40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 | BWBR0041553 | ministeriele-regeling | geldend | 2018-11-17 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0041553 | Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 |
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- arbeidsorganisatie: eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;
- beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 20;
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- georganiseerd bedrijfsleven: representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers;
- Minister: ** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- onderwijsinstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;
- publiek-private samenwerking: samenwerking tussen in ieder geval een uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie;
- regionale overheid: ** provincie, gemeente of waterschap;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 12;
- tussentijdse beoordeling: tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 28;
- voortgangsrapportage: voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 27;
- website van DUS-I: www.dus-i.nl;
- wet: Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2
Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van geld ten behoeve van samenwerkingsverbanden die bestaan uit publieke en private partijen en die ten doel hebben de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
Artikel 3
Partijen die willen samenwerken in een samenwerkingsverband, kunnen zich laten registreren bij DUS-I. De belangstelling voor deelname wordt kenbaar gemaakt met gebruikmaking van een formulier op de website van DUS-I.
Artikel 4
1. Voor subsidieverstrekkingen op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2023 in totaal € 127.000.000,– beschikbaar.
2. De hoogte van het subsidieplafond per kalenderjaar wordt jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant.
3. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond maakt de Minister de verdeling van het subsidiebedrag over de aanvraagperiodes per kalenderjaar bekend. Indien het bedrag voor subsidieverstrekking voor de eerste periode binnen het betreffende kalenderjaar door subsidietoewijzingen niet wordt uitgeput, wordt dit bedrag toegevoegd aan het subsidiebedrag voor de tweede aanvraagperiode van het kalenderjaar.
Artikel 5
1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij wordt verstrekt.
2. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.
Artikel 6
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Paragraaf 2. Subsidie voor duurzame publiek-private samenwerking
Artikel 7
1. De Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
2. De subsidie bedraagt ten minste € 250.000,– en ten hoogste € 2.000.000,– per subsidieaanvraag.
3. Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 250.000,– of meer dan € 2.000.000,– wordt afgewezen.
4. De subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier of vijf kalenderjaren, gerekend vanaf de start van het project.
5. Onverminderd het eerste lid kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 13.
Artikel 8
1.
De subsidieaanvraag kan betrekking hebben op:
a. a. een publiek-private samenwerking waarvoor niet eerder subsidie is verstrekt; of b. b. het door verbreding en verdieping aanzienlijk uitbreiden van een bestaande publiek-private samenwerking.
2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan alleen worden toegewezen, indien:
a. a. voor de samenwerking eerder subsidie is verstrekt op grond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo en de betreffende subsidieperiode succesvol is afgerond; en b. b. aan het samenwerkingsverband nog ten minste 50% van de partijen deelnemen die aan het einde van de subsidieperiode, bedoeld in onderdeel a, deelnamen aan de samenwerking.
3.
De subsidieperiode van een project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is succesvol afgerond indien uit de evaluatie van het project in ieder geval blijkt dat:
a. a. het project in termen van ontwikkeling en doelrealisatie succesvol is geweest; b. b. het project ook na afronding van de subsidieperiode op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, duurzaam wordt voortgezet.
4.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft betrekking op ten minste één van de volgende thema’s:
a. a. de professionalisering van de docenten; b. b. het ontwikkelen van onderzoekende vaardigheden; c. c. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen; of d. d. het verbeteren van de aansluiting op de arbeidsmarkt van jongeren in een entreeopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs.
5. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, heeft in ieder geval betrekking op de thema’s, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b.
Artikel 9
Een aanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, kan, in afwijking van artikel 11, onderdeel d, worden ingediend door het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling ten behoeve van een Centrum voor innovatief vakmanschap, indien de ontwikkeling van het betreffende Centrum aantoonbaar succesvol is afgerond.
Artikel 10
1.
Indien een aanvraag in overwegende mate tot doel heeft de aansluiting van een entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet, op de arbeidsmarkt te verbeteren:
a. a. kan het samenwerkingsverband, onverminderd artikel 12, tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra; b. b. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 13, tweede lid, ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting; c. c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, derde lid, ten minste 25% en ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar. d. d. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar; e. e. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
2. Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.
