rijk/ministeriele-regeling/regeling-spoorverkeer/BWBR0017707
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling spoorverkeer BWBR0017707 ministeriele-regeling geldend 2015-07-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0017707 Regeling spoorverkeer

Regeling spoorverkeer

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • besluit: Besluit spoorverkeer;
  • ETCS: European Train Control System;
  • hoofdsein: lichtsein dat rood licht kan uitstralen;
  • lichtsein: vast sein dat groen, geel, rood of wit licht kan uitstralen;
  • netverklaring: netverklaring als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van de richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L343);
  • P-sein: hoofdsein voorzien van een P-bord;
  • perronfase: opdeling van een spoor langs een perron door middel van letters;
  • vast sein: niet verplaatsbaar sein;
  • voorsein: lichtsein dat aan een hoofdsein of bord met betekenis stop voorafgaat en geen rood licht kan uitstralen.

Hoofdstuk 2. Remvoorschriften

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Paragraaf 2. Noodremmingsprestaties

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Paragraaf 3. Remgewicht

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Paragraaf 4. Treingewicht

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Paragraaf 5. Bijzondere beremmingsvoorschriften

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Paragraaf 6. Kranen en krukken

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 3. Seinen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 23

1. De beheerder draagt zorg voor de plaatsing en de bediening van de vaste seinen in en nabij hoofdspoorwegen.

2. De beheerder stelt de interne richtlijnen voor de veiligheidskritieke handelingen van de treindienstleider bij de bediening van seinen die de handelwijze van de bestuurder raken, vast na raadpleging van de spoorwegondernemingen en de Minister.

3. Het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de bediening van ETCS-cabineseinen, met dien verstande dat ETCS-cabineseinen door de beheerder worden bediend door het versturen van informatie.

Artikel 24

De aard, uitvoering en betekenis van de seinen anders dan ETCS-cabineseinen zijn opgenomen in bijlage 4.

Artikel 24a

1. Indien een tractievoertuig over ETCS beschikt, vindt besturing door middel van radiogestuurde apparatuur op met ETCS uitgeruste infrastructuur, plaats in ETCS SH-, FS-, OS-, SR- of SM-modus.

2. Het is verboden gebruik te maken van ETCS niveau 0.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op spoorvoertuigen die rijden op buiten dienst gestelde gedeelten van de hoofdspoorwegen, genoemd in bijlage 1, punten 16 en 18, van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen.

Paragraaf 2. Plaatsing van seinen

Artikel 25

1.

Op hoofdspoorwegen waar de ter plaatse toegestane snelheid hoger is dan 40 kilometer per uur worden in ieder geval:

a. a. wissels; b. b. gelijkvloerse kruisingen van sporen; c. c. spooraansluitingen; en d. d. beweegbare bruggen

beveiligd door seinen die tenminste rood licht kunnen uitstralen of door ETCS.

2. Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 kilometer per uur worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat de bestuurder gebiedt te stoppen.

3. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 26

1. Seinen worden geplaatst rechts naast of boven het spoor waarvoor zij zijn bestemd.

2. In afwijking van het eerste lid mogen seinen links naast het spoor worden geplaatst, indien de situatie ter plaatse dit noodzakelijk maakt en dit geen nadelige invloed heeft op de veiligheid van het spoorverkeer.

3. Seinen worden zodanig geplaatst of van zodanige aanduidingen voorzien, dat het voor de bestuurder duidelijk is welke seinen voor het door hem bereden spoor bestemd zijn.

Artikel 27

Vervallen

Paragraaf 3. Onderling verband

Artikel 28

1. Tussen een wissel en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, het wissel niet kan worden omgelegd en de juiste stand van de tongen verzekerd is.

2. Tussen een beweegbare brug en een daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.

3. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 29

1. Indien op hoofdspoorwegen, waar de ten hoogste toegelaten snelheid meer dan 40 kilometer per uur bedraagt, en op door de Minister aangewezen sporen een vast sein of ETCS-cabinesein de bestuurder opdraagt te stoppen, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de bestuurder de trein voor dit sein tot stilstand kan brengen.

2. Indien op hoofdspoorwegen als bedoeld in het eerste lid, een vast sein de bestuurder een beperkte snelheid opdraagt, leggen de voorafgaande seinen een zodanige snelheidsvermindering op dat de beperkte snelheid bij dit sein bereikt kan worden.

Paragraaf 4. Het opvolgen van seinen

Artikel 30

1. Een door een sein opgedragen snelheidsverlaging wordt ingezet zodra het eerste spoorvoertuig van de trein dat sein heeft bereikt.

2. Een door een sein toegestane snelheidsverhoging mag worden uitgevoerd, nadat het laatste spoorvoertuig van de trein dit sein of het punt van toegestane snelheidsverhoging gepasseerd is.

Artikel 31

1. Een door een lichtsein of een ETCS-cabinesein gegeven gebod of toestemming geldt vanaf dit sein totdat de trein het volgende sein heeft bereikt of tot een ander ETCS-cabinesein wordt getoond. Daarbij worden geboden of toestemmingen van de specifieke snelheidsborden, zoals opgenomen in bijlage 4, in acht genomen.

2. Een door lichtsein nummer 214 a/b of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, gegeven toestemming geldt tot aan het eerstvolgende hoofdsein.

3. Bij gebruik van een hoofdspoorweg geldt in afwijking van het tweede lid, een in dat lid bedoelde toestemming tot het tijdstip waarop een ETCS-cabinesein wordt getoond indien dat tijdstip voor het tijdstip van het passeren van het eerstvolgende hoofdsein is gelegen.

4.

