40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland | BWBR0021823 | ministeriele-regeling | geldend | 2007-05-11 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0021823 | Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland |
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*minister:* minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*stichting:* Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te ’s-Gravenhage;
c. c.
*toezichthouders:* door de minister aangewezen toezichthouders op grond van artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies
d. d.
*onderwijsvoorziening:* een in het buitenland gevestigde Nederlandse school, Nederlandse afdeling van een school in het buitenland waar volledig basisonderwijs, volledig voortgezet onderwijs, NTC-PO of NTC-VO wordt gegeven dan wel een voorziening voor onderwijs op afstand als bedoeld in deze regeling;
e. e.
*raamschoolplan:* model van een schoolplan voor hetzij volledig basisonderwijs of volledig voortgezet onderwijs, hetzij NTC-PO, hetzij NTC-VO, vastgesteld door de stichting na goedkeuring door de inspectie
f. f.
*onderwijs op afstand:* voorziening voor onderwijs via schriftelijke, telefonische en elektronische media op grond van een raamschoolplan dan wel raamschoolplan NTC als bedoeld in artikel 12, tweede lid;
g. g.
*Europese School:* school gesticht en in stand gehouden op grond van het Statuut voor de Europese School.
Artikel 2
1.
De Minister verstrekt subsidie aan de stichting ten behoeve van het, onder de in deze regeling opgenomen voorwaarden, uitoefenen van het beheer van door de overheid geheel of gedeeltelijk gesubsidieerde activiteiten en voorzieningen van Nederlands onderwijs in het buitenland. Daarbij worden de volgende hoofdtaken onderscheiden:
a. a. het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland waaronder begrepen het ondersteunen van de totstandkoming en de uitvoering van onderwijs op afstand; b. b. overige activiteiten ten aanzien van specifieke instellingen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 met dien verstande, dat dit geschiedt met inachtneming van het Statuut voor de Europese scholen, voor zover het activiteiten betreft van de Europese scholen; c. c. het in opdracht van de Minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de Minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen.
2. De in het eerste lid, onder a en b bedoelde activiteiten zijn, met het oog op terugkeer in en aansluiting bij het onderwijs in Nederland en Vlaanderen, primair bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die in het buitenland verkeren.
3.
De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a zijn in beginsel gericht op:
1e. 1e. basisonderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 4 tot en met uiterlijk het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 14 jaar bereikt, dan wel: 2e. 2e. voortgezet onderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 12 tot en met 18 jaar.
4. De stichting draagt tevens zorg voor toegankelijkheid van de onderwijsvoorzieningen voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn en maakt dit tot een voorwaarde voor het verstrekken van subsidie aan de onderwijsvoorzieningen.
Paragraaf 2. Subsidieverlening
Artikel 3
1. De Minister verleent jaarlijks aan de stichting, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, subsidie ten behoeve van de in artikel 2, eerste lid onder a, genoemde ondersteuning van onderwijsvoorzieningen voor basisonderwijs in het buitenland.
2. De subsidie bestaat uit een bedrag per leerling en wordt voor het basisonderwijs als bedoeld in artikel 2, derde lid, berekend op de grondslag van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar als werkelijk schoolgaand bekend is op scholen die bij de stichting zijn aangesloten door middel van ondertekening van een akte van aansluiting, vermeerderd met een in de bijlage bij deze regeling vast te stellen percentage en rekenkundig afgerond op een geheel aantal leerlingen.
3. Het in het tweede lid bedoelde aantal leerlingen wordt voor de periode 2011 tot en met 2015 vastgesteld op maximaal 15.000. Het maximum aantal leerlingen voor een volgende periode wordt uiterlijk 15 december 2015 na overleg met de stichting vastgesteld.
4. Wanneer binnen de eerste drie jaar het maximum aantal leerlingen met meer dan 5% wordt overschreden, wordt dit maximum na overleg met de stichting tussentijds opnieuw vastgesteld.
5. De subsidie wordt jaarlijks verhoogd met de prijsstijging als gevolg van de genormeerde gemiddelde personeelslasten zoals deze gelden voor de schoolleiding.