Artikel 11
Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw, die niet voldoen aan artikel 17, zesde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel; b. b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de wet; c. c. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden; d. d. activiteiten met betrekking tot publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs waarvoor reeds subsidie is verleend door de Minister voor de ontwikkeling van een Centrum voor innovatief vakmanschap met tussenkomst van het Platform Bèta Techniek; e. e. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; f. f. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren respectievelijk de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; g. g. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van de Subsidieregeling sterker techniekonderwijs 2020–2023; en h. h. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de onderdelen e, f en g genoemde.
Artikel 12
1. Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.
2.
Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:
a. a. één of meer onderwijsinstellingen; b. b. één of meer arbeidsorganisaties; c. c. het georganiseerd bedrijfsleven; d. d. één of meer O&O-fondsen; e. e. één of meer regionale overheden; f. f. één of meer andere instellingen voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de wet; g. g. één of meer scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; h. h. één of meer instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of i. i. andere partijen die bijdragen aan de verbetering van de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt.
3. In een samenwerkingsverband werken in ieder geval één onderwijsinstelling en in ieder geval één arbeidsorganisatie samen.
4. Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval in redelijkheid zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van de regeling.
Artikel 13
1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.
3. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
4. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen a en e tot en met i, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
5.
Onder cofinanciering wordt niet begrepen:
a. a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming; en b. b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg dan wel de beroepsbegeleidende leerweg.
Artikel 14
De aanvraag voor subsidie, omvat in ieder geval:
a. a. een regionaal visiedocument als bedoeld in artikel 15; b. b. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 16; c. c. een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 17; d. d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 18; en e. e. een publieksvriendelijke samenvatting van de aanvraag.
Artikel 15
1. In het regionaal visiedocument wordt opgenomen de visie van de partijen in het samenwerkingsverband op de arbeidsmarkt en de aansluiting van het aanbod van beroepsopleidingen daarop in de desbetreffende regio.
2. Het regionaal visiedocument vloeit voort uit de kwaliteitsagenda van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022.
3. Indien het regionaal visiedocument afwijkt van de kwaliteitsagenda, bedoeld in het tweede lid, of indien de kwaliteitsagenda niet wordt goedgekeurd, motiveert de instelling waarom voor dit onderwerp een publiek-private samenwerking noodzakelijk is.
4.
Het regionaal visiedocument bevat de volgende onderwerpen:
a. a. een beschrijving van de regio waarvoor de publiek-private samenwerking actief is; b. b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de publiek-private samenwerking zich op richten; c. c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de betreffende sector; d. d. een overzicht van de partijen, bedoeld in onderdeel c, met wie wordt samengewerkt binnen de publiek-private samenwerking en een beschrijving van de rol van deze partijen; e. e. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de bestaande regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de publiek-private samenwerking; f. f. een beschrijving van de uitkomst van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector, bedoeld in onderdeel c.
5. Het regionaal visiedocument onderbouwt dat de aanvraag aansluit bij het uitgangspunt van een doelmatig aanbod van beroepsopleidingen tussen onderwijsinstellingen.
Artikel 16
1. In het plan van aanpak wordt beschreven op welke wijze de publiek-private samenwerking wordt vormgegeven op basis van de analyses neergelegd in het regionaal visiedocument, bedoeld in artikel 15.
2.
Het plan van aanpak bevat in ieder geval:
a. a. een activiteitenplan; b. b. de doelstellingen van de publiek-private samenwerking; c. c. een beschrijving van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt vormgegeven; d. d. een overzicht van de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop de publiek-private samenwerking betrekking heeft; e. e. een omschrijving waaruit de verdeling van de taken tussen partijen van het samenwerkingsverband blijkt en waaruit blijkt dat partijen in staat zijn om het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren; f. f. een beschrijving van de opbrengst voor de individuele partijen van deelname aan het samenwerkingsverband; g. g. een analyse van de risico’s van de publiek-private samenwerking en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt; h. h. een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de publiek-private samenwerking door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld; i. i. afspraken over de wijze waarop scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en instellingen voor hoger onderwijs in de regio gebruik kunnen maken van de faciliteiten van de publiek-private samenwerking en de eventuele tegenprestatie die hiervoor wordt verricht, j. j. een beschrijving van het draagvlak voor het project onder docenten en studenten en de wijze waarop deze worden betrokken bij de vormgeving van het project, en k. k. een uitwerking van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode.
3.
Het activiteitenplan bevat:
a. a. een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten voor het eerste jaar van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de overige jaren van de projectperiode bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; en b. b. ten minste een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, voor de periode na de tussentijdse beoordeling.
