40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur | BWBR0048724 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-11-18 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0048724 | Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur |
Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- betaalbare woning: betaalbare woning als bedoeld in het Besluit Woningbouwimpuls 2020;
- bovenplanse infrastructurele voorziening: infrastructurele voorziening die nodig is voor de ontsluiting en bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en tegelijkertijd wordt gebruikt voor de ontsluiting en bereikbaarheid van bestaande wijken of locaties;
- bijlage: bijlage bij deze regeling;
- grootschalige woningbouw: woningbouw binnen een verstedelijkingsgebied met een minimale omvang van 500 woningen per locatie of buiten een verstedelijkingsgebied met een minimale omvang van 200 woningen per locatie;
- mobiliteitshub: infrastructurele voorziening die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende vervoersmodaliteiten en hun infrastructuur samenkomen;
- verstedelijkingsgebied: Metropoolregio Amsterdam, Zuidelijke Randstad, Stedelijk Brabant, Metropoolregio Utrecht, Regio Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, Regio Zwolle of Regio Groningen-Assen.
Artikel 2
Deze regeling heeft tot doel om gemeenten in staat te stellen bovenplanse infrastructurele voorzieningen te realiseren zodat op locaties in heel Nederland op korte termijn grootschalige woningbouw kan plaatsvinden.
Artikel 3
1. De minister kan op aanvraag van een gemeente, genoemd in de bijlage, een specifieke uitkering verlenen voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, genoemd in de bijlage, bij een grootschalige woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage.
2. Het bedrag van de specifieke uitkering is ten hoogste het in de bijlage bij die woningbouwlocatie genoemde maximale bedrag inclusief omzetbelasting en op basis van het prijspeil 1 juli 2022.
3.
De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:
a. a. een kaart met een geografische afbakening van de woningbouwlocatie; b. b. een omschrijving van de te realiseren infrastructurele voorziening of voorzieningen bij de woningbouwlocatie en de daarbij behorende vervoersmodaliteit of vervoersmodaliteiten; c. c. een gespecificeerde begroting die een overzicht omvat van:
1°.
de kosten van de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorziening of voorzieningen bij de woningbouwlocatie;
2°.
de ten behoeve van de infrastructurele voorzieningen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de infrastructurele voorzieningen vanwege het Rijk verleende bijdragen;
3°.
indien van toepassing de bij oplevering verwachte netto-opbrengsten van de mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten;
4°.
het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie;
5°.
de bijdrage van decentrale overheden in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie;
6°.
de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie;
7°.
het percentage van de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie in het voorziene resterend tekort per woningbouwlocatie;
1°. 1°. de kosten van de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorziening of voorzieningen bij de woningbouwlocatie; 2°. 2°. de ten behoeve van de infrastructurele voorzieningen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de infrastructurele voorzieningen vanwege het Rijk verleende bijdragen; 3°. 3°. indien van toepassing de bij oplevering verwachte netto-opbrengsten van de mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten; 4°. 4°. het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie; 5°. 5°. de bijdrage van decentrale overheden in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie; 6°. 6°. de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie; 7°. 7°. het percentage van de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie in het voorziene resterend tekort per woningbouwlocatie; d. d. het totaal aantal te realiseren woningen en het aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie; e. e. een tijdplanning van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie en van de realisatie van de daarbij horende bovenplanse infrastructurele voorzieningen; en f. f. het bankrekeningnummer waarop het bedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.
4. Een aanvraag kan uiterlijk twee maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier.
Artikel 4
Het uitkeringsplafond bedraagt € 1.435.983.605 inclusief omzetbelasting en op basis van prijspeil 1 juli 2022.
Artikel 5
1. Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van infrastructurele voorzieningen, genoemd in de bijlage, bij een woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage, voor ten hoogste het maximumbedrag, genoemd in de bijlage, inclusief omzetbelasting en op basis van het prijspeil 1 juli 2022.
2.
Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:
a. a. kosten waarvoor reeds een specifieke uitkering of een andere subsidie is verstrekt; b. b. omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of verrekend kan worden. De BTW-componenten die ter compensatie afgedragen dienen te worden aan het BTW-compensatiefonds worden in mindering gebracht op de maximaal uit te keren uitkering; c. c. kosten gemaakt voorafgaand aan 1 juli 2022; d. d. kosten van beheer en onderhoud van de infrastructurele voorzieningen; e. e. andere kosten dan de kosten genoemd in het eerste lid.