Onverminderd het tweede lid kan bij dag en goed zicht de snelheid meteen worden verhoogd indien:

a. a. het eerste hoofdsein dat wordt voorbijgereden, toestaat om te rijden met een hogere snelheid dan waarmee de trein rijdt; b. b. er tussen dit hoofdsein en de trein geen wissels zijn; c. c. de trein in zijn geheel de wisselbogen is gepasseerd; en d. d. het punt van de toegestane snelheidsverhoging is gepasseerd.

5. Onverminderd het tweede lid mag de snelheid worden verhoogd naar een door een specifiek snelheidsbord aangegeven snelheid hoger dan 40 kilometer per uur, indien het voorafgaande lichtsein groen licht uitstraalde.

6. De door een ETCS-cabinesein aangegeven toegestane snelheid treedt, bij gebruik van een hoofdspoorweg met een spoorvoertuig als bedoeld in het derde lid, indien in de ETCS FS-modus wordt gereden, in de plaats van de aangegeven toegestane snelheden door de in bijlage 4 opgenomen seinen nummers 201 tot en met 212 a/b, nummers 217 tot en met 219 en nummers 313 tot en met 316.

7. De op basis van het zesde lid geldende toegestane snelheid, geldt tot het tijdstip waarop het in punt 6.11.2 van het document, genoemd in aanhangsel A van de TSI Exploitatie en verkeersleiding bedoelde signaal is getoond of een daarmee overkomend bericht is ontvangen en één of meer van de in het zesde lid genoemde seinen wordt gepasseerd.

Paragraaf 5. Gedoofde en onjuiste seinen

Artikel 32

1.

De trein stopt zodra in een hoofdsein, met uitzondering van een P-sein, gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen en:

a. a. er geen toestemming is om een stoptonend sein te passeren; b. b. het voorafgaande sein lichtsein nummer 212 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, was; c. c. het voorafgaande lichtsein een gedoofd sein was; d. d. het voorafgaande sein baken nummer 249a, zoals opgenomen in bijlage 4, was; of e. e. het voorafgaande sein lichtsein nummer 214, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, was.

In andere dan de onder a tot en met e genoemde gevallen wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur, of de ter plaatse geldende lagere snelheid, om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

2. Zodra in een P-sein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.

3. Indien in een voorsein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt gehandeld alsof dit sein overeenkomstig voorsein nummer 219 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, geel licht uitstraalt.

Paragraaf 6. Het passeren van rode seinen

Artikel 33

1. Lichtseinen die rood licht uitstralen mogen voorbijgereden worden indien de treindienstleider toestemming heeft gegeven voor het passeren van een stoptonend sein.

2. Een P-sein dat rood licht uitstraalt mag ook voorbijgereden worden indien geen spreekverbinding met de treindienstleider tot stand kan worden gebracht.

3. Indien het P-sein, bedoeld in het tweede lid, voorbijgereden mag worden, mag ook daaropvolgende P-seinen die rood licht uitstralen voorbijgereden worden.

4.

Na het voorbijrijden van een P-sein dat rood licht uitstraalt wordt:

a. a. met een zodanige snelheid gereden dat de trein in staat is om te kunnen stoppen binnen de afstand waarover de spoorweg is te overzien en deze vrij is; en b. b. rekening gehouden met het niet goed functioneren van een overweg.

5. De treindienstleider geeft geen toestemming tot het voorbijrijden van het P-sein dat rood licht uitstraalt, bedoeld in het tweede lid, indien hij op de hoogte is van gevaar achter dit sein.

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Artikel 34

Aanwijzingen van de beheerder, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, tweede lid, 10, derde lid, 20, eerste lid, onderdeel b, en 26, eerste lid, van het besluit, gaan boven seinen.

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk 4. Standaardaanwijzingen

Artikel 36

De TSI Exploitatie en verkeersleiding, aanhangsel C, zoals gewijzigd in 2023, is vanaf 1 september 2023 van toepassing op de communicatie tussen de treindienstleider en de bestuurder.

Artikel 37

Bij het gebruik van een voertuig voor weg en spoorweg wordt gebruik gemaakt van GSM-R voice communicatie, waarmee gecommuniceerd kan worden met de treindienstleiding.

Hoofdstuk 5. Spoorwegemplacementen

Artikel 38

Als spoorwegemplacementen, als bedoeld in artikel 30 van het besluit, zijn aangewezen de spoorwegemplacementen, opgenomen in bijlage 6.

Artikel 39

Tot een spoorwegemplacement behoren:

a. a. alle sporen, aangeduid met een cijfer; b. b. de spoorgedeeltes van het wisselcomplex; en c. c. alle sporen die grenzen aan de sporen als bedoeld in onderdeel a en b, tot een maximale afstand van 200 meter voor het toeleidende sein van het bedoelde emplacement of tot de maximale afstand voor het toeleidende sein zoals aangegeven in de netverklaring.

Artikel 40

Indien het veilige gebruik van de spoorweg dit vereist geeft de infrastructuurbeheerder met het bord nummer 302, genoemd in bijlage 4, op het spoorwegemplacement aan dat op dit spoor niet gerangeerd kan worden of dat beperkingen gelden ten aanzien van het rangeren.

Hoofdstuk 6. Afmeting van de lading

Artikel 40a

Vervallen

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 41

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorverkeer in werking treedt.

Artikel 42

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling spoorverkeer.

Bijlage 1

Vervallen

Bijlage 2. behorende bij

Vervallen

Bijlage 3. behorende bij

Vervallen

Bijlage 4. behorende bij

Bijlage 5

Vervallen

Bijlage 6. behorende bij

Bijlage 7

Vervallen

Bijlage 8. behorende bij

Vervallen