4.
In geval van een project als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, bevat:
a. a. het plan van aanpak tevens een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op het project waarvan de subsidieperiode is afgerond; b. b. het activiteitenplan tevens een beschrijving van de activiteiten die worden gerealiseerd, waardoor het project aan het einde van de subsidieperiode aanzienlijk zal zijn verbreed en verdiept.
Artikel 17
1. De meerjarenbegroting bevat een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren waarin uitsplitsing is gemaakt in omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2.
De meerjarenbegroting omvat daarnaast:
a. a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd; b. b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt, of waaruit ingeval van een project, bedoeld in artikel 10, blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste de helft van de totale begroting bedraagt; c. c. de omvang van de kosten voor projectmanagement; d. d. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet; e. e. indien artikel 7, vijfde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma; en f. f. een onderbouwing waaruit blijkt dat de kosten van het project aanvullend zijn op de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022.
3.
Voor de eerste helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting daarnaast:
a. a. een gedetailleerd overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband; b. b. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen; en c. c. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners.
4. Voor de tweede helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting ten minste een globale beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in het derde lid.
5. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur. Kosten voor de inzet van vrijwilligers worden niet als personeelskosten aangemerkt.
6. Indien sprake is van afschrijving van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
Artikel 18
1. De samenwerking binnen het samenwerkingsverband wordt voor de duur van het project vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.
2.
In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval geregeld:
a. a. de publiek-private samenwerking die met de subsidie en de cofinanciering duurzaam zal worden vormgegeven; b. b. de vorm van de samenwerking, waaronder in ieder geval de wijze waarop partijen betrokken zijn bij de organisatorische en bestuurlijke inrichting en de uitvoering van de publiek-private samenwerking; c. c. een beschrijving van de faciliteiten die de partijen beschikbaar stellen voor de inrichting en de uitvoering van de publiek-private samenwerking; d. d. de financiële en overige bijdragen van de partijen in het samenwerkingsverband; en e. e. de kwalificatie of de kwalificaties en de beroepsopleiding of beroepsopleidingen waarop de publiek-private samenwerking betrekking heeft.
3. In de samenwerkingsovereenkomst wordt opgenomen dat alle partijen in het samenwerkingsverband meewerken aan de voortgangsrapportage, de eindrapportage, de verantwoording en de evaluatie, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de subsidieontvanger worden verstrekt.
Paragraaf 3. Indiening en beoordeling aanvraag en voortgangsrapportage
Artikel 19
1. De subsidieaanvragen worden ingediend in de periode van 1 januari tot 1 februari en 1 juni tot 1 juli van de kalenderjaren 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023.
2. De subsidieaanvraag wordt elektronisch ingediend, met behulp van het aanvraagformulier ‘Regionaal investeringsfonds mbo’ dat beschikbaar wordt gesteld op de website van DUS-I.
3. Als tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de Minister heeft bereikt.
4. De Minister kan op het aanvraagformulier een maximumaantal pagina’s vaststellen voor de documenten, bedoeld in artikel 14.
5. De voortgangsrapportage wordt ingediend uiterlijk zes weken voor de helft van de subsidieperiode. DUS-I kan in overleg met de onderwijsinstelling een eerder of later indieningstijdstip bepalen. Het indieningstijdstip wordt opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.
6. De Minister kan een formulier vaststellen voor de voortgangsrapportage.
Artikel 20
1.
De Minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met:
a. a. het beoordelen van de aanvragen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 21, derde en vierde lid; en b. b. het beoordelen van de voortgangsrapportages op basis van de criteria, bedoeld in artikel 22, derde lid.
2. De beoordelingscommissie adviseert de Minister over de ingediende subsidieaanvragen en de voortgangsrapportages.
Artikel 21
1. De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen voor de publiek-private samenwerking die voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in paragraaf 2.
2. De beoordelingscommissie stelt de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag mondeling toe te lichten.
3.
De beoordelingscommissie beoordeelt een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aan de hand van de volgende criteria:
a. a. verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt; b. b. samenwerking en draagvlak; c. c. uitvoerbaarheid en haalbaarheid; d. d. duurzaamheid; en e. e. financiering.
4.
