40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo | BWBR0038484 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-12-07 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0038484 | Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo |
Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*bedrag voor behoud of verbetering:* onderdeel van het variabele bedrag, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder b;
b. b.
*bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
c. c.
*bovenbouw havo/vwo:* vierde en vijfde leerjaar van het havo en het vierde, vijfde en zesde leerjaar van het vwo;
d. d.
*bovenbouw vmbo:* derde en vierde leerjaar van het vmbo en het eerste en tweede leerjaar van de vakmanschapsroute en de beroepsroute, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder respectievelijk a en b, van het Besluit experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014–2022;
e. e.
*havo:* hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.5 van de wet;
f. f.
*leerling:* leerling als bedoeld in de wet;
g. g.
*nieuwe voortijdig schoolverlater:* jongere die op 1 oktober:
1)
niet is ingeschreven bij een school of instelling in de zin van artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande jaar wel was ingeschreven bij een school en op die datum jonger was dan 22 jaar;
2)
niet in het bezit is van een havo- of vwo-diploma of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; en
3)
niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs;
-
-
niet is ingeschreven bij een school of instelling in de zin van artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande jaar wel was ingeschreven bij een school en op die datum jonger was dan 22 jaar;
-
-
-
niet in het bezit is van een havo- of vwo-diploma of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; en
-
-
-
niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs;
-
h. h.
*onderbouw:* eerste en tweede leerjaar van het vmbo en het eerste, tweede en derde leerjaar van het havo en vwo;
i. i.
*prestatienormbedrag:* onderdeel van het variabele bedrag, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a;
j. j.
*school:* een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, met uitzondering van scholen voor praktijkonderwijs;
k. k.
*schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;
l. l.
*variabele bedrag:* bedrag, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b;
m. m.
*vaste bedrag:* bedrag, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a;
n. n.
*vmbo:* voorbereidend beroepsonderwijs en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs tezamen, als bedoeld in artikel 2.93, derde lid, van de wet;
o. o.
*vwo:* voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in artikel 2.4 van de wet;
p. p.
*wet:*
Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2
1. Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters maakt de minister gebruik van de gegevens bedoeld in artikel 18 van het Besluit register onderwijsdeelnemers met betrekking tot onderwijsdeelnemers die zijn ingeschreven aan onderwijsinstellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en onderwijsinstellingen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2. Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters wordt berekend op grond van de berekeningswijze in bijlage 1.
Artikel 3
1. De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022 ambtshalve aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van scholen die bijdragen aan het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters per jaar, gemeten over het schooljaar 2021–2022.
2. Het vaste bedrag wordt telkens voor één jaar verstrekt en betaald in de maand november voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.
3. Het variabele bedrag wordt telkens voor één jaar verstrekt en betaald in de maand november volgend op het desbetreffende kalenderjaar.
Artikel 4
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4 en 6.
Artikel 5
1. De aanvullende bekostiging kan worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
2. De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaglegging overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
Artikel 6
1. Voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022 is voor het verstrekken van het vaste bedrag en het variabele bedrag jaarlijks maximaal € 17.100.000 beschikbaar.
2.
Van het bekostigingsplafond, bedoeld in het eerste lid, is in de kalenderjaren 2017 tot en met 2022 jaarlijks:
a. a. € 8.550.000 bedoeld voor het vaste bedrag; en b. b. € 8.550.000 bedoeld voor het variabele bedrag.
3.
Het variabele bedrag bestaat uit:
a. a. het prestatienormbedrag; en b. b. het bedrag voor behoud of verbetering.
4. Indien het deel van het bekostigingsplafond dat is bestemd voor respectievelijk het vaste dan wel het variabele bedrag wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende bekostiging naar evenredigheid per school verlaagd.
Artikel 7
1. Indien het bekostigingsplafond voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende deel verdeeld over de scholen die in het betreffende kalenderjaar aanspraak maakten op een deel van het vaste bedrag. De verstrekking en betaling voor de kalenderjaren 2017 en 2018 geschieden in de maand maart, twee jaar volgend op het kalenderjaar waarvoor het bekostigingsplafond is ingesteld. Voor de kalenderjaren 2019, 2020, 2021 en 2022 geschieden de verstrekking en betaling uiterlijk in de maand december, volgend op het kalenderjaar waarvoor het bekostigingsplafond is ingesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde verdeling geschiedt naar rato van het percentage dat scholen hebben ontvangen voor het vaste bedrag in verhouding tot het landelijke totaal van de uitgekeerde vaste bedragen. Het percentage wordt per school berekend door het vaste bedrag dat de school heeft ontvangen te delen door het totaal van de verstrekte vaste bedragen. De school krijgt dientengevolge een zelfde percentage van het resterende deel, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Artikel 8
1. Het vaste bedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 9 genoemde berekeningswijze.
2. Het prestatienormbedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 10 genoemde berekeningswijze.
3. Het bedrag voor behoud of verbetering wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 11 genoemde berekeningswijze.
