40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (derde tranche) | BWBR0050481 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-11-30 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0050481 | Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (derde tranche) |
Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (derde tranche)
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
aandachtsgroepen: vergunninghouders, arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten, woonwagenbewoners en ouderen. 1° betaalbare woning:
1° sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; 2° huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; of 3° betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste het bedrag bedoeld in artikel 1, onderdeel c, subonderdeel 3, eerste volzin van het Besluit Woningbouwimpuls 2020.
1° 1° sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; 2° 2° huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; of 3° 3° betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste het bedrag bedoeld in artikel 1, onderdeel c, subonderdeel 3, eerste volzin van het Besluit Woningbouwimpuls 2020.
- minister: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Artikel 2
1.
De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de provincie ten behoeve van de financiering van capaciteitsondersteuning in de organisatie van de provincie, de gemeente, het waterschap of een regionaal samenwerkingsverband ter bevordering van:
a. a. de vergunningverlening voor woningbouwprojecten; b. b. de totstandkoming van lokale of regionale integrale woonzorgvisies en het realiseren van betaalbare woningen met passende zorg en ondersteuning voor aandachtsgroepen; c. c. het voorbereiden van een woningbouwproject of herstructureringsproject; d. d. het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; e. e. het opstellen van een omgevingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure; f. f. het vitaal en leefbaar maken en houden van vakantieparken; of g. g. de transformatie van vakantieparken naar woningen.
Artikel 3
De specifieke uitkering is per provincie vastgesteld en bedraagt exclusief btw:
a. a. Drenthe: € 895.757,94; b. b. Flevoland: € 1.418.636,16; c. c. Friesland: € 902.456,48; d. d. Gelderland: € 3.913.839,51; e. e. Groningen: € 1.014.617,13; f. f. Limburg: € 1.065.758,34; g. g. Noord-Brabant: € 5.560.901,76; h. h. Noord-Holland: € 6.738.062,53; i. i. Overijssel: € 1.702.547,58; j. j. Utrecht: € 3.086.860,91; k. k. Zeeland: € 916.578,54; en l. l. Zuid-Holland: € 8.733.700,55.
Artikel 4
1. De minister verleent uiterlijk 31 december 2024 bij het besluit tot verstrekking van de specifieke uitkering een voorschot van 100 procent en betaalt het voorschot in één keer uit.
2.
De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
a. a. het totale bedrag van de uitkering; b. b. het moment van uitbetaling van de uitkering; c. c. de periode waarbinnen de uitkering moet zijn besteed en de activiteiten moeten zijn afgerond; en d. d. het ingeschatte bedrag dat de provincie aan BTW verschuldigd zal zijn.
Artikel 5
1. De provincie besteedt het volledige bedrag aan specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2026 aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt.
2. Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering uiterlijk op de datum, genoemd in het eerste lid, niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. Het verzoek tot uitstel van de bestedingstermijn kan worden ingediend tussen 1 augustus en 1 oktober 2026.
3.
De provincie:
a. a. voorziet zelf in een financiële bijdrage van ten minste 50% van de kosten van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt; of b. b. financiert die activiteiten voor ten minste de duur van een jaar, gerekend vanaf de datum genoemd in het eerste lid, dan wel, indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging als bedoeld in het tweede lid, gerekend vanaf de datum na afloop van de in dat lid bedoelde termijn.
4. Aan het verstrekken van de specifieke uitkering kan de minister nadere verplichtingen verbinden.
Artikel 6
1. Gedeputeerde staten informeren de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
2. Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van de minister medewerking en verstrekken op verzoek van de minister informatie ten behoeve van de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
Artikel 7
1. Gedeputeerde staten verstrekken uiterlijk 1 april 2025 informatie over de verwachte inzet van de middelen middels het daartoe door de minister beschikbaar gestelde formulier.
2.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. a. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering naar verwachting wordt ingezet, waarbij wordt aangegeven wat de ingeschatte verhouding van de inzet van de middelen is tussen de woningbouwprojecten, herstructureringsprojecten, woonzorgvisies en vakantieparken waarbij wordt aangegeven wat de ingeschatte verhouding van de inzet van de aangevraagde middelen is met de inzet van de middelen door de gemeentelijke of provinciale organisatie; en b. b. de verwachte begin- en einddatum van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering naar verwachting wordt ingezet.
Artikel 8
1. Gedeputeerde staten leggen verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. De minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de gedeputeerde staten, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister hebben verstrekt.
3. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan gedeputeerde staten.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (derde tranche).