Artikel 4
1. De minister verleent jaarlijks aan de stichting, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, subsidie ten behoeve van de in artikel 2, eerste lid onder a, genoemde ondersteuning van onderwijsvoorzieningen voor voortgezet onderwijs in het buitenland.
2. De subsidie bestaat uit een bedrag per leerling en wordt voor het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2, derde lid, berekend op de grondslag van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar als werkelijk schoolgaand bekend is op de scholen die bij de stichting zijn aangesloten door middel van ondertekening van een akte van aansluiting, vermeerderd met een in de bijlage bij deze regeling vast te stellen percentage en rekenkundig afgerond op een geheel aantal leerlingen.
3. Het in het tweede lid bedoelde aantal leerlingen wordt voor de periode 2011 tot en met 2015 op maximaal 3.000 vastgesteld. Het maximum aantal leerlingen voor een volgende periode wordt uiterlijk 15 december 2015 na overleg met de stichting vastgesteld.
4. Wanneer binnen de eerste drie jaar het maximum aantal leerlingen van 3.000 met meer dan 5% wordt overschreden, wordt dit maximum na overleg met de stichting tussentijds opnieuw vastgesteld.
5. De subsidie wordt jaarlijks verhoogd met de prijsstijging als gevolg van de genormeerde gemiddelde personeelslasten zoals deze gelden voor de schoolleiding.
Artikel 5
1. De Minister verleent jaarlijks aan de stichting in aanvulling op de in artikel 3 en 4 bedoelde subsidies, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, een subsidie ten behoeve van de in artikel 2, onder b en onder c, genoemde activiteiten.
2.
De aanvullende subsidie strekt bovendien tot de instandhouding van de stichting, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. a. bestrijding van de kosten van beheer en bestuur van de stichting, b. b. bestrijding van de kosten van de door de stichting in te schakelen organisaties, en c. c. bestrijding van de kosten van het verstrekken van informatie over het onderwijs aan naar het buitenland vertrekkende en naar Nederland terugkerende Nederlandse staatsburgers, d. d. ICT.
3. De aanvullende subsidie is opgebouwd uit de elementen die zijn opgenomen in de bijlage van deze regeling.
4. De aanvullende subsidie wordt jaarlijks aangepast conform het bepaalde in onderdeel D van de bijlage.
Artikel 6
1. Subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In geval van het niet vervullen van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, worden de subsidiebedragen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 elk verlaagd tot een totaalbedrag subsidie dat na vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter beschikking staat.
Paragraaf 3. Verplichtingen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij blijkens de subsidieverlening bestemd is, waaronder in ieder geval wordt begrepen de verplichting dat de stichting de subsidie bedoeld in de artikelen 3 en 4 jaarlijks geheel beschikbaar stelt aan de in het tweede lid genoemde voorzieningen, door uitkering van een bedrag of door dienstverlening om niet aan deze scholen.
2. De stichting neemt onder eigen naam en eigen verantwoordelijkheid en onder door haar te stellen voorwaarden besluiten met betrekking tot de subsidiëring van de voorzieningen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a.
3. Het verstrekken van subsidies als bedoeld in het vorige lid geschiedt onder de voorwaarden zoals vermeld in artikel 9. De stichting neemt deze voorwaarden op in het door haar vast te stellen subsidiebesluit en verwijst daarbij naar de onderhavige regeling alsmede de vindplaats hiervan.
4. De stichting kan een subsidieplafond vaststellen.
5. In afwijking van het eerste lid besteedt de stichting, indien de aanvullende subsidie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, is uitgeput, maximaal 20% van de subsidie aan de instandhouding van de stichting, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
Artikel 9
De stichting verleent slechts subsidie op aanvraag:
a. a. aan rechtspersonen met volledige rechtspersoonlijkheid, hetzij naar Nederlands recht, hetzij een daarmee overeenkomende rechtsfiguur naar het recht van het land van vestiging; b. b. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland die aan hun personeel dezelfde eisen van bevoegdheid en (onderhouden van) bekwaamheid stellen als in vergelijkbare gevallen onder de Nederlandse onderwijswetgeving; c. c. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland die beschikken over een schoolplan dat voldoet aan de eisen die worden gesteld door het door de toezichthouders goedgekeurde raamschoolplan. Het bevoegd gezag van de onderwijsvoorziening zendt het schoolplan, dan wel de wijzigingen daarvan, en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling naar de toezichthouders; d. d. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland waar de toezichthouders in voldoende mate toezicht kunnen uitoefenen. In het kader van dit toezicht hebben deze toezichthouders steeds toegang tot de onderwijsvoorziening en dienen de onderwijsvoorzieningen en het daarbij in dienst zijnde personeel de toezichthouders alle gevraagde inlichtingen te verstrekken omtrent de onderwijsvoorziening en het onderwijs.
Artikel 10
1. De stichting verstrekt de Minister en door haar aangewezen personen de gevraagde inlichtingen.
2. De stichting informeert de Minister in ieder geval zo spoedig mogelijk over mutaties in het bestand van het door de Minister gedetacheerde personeel, de afwikkeling van belangrijke personele zaken, alsmede over eventueel ondernomen acties naar aanleiding van rapporten van de toezichthouders met betrekking tot door hen verrichte bezoeken van onderwijsvoorzieningen.
3. De stichting draagt er zorg voor dat de Minister en door haar aangewezen personen volledige inzage hebben in de boeken en bescheiden, voor zover die niet een vertrouwelijk karakter hebben. De door de Minister aangewezen personen zijn bevoegd tot het maken van kopieën van de aangetroffen bescheiden en documenten.
4. De stichting verleent de Minister en door haar aangewezen personen toegang tot de door de stichting gebruikte lokaliteiten en voorzieningen.
5. De Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de inrichting en toegankelijkheid van de door de stichting gevoerde administratie.
Artikel 11
1. De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. De Minister kan de subsidieverlening afhankelijk stellen van de omvang van de egalisatiereserve.
Artikel 12
1. De activiteiten van de stichting zijn erop gericht zoveel mogelijk de aansluiting tussen het onderwijs in het buitenland en het onderwijs in Nederland en Vlaanderen te garanderen waardoor aan rapporten, diploma’s en getuigschriften verstrekt door de onderwijsvoorzieningen in het buitenland zoveel mogelijk dezelfde rechten verbonden zijn als wanneer die rapporten, diploma’s of getuigschriften zouden zijn verworven aan een uit de openbare kas bekostigde school in Nederland of Vlaanderen.
2. Teneinde de in het eerste lid bedoelde aansluiting te bevorderen werkt de stichting met een raamschoolplan voor het volledig basisonderwijs dan wel het onderwijs in de Nederlandse Taal en Cultuur dat zoveel mogelijk is afgestemd op de in Nederland geldende voorschriften. Voor het voortgezet onderwijs werkt de stichting met een raamschoolplan Nederlandse Taal en Cultuur VO (NTC-VO) voor de door de voorzieningen op te stellen schoolplannen voor het vak Nederlands en de cultuurcomponent. Het raamschoolplan is zoveel mogelijk afgestemd op de kerndoelen onderbouw VO en is verder gericht op afsluiting, hetzij via een staatsexamen Nederlands, hetzij via een erkend nationaal dan wel internationaal examen waarvan het Nederlands een onderdeel vormt.
3. Het raamschoolplan behoeft de goedkeuring van de toezichthouders.
Paragraaf 4. Toezicht
Artikel 13
1. De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouders hun werkzaamheden zodanig kunnen uitvoeren dat zij in voldoende mate toezicht kunnen uitoefenen op de bij de stichting aangesloten scholen.
2. De Minister stelt na overleg met de stichting en in overleg met de toezichthouders vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouders als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 5. Verplichtingen ten aanzien van specifieke instellingen
Artikel 14
De stichting voert, met uitzondering van de werkgeverstaken, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, het bevoegd gezag over de Nederlands(talig)e afdeling van het Lycée International te St-Germain-en-Laye met inachtneming van hetgeen is bepaald:
a. a. in regelingen tussen de Staat der Nederlanden en de Franse Staat, b. b. met betrekking tot de rol van de toezichthouders bij het vaststellen van het schoolplan en de daarop gebaseerde schoolgids voor deze school, alsmede de rol van deze toezichthouders bij aanstelling en ontslag van personeel als beschreven in artikel 17, derde lid.