De beoordelingscommissie beoordeelt een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, aan de hand van de volgende criteria:
a. a. verbetering aansluiting beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt; b. b. verbreding en verdieping; c. c. onderzoekend vermogen; d. d. docent professionalisering; e. e. samenwerking en draagvlak; f. f. uitvoerbaarheid en haalbaarheid; g. g. duurzaamheid; en h. h. financiering.
5. De criteria, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
6. Indien een aanvraag naar het oordeel van de beoordelingscommissie op één van de criteria, bedoeld in het derde lid of vierde lid, bijna voldoende scoort, kan de beoordelingscommissie, mits het subsidieplafond voor de betreffende aanvraagperiode nog niet is bereikt, de Minister adviseren de aanvrager in de gelegenheid te stellen de aanvraag ten aanzien van dit criterium aan te vullen. De periode waarin de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag aan te vullen, bedraagt ten hoogste tien werkdagen. De beoordelingscommissie beoordeelt of de aanvraag, na de aanvulling, alsnog tot een voldoende oordeel leidt voor het betreffende criterium.
7. Aanvragen dienen, zo nodig na toepassing van het zesde lid, voor elk van de criteria, bedoeld in het derde lid of vierde lid, minimaal voldoende te zijn beoordeeld om door de beoordelingscommissie van een positief advies te worden voorzien.
Artikel 22
1. De beoordelingscommissie beoordeelt de voortgangsrapportages van de publiek-private samenwerkingen die voldoen artikel 27, eerste lid.
2. Indien de voortgangsrapportage daartoe aanleiding geeft, kan een gesprek met de beoordelingscommissie of een bezoek aan het project door de beoordelingscommissie onderdeel uitmaken van de tussentijdse beoordeling.
3.
De beoordelingscommissie beoordeelt de voortgangsrapportage aan de hand van de volgende criteria:
a. a. meerwaarde en draagvlak samenwerkingspartners; b. b. voortgang van het project; c. c. realiteitsgehalte van het activiteitenplan voor de periode na de tussentijdse beoordeling, mede gelet op de voortzetting van de publiek-private samenwerking na afloop van de subsidieperiode; en d. d. realiteitsgehalte van de meerjarenbegroting voor de periode na de tussentijdse beoordeling.
4. De criteria, bedoeld in het derde lid, zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.
5.
De beoordelingscommissie adviseert de Minister over:
a. a. de effecten van de uitvoering van het project; b. b. in hoeverre het project na de aanpassing van het activiteitenplan en de meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdelen c en d, nog steeds voldoet aan de doelstellingen van de regeling; en c. c. over eventuele verlaging dan wel beëindiging van de subsidieverlening.
Paragraaf 4. Besluitvorming en verplichtingen
Artikel 23
1. De beoordelingscommissie rangschikt de aanvragen per aanvraagperiode, bedoeld in artikel 19, eerste lid, die voor elk van de criteria, genoemd in artikel 21, derde of vierde lid, voldoende zijn beoordeeld, zodanig dat hij een aanvraag hoger rangschikt naarmate deze de in artikel 2 genoemde doelstelling beter realiseert. Daartoe worden de criteria, bedoeld in artikel 21, derde of vierde lid, gehanteerd. De commissie hanteert een rangschikkingslijst voor elk van de categorieën aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b.
2. Indien een aanvraag na toepassing van artikel 21, zesde lid, alsnog voldoende wordt beoordeeld voor elk van de criteria, bedoeld in artikel 21, derde of vierde lid, wordt deze aanvraag als laagste opgenomen in de rangschikking, bedoeld in het eerste lid. Indien ten aanzien van meerdere aanvragen toepassing wordt gegeven aan artikel 21, zesde lid, worden deze aanvragen als laagste opgenomen in de betreffende rangschikkingslijst, waarbij de aanvraag met een hoger puntenaantal voor de criteria, bedoeld in artikel 21, derde of vierde lid, hoger wordt geplaatst.
Artikel 24
1. De Minister besluit uiterlijk binnen zestien weken na de sluitingsdatum van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 19. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 21, zesde lid, wordt de beslistermijn van de eerste volzin verlengd met ten hoogste vier weken.
2. Indien het subsidieplafond voor een aanvraagperiode wordt overschreden, wijst de Minister op grond van de puntenaantallen op de rangschikkingslijsten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, laatste volzin, een gelijk aantal van de aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b, toe. Indien na de verdeling, bedoeld in de vorige volzin, nog meer aanvragen kunnen worden toegewezen, wijst de Minister de aanvragen met het relatief hoogste puntenaantal op de onderscheiden rangschikkingslijsten toe.
3. Indien na toepassing van het tweede lid, aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt en slechts één van de aanvragen kan worden gehonoreerd, beslist de Minister op basis van loting.
4. Indien de Minister niet tijdig besluit, deelt hij de aanvrager mede binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
5. Indien de Minister een aanvraag afwijst, omdat deze niet voldoet aan artikel 21, zevende lid, kan de aanvrager de aanvraag nog eenmaal in een later tijdvak indienen. De eerste volzin is niet van toepassing op aanvragen die in het laatste tijdvak worden ingediend.
Artikel 25
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd, indien naar het oordeel van de Minister:
a. a. de kosten van de activiteiten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen doelstellingen en de daarvan te verwachten resultaten; of b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat over de financiële haalbaarheid van de publiek-private samenwerking.
Artikel 26
1. De publiek-private samenwerking start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na het besluit tot subsidieverlening.
2. De niet op de persoon herleidbare publieksvriendelijke samenvatting, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, wordt na verlening van de subsidie gepubliceerd op website van DUS-I.
3. Subsidieontvanger deelt op verzoek van potentiële aanvragers of subsidieontvangers de onderwijs gerelateerde uitkomsten van het project.
Artikel 27
1.
De voortgangsrapportage bevat ten behoeve van de tussentijdse beoordeling in ieder geval:
a. a. een beschrijving van de voortgang ten aanzien van het realiseren van de mijlpalen, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel a; b. b. een actualisatie van de wijze waarop de publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode; c. c. een aanpassing van het activiteitenplan met daarin een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten voor het eerste jaar van de tweede helft van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de overige jaren van de tweede helft van de projectperiode bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; d. d. een aanpassing van de meerjarenbegroting voor de tweede helft van de subsidieperiode, met daarin een gedetailleerde beschrijving van de gegevens genoemd in artikel 17, derde lid, voor de tweede helft van de subsidieperiode ten einde de activiteiten van het op grond van onderdeel c aangepaste activiteitenplan te kunnen realiseren; en e. e. het verslag van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid.
2. Het samenwerkingsverband evalueert ten behoeve van de tussentijdse beoordeling de samenwerking tussen de partijen in het samenwerkingsverband.
3. De Minister kan een formulier vaststellen ten behoeve van de voortgangsrapportage.
Artikel 28
1. De Minister beoordeelt aan de hand van de voortgangsrapportage tussentijds de uitvoering van het project.
2. De beoordelingscommissie adviseert de Minister uiterlijk 8 weken na ontvangst van de voortgangsrapportage over de tussentijdse beoordeling.
3. De Minister kan besluiten het bedrag van de subsidieverlening te verlagen dan wel de subsidieverlening te beëindigen.
4. De Minister besluit in voorkomend geval uiterlijk vier weken na ontvangst van het advies van de commissie.
5. Indien de onderwijsinstelling de voortgangsrapportage niet uiterlijk op het indieningstijdstip, bedoeld in artikel 19, vijfde lid, indient, wordt de subsidieverlening ten nadele van de onderwijsinstelling gewijzigd. Voorafgaand aan de wijziging van de subsidieverlening wordt de betaling van het in artikel 31, eerste lid, bedoelde voorschot geheel of gedeeltelijk opgeschort.
6. De tussentijdse beoordeling kan niet leiden tot verhoging van de subsidieverlening.
Artikel 29
1. De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig, de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 2, zoals bedoeld in richtlijn RJ660 van de Raad van de Jaarverslaggeving.
2. Naast de financiële verantwoording, bedoeld in het eerste lid, toont de subsidieontvanger aan de hand van de eindrapportage aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
3. De eindrapportage voldoet aan de eisen die de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS stelt aan het activiteitenverslag.
4. De eindrapportage wordt binnen tien weken na afloop van de subsidieperiode gezonden aan de Minister.
5. De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.
6. Indien het totaal van de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering voor een project als bedoeld in artikel 8 meer bedraagt dan twee derde deel van de meerjarenbegroting, wordt, indien in de eindrapportage wordt aangetoond dat het project succesvol is afgerond, de hoogte van het subsidiebedrag, voor zover dit bedrag is besteed aan de doelstellingen van het project, omschreven in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 16, vastgesteld op een derde deel van de meerjarenbegroting.