3. Indien een infrastructurele voorziening een mobiliteitshub behelst worden de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten in mindering gebracht op de kosten van de mobiliteitshub die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen.
Artikel 6
1. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst op een aanvraag.
2.
Een besluit tot verlening van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval:
a. a. de infrastructurele voorziening of voorzieningen bij de woningbouwlocatie waarvoor een specifieke uitkering wordt verleend; b. b. het bedrag van de specifieke uitkering per infrastructurele voorziening en in totaal; c. c. het voorschot en de wijze van uitkering, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid; d. d. het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele BTW-component en wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds; e. e. de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald; f. f. het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie; g. g. het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie; h. h. het totaal aantal te realiseren woningen en het aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie.
3. De bedragen genoemd in het tweede lid, onderdeel b, zijn de bedragen inclusief omzetbelasting en op basis van prijspeil 1 juli 2022.
Artikel 7
De minister beslist geheel of gedeeltelijk afwijzend op een aanvraag indien:
a. a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde voorschriften; b. b. het aantal op de woningbouwlocatie te realiseren woningen lager is dan het bij die woningbouwlocatie in de bijlage genoemde aantal; c. c. indien het aantal op de woningbouwlocatie te realiseren betaalbare woningen minder is dan 50% van het totaal, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 9, tiende lid; d. d. indien naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager de realisatie van de betreffende infrastructurele voorzieningen kan financieren; of e. e. indien naar het oordeel van de minister op het moment van indiening van de aanvraag niet aannemelijk is dat zal worden voldaan aan een van de verplichtingen genoemd in artikel 9, derde tot en met vijfde lid.
Artikel 8
1. De in de bijlage genoemde maximumbedragen inclusief omzetbelasting, bedoeld in artikel 5, eerste lid, alsmede het bedrag inclusief omzetbelasting van de verleende specifieke uitkering, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen, voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd.
2. Indien deze regeling inwerking is getreden na 1 oktober 2023 worden de bedragen, bedoeld in het eerste lid, tevens geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen zoals deze anders op 1 oktober 2023 zou hebben plaatsgehad.
Artikel 9
1. De ontvanger realiseert de infrastructurele voorziening of voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2027.
4. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2030.
5. De ontvanger start de realisatie van de infrastructurele voorzieningen op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2027 en rondt deze af uiterlijk 31 december 2035.
6. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50% van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.
7.
De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. a. de realisatie van de infrastructurele voorzieningen op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond; b. b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart; c. c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd; d. d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
8. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zevende lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de infrastructurele voorzieningen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.
9. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 14.
10. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het zesde lid.
Artikel 10
1. De minister verleent bij een besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b.
2. Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt uitgekeerd overeenkomstig de in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering bepaalde termijnen.
3. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, en de termijnen, bedoeld in het tweede lid, worden voor zover deze nog niet zijn uitgekeerd jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De minister kan de uitkering van het voorschot opschorten indien niet wordt voldaan aan de bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen.
Artikel 11
1. Op aanvraag van een gemeente aan wie een specifieke uitkering is verleend, kan de minister het besluit tot verlening van de specifieke uitkering wijzigen.
2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:
a. a. een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid; of b. b. een wijziging van een infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.
3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde tot en met vijfde lid.
4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een infrastructurele voorziening, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de infrastructurele voorziening ziet op dezelfde vervoersmodaliteit als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet.
5. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering.
6. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.
Artikel 12
De verantwoording door de ontvanger over de besteding van de specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 13
1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 12 heeft plaatsgevonden.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 12, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 9, derde tot en met zesde en tiende lid, of artikel 11, derde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per infrastructurele voorziening.
3.
Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering; b. b. het uitgekeerde voorschot; c. c. indien van toepassing het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke infrastructurele voorziening de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterend tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend tekort, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g, van het resterend tekort.
Artikel 13a
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan gelet op het belang bedoeld in artikel 2 zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 14
In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht publiceert de minister uiterlijk 30 september 2031 en uiterlijk 30 september 2036 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Artikel 15
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2036, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur.
Bijlage . bij de regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur
^1 Deze maatregel is op verzoek van de gemeente geanonimiseerd.
^2 Deze maatregel is op verzoek van de gemeente geanonimiseerd.
^3 Deze maatregel is op verzoek van de gemeente geanonimiseerd.