40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering stimulering sport | BWBR0041177 | ministeriele-regeling | geldend | 2018-07-21 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0041177 | Regeling specifieke uitkering stimulering sport |
Regeling specifieke uitkering stimulering sport
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- sport: activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component.
- sportbedrijf: een aan een gemeente verbonden lichaam, zoals beschreven in de Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport.
Artikel 2
1. De minister kan aan een gemeente jaarlijks een specifieke uitkering verstrekken voor de gerealiseerde bestedingen in verband met activiteiten in het kader van sport.
2. Op grond van deze regeling wordt geen specifieke uitkering verstrekt indien voor de kosten van activiteiten op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.
3. Indien subsidie is verstrekt voor een activiteit op grond van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties, komt deze activiteit niet in aanmerking voor een uitkering op grond van onderhavige regeling.
4. Een activiteit komt slechts eenmaal voor een uitkering op grond van onderhavige regeling in aanmerking.
5. Indien aan een gemeente op grond van onderhavige regeling een uitkering wordt verstrekt voor bestedingen van een sportbedrijf, komen bestedingen van dit sportbedrijf in het betreffende jaar niet in aanmerking voor een subsidie op grond van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties.
Artikel 3
1. Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van artikel 1.4 en hoofdstuk 5.
2. Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:46, 4:48, 4:50 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in enig jaar.
Artikel 5
1. Een specifieke uitkering wordt voor ten hoogste een jaar verleend.
2. Een uitkering ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6
1. Het uitkeringsplafond bedraagt voor het jaar 2019 € 185.000.000.
2. Het uitkeringsplafond bedraagt voor het jaar 2020 € 188.000.000.
3. Het uitkeringsplafond voor het jaar 2021 bedraagt € 182.000.000.
4. Het uitkeringsplafond voor het jaar 2022 bedraagt € 185.000.000.
5. Het uitkeringsplafond voor het jaar 2023 bedraagt € 184.000.000.
6. Het uit hoofde van het plafond beschikbare bedrag wordt naar rato verdeeld indien het totaal aangevraagde bedrag het plafond overschrijdt.
Artikel 7
1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt.
2. De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt ingediend voor 1 maart in het boekjaar waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd.
3. Indien de aanvraag tot verlening incompleet is, krijgt de aanvrager twee weken de tijd om de aanvraag te completeren.
4. De aanvraag gaat vergezeld van een begroting.
5. Voor de aanvraag tot verlening van de uitkering wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
Artikel 8
1. De minister neemt binnen 13 weken na 1 maart van het jaar waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering.
2. Indien de ontvangen aanvraag op 1 maart incompleet is, kan de termijn van 13 weken, bedoeld in het eerste lid, met vier weken worden verlengd.
3. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de activiteiten waarvoor de uitkering wordt verleend, het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht.
Artikel 9
1. De ontvanger van een specifieke uitkering draagt er zorg voor dat gedurende 10 jaren na afloop van de uitkeringsperiodeperiode voor de activiteiten waarvoor uitkering is ontvangen geen recht op aftrek van omzetbelasting op grond van de Wet omzetbelasting 1968, dan wel recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds, ontstaat.
2. Indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doet de ontvanger van de uitkering onverwijld melding daarvan aan de minister.
3. Aan een uitkering kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.
Artikel 10
1. De minister verleent bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, een voorschot van 100%.
2. De minister verleent bij het besluit tot verlening van een uitkering een voorschot dat in één keer wordt betaald.
Artikel 11
1. Een ontvanger van een specifieke uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de verlening van de specifieke uitkering de verantwoordingsinformatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
2. De bijlage bij de jaarrekening over het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Artikel 12
1. Het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt, indien de gerealiseerde bestedingen in verband met de activiteiten van de aanvrager lager zijn dan het bedrag van de verleende uitkering, overeenkomstig herzien.
2. Indien sprake is van een herziening als bedoeld in het eerste lid, wordt een eventueel resterend deel van het uitkeringsplafond naar rato verdeeld over de gemeenten die blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, in het kader van de specifieke uitkering activiteiten hebben verricht voor ten minste een bedrag van € 6.000 waarvoor ze nog geen uitkering hebben ontvangen.
3. De herverdeling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt enkel indien er ten minste € 2.000.000 resteert binnen het uitkeringsplafond.
4. De herverdeling, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats twee jaar na de verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
5. Indien uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid, kan de uitkering worden herzien tot maximaal het bedrag zoals opgenomen in de aanvraag tot verlening als bedoeld in artikel 7.
Artikel 13
1. Indien na herverdeling, als bedoeld in artikel 12, tweede lid, nog een bedrag binnen het uitkeringsplafond resteert, wordt dit naar rato verdeeld over de gemeenten die blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, andere activiteiten in het kader van sport hebben verricht dan waarvoor de specifieke uitkering is aangevraagd voor ten minste een bedrag van € 6.000.
2. De verdeling naar rato, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, en vindt plaats twee jaar na de verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3. In afwijking van artikel 4 bedraagt de specifieke uitkering, indien toepassing wordt gegeven aan dit artikel, ten hoogste 17,5% van de totale gerealiseerde bestedingen in verband met de andere activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
1. Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend geheel zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op het bedrag dat is bepaald in de verlening dan wel herziene verlening van de uitkering.
2. De minister besluit uiterlijk op 31 juli in het jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, over de vaststelling van de uitkering.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering stimulering sport.