7. Indien het totaal van de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering voor een project als bedoeld in artikel 10 meer bedraagt dan 50% van de meerjarenbegroting, wordt, indien in de eindrapportage wordt aangetoond dat het project succesvol is afgerond, de hoogte van het subsidiebedrag, voor zover dit bedrag is besteed aan de doelstellingen van het project, omschreven in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 16, vastgesteld op 50% van de meerjarenbegroting.
Artikel 30
1. De melding, bedoeld in artikel 5.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, geschiedt schriftelijk aan DUS-I via het e-mailadres ocwsubsidies@minvws.nl.
2. De melding wordt in afschrift verzonden aan het Ministerie van OCW, directie MBO (IPC: 2150), Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
Artikel 31
1. De subsidieontvanger ontvangt elk kwartaal een voorschot.
2. Het eerste voorschot bedraagt 25 procent van de totale subsidie.
3. De overige voorschotten bedragen een evenredig deel van het resterende subsidiebedrag.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 32
1. De Minister draagt uiterlijk in 2021 zorg voor tussentijdse evaluatie van deze regeling.
2. De subsidieaanvrager werkt mee aan de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk door de Minister.
Artikel 32a
1.
Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling gedurende de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat zal zijn om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 7, vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar; b. b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid; of c. c. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid.
2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3.
Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, en de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, en 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend; b. b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend; c. c. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste 50% van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste 25% van die begroting bedraagt; of d. d. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 29, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.
5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b of c.
Artikel 32b
1. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de voortgang van het project heeft, beschrijft het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 27, eerste lid, in de voortgangsrapportage waaruit die invloed bestaat, welke maatregelen zijn of worden genomen om een goede voortgang desondanks zoveel mogelijk te waarborgen en eventueel welke onzekerheden er daarbij zijn. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid.
2.
De beoordelingscommissie kan in aanvulling op artikel 22, derde tot en met vijfde lid:
a. a. de omstandigheden en maatregelen zoals die blijken uit de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, meewegen in de beoordeling van de voortgangsrapportage; b. b. de mogelijkheden van de Minister, bedoeld in artikel 32a, eerste en derde lid, meewegen in de beoordeling van de voortgangsrapportage; c. c. de Minister adviseren het bevoegd gezag een termijn te geven waarbinnen de voortgangsrapportage moet worden aangepast of aangevuld of waarbinnen de Minister over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet worden geïnformeerd; en d. d. de Minister adviseren gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 32a, vijfde lid.
3.
De Minister kan in aanvulling op artikel 28:
a. a. de omstandigheden en maatregelen zoals die blijken uit de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, meewegen in de tussentijdse beoordeling; b. b. de mogelijkheden bedoeld in artikel 32a, eerste en derde lid, meewegen in de tussentijdse beoordeling; c. c. het bevoegd gezag een termijn geven waarbinnen de voortgangsrapportage moet worden aangepast of aangevuld of waarbinnen de Minister over de nadere ontwikkelingen rondom COVID-19 moet worden geïnformeerd, en daarbij zo nodig artikel 28, vijfde lid, overeenkomstig toepassen; en d. d. in plaats van artikel 28, derde lid, gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, waarbij de Minister zo nodig kan afwijken van termijn, bedoeld in artikel 28, vierde lid.
4. Indien de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan grote invloed op de doelrealisatie van het project heeft gehad, beschrijft het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling in aanvulling op de onderdelen genoemd in artikel 29, tweede en derde lid, in de eindrapportage waaruit die invloed heeft bestaan en welke maatregelen zijn genomen om een goede doelrealisatie desondanks zoveel mogelijk te waarborgen. Het bevoegd gezag kan daarbij een verzoek doen als bedoeld in artikel 32a, derde lid.
Artikel 33
1. Artikel 15, tweede lid, is niet van toepassing op de eerste aanvraagperiode van het kalenderjaar 2019.
2. De aanvragers die een aanvraag hebben ingediend op grond van artikel 11, eerste lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo, maar waarvan de aanvraag eenmaal is afgewezen, worden in de gelegenheid gesteld de aanvraag nog eenmaal in te dienen op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 34
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die voor die datum zijn verstrekt.
Artikel 35
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.