp worden aangegeven.

2. De bediening van de geluidsseinen dient met de voet te kunnen geschieden. Dit geldt niet voor het blijf weg-sein.

Artikel IV

Het radarscherm mag niet buiten de blikrichting van de roerganger vallen. Het radarbeeld moet zonder kap of scherm, ongeacht de buiten de stuurhut heersende verlichtingsomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn. De bochtaanwijzer moet direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.

Artikel V

1. Op schepen moet voor het schip-schipverkeer en de nautische informatie het luisteren door een luidspreker en het spreken door een vast opgestelde microfoon geschieden. Het overschakelen van luisteren naar spreken moet door middel van drukknoppen geschieden. In geen geval mag de microfoon van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden gebruikt.

2. Wanneer een schip is uitgerust met een marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn.

Artikel VI

Aan boord van schepen moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.

Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:

a. a. met het voorschip van het schip of het samenstel; b. b. met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is; c. c. met het verblijf of de verblijven van de bemanning; d. d. met de hut van de schipper.

Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.

Artikel VII

De roerganger moet een schakelaar AAN/UIT voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand UIT kan terugspringen.

Artikel VIII

Op schepen en samenstellen, waarvan de lengte meer dan 86 m of de breedte meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.