40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed | BWBR0044146 | ministeriele-regeling | geldend | 2020-10-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0044146 | Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed |
Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
gebouwde onroerende zaak: een gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen; a. kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren:
a. gemeenten met minder dan 25.000 inwoners op 1 oktober 2020; b. schoolbesturen van door het Rijk bekostigde scholen in het primair onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; c. schoolbesturen van door het Rijk bekostigde scholen in het voortgezet onderwijs met maximaal vijf gebouwde onroerende zaken in eigendom; d. zorgaanbieders in de langdurige zorg, met uitzondering van ziekenhuizen, en eerstelijnszorg met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; e. sportbedrijven die bestuurlijk en financieel verbonden zijn aan een gemeente met maximaal twintig gebouwde onroerende zaken in eigendom; f. culturele algemeen nut beogende instellingen met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; of g. stichtingen, verenigingen of coöperaties ter exploitatie en beheer van gebouwen met een publieksfunctie, zijnde buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of gemeenschapscentrum, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
a. a. gemeenten met minder dan 25.000 inwoners op 1 oktober 2020; b. b. schoolbesturen van door het Rijk bekostigde scholen in het primair onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; c. c. schoolbesturen van door het Rijk bekostigde scholen in het voortgezet onderwijs met maximaal vijf gebouwde onroerende zaken in eigendom; d. d. zorgaanbieders in de langdurige zorg, met uitzondering van ziekenhuizen, en eerstelijnszorg met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; e. e. sportbedrijven die bestuurlijk en financieel verbonden zijn aan een gemeente met maximaal twintig gebouwde onroerende zaken in eigendom; f. f. culturele algemeen nut beogende instellingen met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; of g. g. stichtingen, verenigingen of coöperaties ter exploitatie en beheer van gebouwen met een publieksfunctie, zijnde buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of gemeenschapscentrum, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
- de minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 2
1. De minister kan op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering verstrekken aan provincies voor activiteiten die tot doel hebben om kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren te ontzorgen bij het verduurzamen van hun maatschappelijk vastgoed.
2.
De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten:
a. a. het begeleiden van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij het verduurzamen van gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben tot aan het moment van aanbesteding van de maatregelen ter verduurzaming van deze gebouwde onroerende zaken; b. b. het stimuleren van vraagbundeling bij kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij de verduurzaming van gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben; c. c. het delen van opgedane regionale kennis en ervaring met het Kennis- en innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed.
3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten niet de bekostiging van maatregelen ter verduurzaming van de gebouwde onroerende zaken in eigendom van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren.
Artikel 3
1. Een specifieke uitkering bedraagt ten hoogste € 2.000.000 per provincie verminderd met het bedrag aan compensabele BTW.
2. De minister kan in totaal ten hoogste € 24.000.000 aan specifieke uitkeringen verstrekken verminderd met het bedrag aan compensabele BTW.
3. Het bedrag aan compensabele BTW stort de minister in het BTW-compensatiefonds.
Artikel 4
1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend vanaf 1 oktober tot en met 13 november 2020.
2.
Een aanvraag bevat ten minste:
a. a. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid; b. b. een omschrijving van het provinciaal duurzaamheidsbeleid voor de gebouwde omgeving, waaronder het maatschappelijk vastgoed; c. c. een omschrijving van regionale netwerken en structuren die benut worden voor de activiteiten; d. d. een omschrijving van de doelgroepen van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren die ontzorgd worden; e. e. het beoogde aantal kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren dat begeleid wordt bij het verduurzamen van de gebouwde onroerende zaken in hun eigendom en het aantal gebouwde onroerende zaken dat zij in eigendom hebben; f. f. een visie op het stimuleren van vraagbundeling bij kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij de verduurzaming van gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben; g. g. een omschrijving van de borging en deling van opgedane regionale kennis en ervaring; h. h. een begroting, waaronder het bedrag aan BTW-kosten waarop de provincie aanspraak kan maken uit het BTW-compensatiefonds; en i. i. de verwachte begin- en einddatum van de activiteiten.
3. Per provincie kan maximaal één keer een specifieke uitkering verstrekt worden.
4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: www.rvo.nl/ontzorgingsprogrammamv.
5. De minister beslist binnen 8 weken na het sluiten van de aanvraagtermijn op een aanvraag.
Artikel 5
1. De kosten voor levering van goederen of diensten door derden worden door de aanvrager marktconform bepaald.
2. Een specifieke uitkering kan worden verstrekt voor alle kosten die direct samenhangen met de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, die zijn opgenomen in de aanvraag.
3.
Een specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor:
a. a. kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd; en b. b. BTW voor zover deze kosten in aanmerking komen voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Artikel 6
Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt afgewezen, indien:
a. a. de activiteiten in de aanvraag niet vallen onder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid; b. b. de aanvraag minder dan 60 punten scoort bij de beoordeling op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage I; c. c. niet aannemelijk is dat de activiteiten in de aanvraag voor 1 januari 2024 zijn afgerond; of d. d. de aanvraag onvoldoende informatie bevat om te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage I.
Artikel 7
1.
De ontvanger van de eenmalige specifieke uitkering is verplicht om:
a. a. de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, af te ronden voor 1 januari 2024; b. b. De minister op verzoek te informeren over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
2. Indien de uitvoering van de activiteiten voor de datum, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de ontvanger van de specifieke uitkering niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.
Artikel 8
1. De minister kan het restant van een specifieke uitkering terugvorderen, als de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed voor 1 januari 2024.
2. In afwijking van het eerste lid kan de minister, indien sprake is van een verlenging van de termijn voor de uitvoering van de activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, het restant van een specifieke uitkering terugvorderen, als de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed voor 1 januari 2025.
Artikel 9
1. De bijlage bij de jaarrekening over het jaar waarvoor de specifieke uitkering wordt verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed.