rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkering-additionele-capaciteit-voor-toezicht-en-handhaving/BWBR0046881
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing BWBR0046881 ministeriele-regeling geldend 2022-07-12 https://wetten.overheid.nl/BWBR0046881 Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing

Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • additionele capaciteit: de capaciteit die door een omgevingsdienst wordt ingezet in aanvulling op de reeds ingezette en geplande capaciteit voor toezicht- en handhavingsactiviteiten op de energiebesparingsplicht, met uitzondering van geplande capaciteit in het kader van de VUE;
  • energiebesparingsplicht: de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • EU ETS-deelnemer: bedrijf of instelling waarop artikel 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is;
  • fte: fulltime-equivalent, de rekeneenheid voor de omvang van een baan of voor de totale personeelssterkte, waarbij één fte gelijk staat aan een werkweek van 36 uur;
  • informatieplicht: de verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 5.15a van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • kwaliteitscriteria VTH: de kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, bedoeld in Kwaliteitscriteria 2.2 zoals vastgesteld door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
  • minister: Minister voor Klimaat en Energie;
  • nulsituatie: de stand van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht op basis van het budget en een omschrijving van de reeds geplande capaciteit uitgedrukt in fte hiervoor over het gehele jaar 2021 of 2022;
  • omgevingsdienst: omgevingsdienst die is ingesteld als een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
  • onderzoeksplicht: de verplichting tot het verrichten van een onderzoek naar de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • toezichts- en handhavingsactiviteiten: activiteiten in het kader van het toezicht op en de handhaving van de energiebesparingsplicht en informatieplicht als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling;
  • VUE: Versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht.

Artikel 2

Deze regeling heeft tot doel om meerjarig additionele capaciteit voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te realiseren.

Artikel 3

De minister kan op aanvraag aan een omgevingsdienst een specifieke uitkering verstrekken voor de uitvoering van activiteiten in de periode 2022 tot en met 2026 die bijdragen aan het doel zoals genoemd in artikel 2 en zoals opgenomen in bijlage 1.

Artikel 4

1. Het bedrag dat voor de jaren 2022 tot en met 2026 voor de specifieke uitkeringen beschikbaar is gesteld is € 56 miljoen.

2. De minister verstrekt ten hoogste één specifieke uitkering per omgevingsdienst en de specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

3. De minister kan aan een omgevingsdienst voorschotten op het toegekende bedrag van een specifieke uitkering verlenen.

4. De bevoorschotting en uitbetaling van de specifieke uitkering aan een omgevingsdienst geschiedt in de jaren 2022 tot en met 2026 jaarlijks en bedraagt voor het desbetreffende jaar ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

5. De bevoorschotting en uitbetaling voor het jaar 2022 geschiedt enkel indien een omgevingsdienst een aanvraag als bedoeld in artikel 5 heeft ingediend vóór 11 november 2022.

6. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de omgevingsdienst die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Artikel 5

1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag aan een omgevingsdienst verstrekt.

2. Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 31 maart 2023.

3. Een omgevingsdienst verklaart met het doen van de aanvraag dat de aanvraag is afgestemd met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

4.

Een aanvraag bevat in ieder geval:

a. a. de naam van de omgevingsdienst; b. b. de contactgegevens van de contactpersoon bij de omgevingsdienst; c. c. de datum van de aanvraag; d. d. de hoogte van de aangevraagde specifieke uitkering, die ten hoogste het bedrag opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling bedraagt; en e. e. een projectplan.

5.

Het projectplan, bedoeld in het vierde lid, onder d, bevat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de nulsituatie op basis waarvan de additionele capaciteit van de met deze specifieke uitkering te verrichten activiteiten onderbouwd wordt; b. b. een beschrijving van de doelgroep bestaande uit geïdentificeerde bedrijven en naar verwachting nog te identificeren bedrijven opgedeeld in informatieplichtig, onderzoeksplichtig (niet EU ETS) en EU ETS-deelnemers; c. c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten, bedoeld in bijlage 2, worden ingericht, uitgevoerd en gemonitord voor de jaren 2022 en 2023, onderverdeeld naar het beoogde aantal bedrijven per jaar en opgedeeld in informatieplichtig, onderzoeksplichtig en EU ETS-deelnemers; d. d. een beschrijving op hoofdlijnen van de wijze waarop en de keuze voor de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, wordt ingericht, uitgevoerd en gemonitord voor de jaren 2024 tot en met 2026; e. e. een gespecificeerde begroting, die inzicht geeft in de uitgaven van de omgevingsdienst, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten en de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd; en f. f. een verklaring waarin is opgenomen dat de activiteiten zoals opgenomen in het projectplan worden uitgevoerd conform de kwaliteitscriteria VTH.

6. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 6

1. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan de in het projectplan opgenomen activiteiten en in de jaren 2022 tot en met 2026 wordt besteed.

2. De omgevingsdienst besteedt minimaal 70% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel A.

3.

In aanvulling op het tweede lid draagt de omgevingsdienst er zorg voor dat er door besteding van de specifieke uitkering in de periode waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt:

a. a. één extra fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht wordt aangetrokken; en b. b. de werkzaamheden van deze extra fte voor tenminste 90% worden besteed aan de in bijlage 1, onderdeel A, genoemde activiteiten.

4. Indien het jaarlijkse bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, voor de omgevingsdienst minder bedraagt dan € 140.000,, kan de omgevingsdienst in afwijking van het derde lid, onder a, volstaan met het aantrekken van 0,5 fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht.

5. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat in de jaren 2023 tot en met 2026 jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen worden besteed.

6. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de werkzaamheden van de extra fte, bedoeld in het derde lid, of van de 0,5 extra fte, bedoeld in het vierde lid, en de in het projectplan opgenomen activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A en B1 niet door derden worden uitgevoerd of ingevuld.

7. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de in het projectplan opgenomen activiteiten uiterlijk op 31 december 2026 zijn afgerond.

8. De omgevingsdienst werkt gedurende de looptijd van de specifieke uitkering jaarlijks, met startdatum 1 oktober 2023, de onderdelen van het projectplan, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b, c, d en e bij.

Artikel 7

1. De omgevingsdienst rapporteert uiterlijk op 1 april en 1 oktober van het desbetreffende kalenderjaar aan de minister over de voortgang van de in het projectplan opgenomen activiteiten.

2.

De in het eerste lid genoemde rapportage omvat in ieder geval:

a. a. de in bijlage 1, onderdeel A, genoemde activiteiten, onderverdeeld naar:

        1°.
        informatieplichtige bedrijven;
      
      
        2°.
        onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en
      
      
        3°.
        EU ETS-deelnemers.

1°. 1°. informatieplichtige bedrijven; 2°. 2°. onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en 3°. 3°. EU ETS-deelnemers. b. b. het aantal uitgevoerde hercontroles op de energiebesparingsplicht onderverdeeld naar het aantal bedrijven per jaar, onderverdeeld naar:

        1°.
        informatieplichtige bedrijven;
      
      
        2°.
        onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en
      
      
        3°.
        EU ETS-deelnemers.

1°. 1°. informatieplichtige bedrijven; 2°. 2°. onderzoeksplichtige (niet ETS) bedrijven; en 3°. 3°. EU ETS-deelnemers. c. c. het aantal geconstateerde overtredingen onderverdeeld in:

        1°.
        gebouwmaatregelen;
      
      
        2°.
        procesmaatregelen; en
      
      
        3°.
        faciliteitmaatregelen.

1°. 1°. gebouwmaatregelen; 2°. 2°. procesmaatregelen; en 3°. 3°. faciliteitmaatregelen. d. d. additioneel aangenomen fte ten opzichte van de nulsituatie; en e. e. het aantal nog te bezoeken bedrijven op basis van het projectplan.

3. De rapportage, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

4. Indien de rapportages, bedoeld in het tweede en derde lid, niet overeenkomen met de in het projectplan beoogde uitvoering van de activiteiten kan de minister hierover in overleg treden met de omgevingsdienst.

Artikel 8

De minister wijst een aanvraag af indien:

a. a. de geraamde uitgaven voor de activiteiten zoals opgenomen in de begroting, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder e, onvoldoende bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 2; of b. b. er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd niet of niet geheel zullen worden uitgevoerd of de omgevingsdienst niet zal voldoen aan de in deze regeling opgenomen verplichtingen.

Artikel 9

De omgevingsdienst doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

a. a. de in het projectplan, bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder e, opgenomen activiteiten niet, niet tijdig, of niet geheel zullen worden verricht; of b. b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 10

1. De omgevingsdienst legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de omgevingsdienst als ontvanger van de specifieke uitkering.

Artikel 11

De minister stelt de specifieke uitkering overeenkomstig de verlening vast, tenzij:

a. a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend, niet of niet volledig hebben plaatsgevonden, of b. b. niet is voldaan aan de verplichtingen en monitoringseisen, bedoeld in de artikelen 6 en 7.

Artikel 12

Wijzigt deze regeling.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 12, dat in werking treedt per 1 januari 2024.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing.

Bijlage 1. Activiteiten als bedoeld in

Bijlage 2. Bedragen per omgevingsdienst als bedoeld in