rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkering-inhalen-covid-19-gerelateerde-onderwijsvertraginge/BWBR0045681
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkering inhalen COVID-19-gerelateerde onderwijsvertragingen BWBR0045681 ministeriele-regeling geldend 2021-10-12 https://wetten.overheid.nl/BWBR0045681 Regeling specifieke uitkering inhalen COVID-19-gerelateerde onderwijsvertragingen

Regeling specifieke uitkering inhalen COVID-19-gerelateerde onderwijsvertragingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs; ** kinderen:

        
        degenen die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs;
    
    
        
        leerlingen; en
    
    
        
        thuiszitters;
    

degenen die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs; leerlingen; en thuiszitters;

  • kinderopvang: organisaties die kinderopvang als bedoeld in artikel 1 van de Wet kinderopvang verzorgen;
  • leerling: degene die is ingeschreven als leerling van een school als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO, artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC, artikel 7 van het Bekostigingsbesluit WVO of artikel 2.1.2, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit WEB, met uitzondering van de scholen bedoeld in artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs;
  • lokale partij: partner voor gemeentelijk onderwijs- en jeugdbeleid in en om de school namelijk: (jeugdgezondheids)zorgpartijen, bibliotheken, kinderopvang, sociaal werk, welzijnsorganisaties, sport en cultuur alsook vervolgonderwijs namelijk universiteiten, HBO- en MBO-instellingen voor wat betreft het inhalen van COVID-19 vertragingen bij kinderen;
  • Minister: de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;
  • school: uit s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, met uitzondering van de scholen bedoeld in artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs;
  • thuiszitters: alle op grond van de Leerplichtwet 1969 kwalificatie- of leerplichtige jongeren die absoluut verzuimen of kort dan wel langdurig relatief verzuimen, met uitzondering van jongeren die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969.

Artikel 2

Het plafond voor het verstrekken van de specifieke uitkeringen bedraagt in totaal € 307.864.000

Artikel 3

1. De Minister verstrekt aan alle in Europees Nederland gelegen gemeenten een eenmalige specifieke uitkering om in de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 juli 2025 in samenwerking met scholen en lokale partijen maatregelen te treffen om de onderwijsvertragingen bij kinderen als gevolg van COVID-19 in te lopen op cognitief, executief, sociaal en emotioneel vlak in aanvulling op de interventies die scholen nemen.

2.

Een specifieke uitkering wordt verstrekt voor kosten, bestaande uit:

a. a. kosten voor het nemen van bovenschoolse maatregelen of maatregelen op schoolniveau, gericht op het inhalen van onderwijsvertragingen bij kinderen opgelopen door COVID-19, waarvan gemeenten na overleg met de bevoegde gezagsorganen van in de gemeente gelegen scholen oordelen dat organisatie door de gemeente hier een toegevoegde waarde heeft; b. b. kosten voor maatregelen om de vertraging die als gevolg van COVID-19 is ontstaan in de voorschoolse periode in te lopen voor degenen die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie; c. c. kosten voor maatregelen gericht op zorg en welzijn in de school of in verlengde leertijd en extra beschikbaarheid van zorg op school om vertragingen op sociaal en emotioneel vlak als gevolg van COVID-19 in te halen, die aanvullend zijn aan de reguliere inzet van de gemeenten, en die op basis van analyse van de COVID-19 vertragingen nodig worden geacht; d. d. kosten gericht op het bevorderen van lokale (en regionale) samenwerking tussen scholen, bevoegde gezagsorganen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, en andere lokale partijen ten behoeve van de aanpak van COVID-19 vertragingen en een integrale ondersteuning van kinderen op sociaal, emotioneel, executief en cognitief vlak; e. e. kosten gericht op het betrekken van thuiszitters en leerlingen die thuiszitters dreigen te worden bij de aanpak van het inlopen van vertragingen als gevolg van COVID-19;

3.

De specifieke uitkering wordt besteed aan één of meer van de in aanmerking komende kosten bedoeld in het tweede lid. De specifieke uitkering kan ook worden besteed aan een van de volgende kosten:

a. a. kosten voor tijdelijke extra huur van bestaande huisvesting indien deze extra huisvesting nodig is voor de uitvoering van maatregelen die scholen of gemeenten in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs nemen; b. b. kosten voor ambtelijke capaciteit van de gemeente of inkoop van expertise voor de uitvoering van het Nationaal Programma Onderwijs.

4. Een specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor kosten die reeds uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of bekostigd.

Artikel 4

1.

De specifieke uitkering bestaat uit twee delen:

a. a. het eerste deel van de uitkering, waarvan de hoogte wordt bepaald door het aantal leerlingen dat op teldatum 1 oktober 2020 op vestigingen van scholen staat ingeschreven in de gemeente te vermenigvuldigen met € 118,11. b. b. het tweede deel van de uitkering, dat wordt toegekend indien voor een gemeente de uitkomst van de formule, bedoeld in het artikel 4, eerste lid, van Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid groter is dan nul voor kalenderjaar 2022, op basis van de achterstandsscores in die gemeente zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldatum 1 oktober 2019 en 1 oktober 2020. Gemeenten ontvangen in dat geval een bedrag van € 22,64 vermenigvuldigd met de som van H en I, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

2. De hoogte van de uitkering wordt aangepast op basis van de vaststelling van de definitieve leerlingenaantallen. De Minister kan in 2022 en 2023 loon- en prijsbijstelling toekennen.

Artikel 5

De gemeente:

a. a. verleent medewerking aan de Minister bij het verzamelen van informatie ten behoeve van monitoring en evaluatie van deze regeling. b. b. doet onverwijld een schriftelijke melding aan de Minister indien aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt, bedoeld in artikel 3, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet tijdig of niet geheel aan de verplichtingen in dit artikel zal worden voldaan.

Artikel 6

1. De specifieke uitkering wordt ambtshalve verleend.

2. De gemeente ontvangt de beschikking uiterlijk in december 2021.

3. De specifieke uitkering wordt in de periode van augustus 2021 tot en met juli 2023 uitbetaald in maandelijkse termijnen van gelijke omvang. De eerste betaling vindt plaats in december 2021. In deze maand wordt ook het bedrag voor de maanden augustus, september, oktober en november van het jaar 2021 uitbetaald.

Artikel 7

1. De ontvangende gemeente legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. De Minister stelt de specifieke uitkering vast nadat de gemeente de eindverantwoording, namelijk de jaarverslaggeving over uiterlijk het jaar 2026, zoals bedoeld in het eerste lid, aan de Minister heeft verstrekt.

3. Als uit de eindverantwoording blijkt dat de uitkering niet, niet geheel, of onrechtmatig is besteed kan de Minister tot twaalf maanden na het ontvangen van de eindverantwoording de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel terugvorderen.

Artikel 8

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2021.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 juli 2028.

Artikel 9

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering inhalen COVID-19-gerelateerde onderwijsvertragingen.