4.
Bij de berekening van het vaste bedrag, bedoeld in artikel 9, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2015; b. b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2016; c. c. voor het kalenderjaar 2019: op 1oktober 2017; d. d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2018; e. e. voor het kalenderjaar 2021: op 1oktober 2019; f. f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2020.
5.
Bij de berekening van het variabele bedrag, bedoeld in de artikelen 10 en 11, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks per schoolsoort en leerjaren bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2016. b. b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2017; c. c. voor het kalenderjaar 2019: op 1 oktober 2018; d. d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2019; e. e. voor het kalenderjaar 2021: op 1 oktober 2020; f. f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2021.
6. In het geval er sprake is van splitsing of samenvoeging tussen de peilmomenten en het moment waarop verstrekking van de aanvullende bekostiging voor het betreffende kalenderjaar plaatsvindt, zal voor de berekening van de aanvullende bekostiging worden uitgegaan van de situatie alsof de splitsing of samenvoeging op het eerste peilmoment reeds tot stand was gekomen.
Artikel 9
1. De hoogte van het vaste bedrag per school wordt vastgesteld aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld.
2.
De hoogte van het vaste bedrag per school wordt vastgesteld op grond van tabel 1.
| aantal leerlingen tot 22 jaar per school | bedrag per school |
|---|---|
| 10 – 900 | € 9.000 |
| 901 – 1400 | € 12.000 |
| 1401 – 1900 | € 16.000 |
| 1901 – 2500 | € 17.500 |
| 2501 – 4000 | € 22.500 |
| meer dan 4000 | € 40.000 |
Artikel 10
1. De hoogte van het prestatienormbedrag per school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo van die school ten opzichte van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo.
2. De uitkomst van de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.
3. Indien het percentage, bedoeld in het tweede lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm voor de betreffende schoolsoort en leerjaren, genoemd in tabel 2, dan komt de school in aanmerking voor het prestatienormbedrag.
4.
De hoogte van het prestatienormbedrag per school wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo, genoemd in tabel 3.
| onderbouw | bovenbouw vmbo | bovenbouw havo/vwo | |
|---|---|---|---|
| 2016–2017 | 0.75% | 3.0% | 0.5% |
| 2017–2018 | 0.5% | 2.0% | 0.5% |
| 2018–2019 | 0.5% | 2.0% | 0.5% |
| 2019–2020 | 0.5% | 2.0% | 0.5% |
| 2020–2021 | 0.5% | 2.0% | 0.5% |
| 2021–2022 | 0.5% | 2.0% | 0.5% |
| aantal leerlingen tot 22 jaar | bedrag per school | |
|---|---|---|
| onderbouw | ||
| 10 – 900 | € 1.750 | |
| 901 – 1400 | € 3.750 | |
| meer dan 1400 | € 5.750 | |
| bovenbouw van het vmbo | ||
| 10 – 450 | € 1.750 | |
| 451 – 750 | € 3.750 | |
| meer dan 750 | € 5.750 | |
| bovenbouw van het havo en vwo | ||
| 10 – 475 | € 1.750 | |
| 476 – 675 | € 3.750 | |
| meer dan 675 | € 5.750 |
Artikel 11
1. Om in aanmerking te komen voor een deel van het bedrag voor behoud of verbetering, dient een school voor een schoolsoort en leerjaren aanspraak te maken op een deel van het prestatienormbedrag en dient het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in die betreffende schoolsoort en leerjaren op de school minder of gelijk te zijn aan het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in het kalenderjaar ervoor.
2.
De hoogte van het bedrag voor behoud of verbetering per school wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo, genoemd in tabel 4.
| aantal leerlingen tot 22 jaar | bedrag per school | |
|---|---|---|
| onderbouw | ||
| 10 – 900 | € 3.000 | |
| 901 – 1400 | € 6.000 | |
| meer dan 1400 | € 9.000 | |
| bovenbouw van het vmbo | ||
| 10 – 450 | € 3.000 | |
| 451 – 750 | € 6.000 | |
| meer dan 750 | € 9.000 | |
| bovenbouw van het havo en vwo | ||
| 10 – 475 | € 3.000 | |
| 476 – 675 | € 6.000 | |
| meer dan 675 | € 9.000 |
Artikel 12
1. Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage 1, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit leidt tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende school, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, bedoeld in tabel 2.
2. Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een school de toepassing van de peilmomenten, bedoeld in artikel 8, vierde en vijfde lid, voor het vaste bedrag of het prestatienormbedrag zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.
Artikel 12a
Deze regeling is mede gebaseerd op artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo.