rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkering-beschikbaarheidsvergoeding-regionale-ov-concessies/BWBR0044252
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020 BWBR0044252 ministeriele-regeling geldend 2020-10-22 https://wetten.overheid.nl/BWBR0044252 Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020

Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
  • beschikbaarheidsvergoeding: vergoeding aan de concessiehouder in het regionaal openbaar vervoer in verband met de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 en tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt;
  • concessie: regionale vervoersconcessie, genoemd in bijlage 1;
  • concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie een concessie is verleend, genoemd in bijlage 1;
  • concessieverlener: tot verlening van een concessie bevoegd gezag, bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid van de Wet personenvervoer 2000, en genoemd in bijlage 1;
  • dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed;
  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • ontvanger: concessieverlener;
  • regionaal openbaar vervoer: voor een ieder openstaand regionaal personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
  • regionaal openbaar vervoersbedrijf: vervoerder die regionaal openbaar vervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
  • volwaardige dienstregeling: dienstregeling waarbij met een optimale inzet van personeel en materieel wordt gestreefd naar een maximale capaciteit.

Artikel 2

Op deze regeling zijn de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste tot en met vierde lid, onderdelen a, c, f en g, 11, 12, aanhef en onderdelen c tot en met e en g tot en met k, 14, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met c en e tot en met g, 18, 21, 23, tweede, derde en vijfde lid, en 24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

De Minister verleent op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering per concessie aan de ontvanger, om hem in staat te stellen een beschikbaarheidsvergoeding te verstrekken.

Artikel 4

1. De specifieke uitkering bedraagt 93% van de kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, bedoeld in bijlage 2, verminderd met 100% van de gerealiseerde opbrengsten in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020, bedoeld in bijlage 3.

2. De specifieke uitkering kan op aanvraag van de concessieverlener worden verhoogd indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend in 2019 een winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd.

3. De verhoging bedraagt twee procentpunt.

4. Met betrekking tot de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2 wordt een bedrag verstrekt van maximaal 110% van de geschatte kosten.

5. Bij onvoorziene omstandigheden kan dit bedrag, bedoeld in het vierde lid, op aanvraag worden verhoogd.

6.

Van de kosten en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid, worden buiten aanmerking gelaten:

a. a. kosten die geen betrekking hebben op het regionaal openbaar vervoer als overeengekomen in de vervoersconcessie; b. b. kosten en opbrengsten van activiteiten als overeengekomen in de vervoersconcessie waarbij sprake is van 100% bekostiging door de concessieverlener; en c. c. kosten die afwijken of nieuw zijn ten opzichte van 2019, tenzij deze aantoonbaar en gemotiveerd noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de vervoersconcessie en, hoewel niet vermeld in de vervoersconcessie, zijn overeengekomen met de concessieverlener.

Artikel 5

1. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt elektronisch, per concessie en uiterlijk op 1 december 2020 ingediend.

2.

In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M in ieder geval vermeld:

a. a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. de geschatte reizigersinkomsten en andere ontvangsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020; c. c. de geschatte kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020; d. d. de geschatte kosten van tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt; e. e. de door de concessiehouder genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten van zowel overheden als overige partijen waardoor de financiële gevolgen van de daling van de inkomsten dan wel de kosten zijn of worden beperkt; en f. f. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt aangevraagd.

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag; en b. b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

4. Indien wordt verzocht om een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, dient de ontvanger een aanvullende aanvraag in.

5. De ontvanger wordt in de gelegenheid gesteld de uitkeringsaanvraag binnen twee weken aan te vullen met de op grond van dit artikel te verstrekken gegevens.

Artikel 6

1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.

2.

De ontvanger verstrekt een subsidie aan de concessiehouder of past de vervoersconcessie aan, onder in ieder geval de volgende voorwaarden:

a. a. de concessiehouder voert in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 een volwaardige dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer; b. b. vermelding van het maximale bedrag dat kan worden besteed aan de tussen concessieverlener en concessiehouder overeengekomen maatregelen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, alsmede een onderbouwing daarvan; c. c. de concessieverlener vermeldt bij aanvraag de genoten of verwachte subsidie, tegemoetkoming of andere baten, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e; d. d. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, tweede lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder, met een accountantsverklaring en een rapport van bevindingen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; e. e. het bepaalde in het derde tot en met het negende lid.

3.

De beschikbaarheidsvergoeding wordt niet aangewend voor:

a. a. de verstrekking van bonussen of een ontslagvergoeding aan de bestuurders of het hoger management van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren; b. b. een winstuitkering aan de bestuurders van de concessiehouder over 2019 of eerdere jaren; en c. c. een uitkering van dividend aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over 2019 of eerdere jaren.

4.

Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien over 2020:

a. a. bonussen of een ontslagvergoeding worden verstrekt aan bestuurders of het hoger management van de concessiehouder; b. b. een winstuitkering wordt verstrekt aan de bestuurders van de concessiehouder; of c. c. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

5. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2020 koopt de concessiehouder, zijn bestuur of hogere management geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

6. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2020.

7. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2019 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

8. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

9. De ontvangers en de concessiehouders verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 7

1. Gelijktijdig met het besluit tot verlening van de specifieke uitkering verleent de Minister aan de ontvanger een voorschot van 80% van de specifieke uitkering.

2. Het voorschot wordt uiterlijk op 29 december 2020 uitgekeerd.

3. Door middel van een aanvullende aanvraag kan de ontvanger verzoeken tot een voorschot van het resterende bedrag van de specifieke uitkering. De aanvullende aanvraag gaat vergezeld van een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, tweede lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder, met een accountantsverklaring en een rapport van bevindingen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 8

De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van een specifieke uitkering als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet vóór 16 juli 2022.

Artikel 9

1. De Minister stelt een specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2022 overeenkomstig de beschikking tot verlening vast.

2.

De specifieke uitkering kan op een lager bedrag worden vastgesteld indien:

a. a. de specifieke uitkering niet of niet volledig overeenkomstig het doel van deze regeling is besteed; b. b. niet of niet volledig is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6; of c. c. niet of niet volledig is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.

3. De vaststelling vindt plaats op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 10

1.

De ontvanger stelt aan de Minister ten behoeve van rapportage aan de Europese Commissie, binnen twee jaar na goedkeuring van de steunmaatregel voor de beschikbaarheidsvergoeding voor alle concessiehouders die gebruik maken van deze compensatie verleend door de betreffende ontvanger de volgende gegevens beschikbaar:

a. a. het bedrag aan compensatie; en b. b. het bedrag aan teruggevorderd voordeel.

2. De onder het eerste lid genoemde gegevens worden tien jaar bewaard om aan eventuele onderzoeksverplichtingen vanuit de Europese Commissie op grond van de staatssteunregels te kunnen voldoen.

Artikel 11

De minister publiceert voor 31 december 2022 een verslag over de doelmatigheid, de doeltreffendheid en andere effecten van de specifieke uitkering in de praktijk.

Artikel 12

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang 1 januari 2021 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2020.

Bijlage 1. Concessies, concessieverleners en concessiehouders (

Bijlage 2. Kosten die in aanmerking komen voor een beschikbaarheidsvergoeding (

Bijlage 3. Gerealiseerde opbrengsten in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 (