Artikel 15
De stichting beheert namens de Minister de middelen die jaarlijks op de begroting van de Minister zijn bestemd ten behoeve van het groot onderhoud van de Europese school te Bergen alsmede ten behoeve van personele kosten (belastingvrijdom) en materiële kosten (BTW-vrijstelling) als bedoeld in de ‘Overeenkomst betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland’ (Tractatenblad 1970, nr. 95).
Artikel 16
1. De stichting beheert namens de Minister de subsidiemiddelen die zijn bestemd voor de onderwijsvoorziening van het Nederlands Astma Centrum in Davos, een en ander met inachtneming van de voor deze onderwijsvoorziening in een afzonderlijke beschikking vastgelegde subsidieverplichtingen.
2. De stichting informeert de Minister tijdig over relevante wijzigingen in de gegevens waarop de subsidie voor deze instelling gebaseerd is.
Paragraaf 6. Werkgeverstaken
Artikel 17
1. De stichting treedt namens de Minister op als werkgever van het personeel verbonden aan de Nederlandse afdelingen van de Europese scholen alsmede aan de Nederlands(talig)e afdeling van het Lycée International te Saint-Germain-en-Laye. Dit werkgeverschap omvat mede het namens de Minister aanstellen en ontslaan van personeel, het voeren van Decentraal Georganiseerd Overleg over de rechtstoestand van het personeel en het nemen van overige besluiten alsmede het vaststellen van beleidsregels in het kader van de rechtspositie van het personeel, met inachtneming van de rol van de toezichthouders.
2. De stichting biedt ondersteuning aan de Minister bij eventuele procedures op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Het aanstellen, ontslaan dan wel verplaatsen van door de Minister gedetacheerd personeel aan het Lycée International te Saint-Germain-en-Laye geschiedt nadat de toezichthouders zijn gehoord.
Paragraaf 7. Subsidieaanvraag, -verlening en -vaststelling
Artikel 18
1. De stichting dient jaarlijks uiterlijk 15 december van enig kalenderjaar een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar.
2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op peildatum 1 oktober van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
3. Een leerling kan slechts op één onderwijsvoorziening voor bepaling van de subsidiegrondslag worden meegeteld.
4. De minister besluit uiterlijk 15 januari van enig kalenderjaar op de aanvraag tot subsidieverlening voor het desbetreffende kalenderjaar.
5. De subsidie wordt betaald in maandelijkse termijnen, met dien verstande dat voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, tenminste 80% van de subsidie is betaald.
6. De stichting doet jaarlijks aan de minister voor 31 juli een aangepaste opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op basis van peildatum 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en op basis van de peildatum 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar voor zover het betreft de subsidie ten behoeve van het Nederlands Astma Centrum in Davos.
7. De stichting gebruikt voor de opgave, bedoeld in het tweede en zesde lid, het Rekenmodel Subsidiebepaling NOB.
8. In de maand september van enig kalenderjaar wordt de hoogte van de subsidie die voor het desbetreffende kalenderjaar is verleend, bijgesteld op grond van de in het zesde lid bedoelde opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen.
Artikel 19
1. Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend, dient de stichting bij de minister ten behoeve van de subsidievaststelling een jaarverslag in, bestaande uit een financieel verslag en een activiteitenverslag. Uit het jaarverslag blijkt in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten, alsmede van een doelmatige aanwending van de subsidie.
2.
Het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:
a. a. een balans per eind van het kalenderjaar, b. b. een exploitatierekening over het kalenderjaar, c. c. een toelichting op balans en exploitatierekening, d. d. een bestuursverslag. e. e. een definitieve opgave van het leerlingaantal en aantal formatieplaatsen.
3.
Uit het jaarverslag dient een verantwoord inzicht te worden verkregen in
a. a. de grootte en samenstelling van het vermogen, b. b. de grootte en samenstelling van het resultaat, c. c. de solvabiliteit en liquiditeit.
4. Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend en van de daarmee behaalde resultaten. Afschrift van dit verslag wordt gezonden aan de toezichthouders.
5. De minister kan een model vaststellen voor het jaarverslag en de begroting.
6. Niet bestede middelen worden verrekend bij de eerstvolgende betaling.
Artikel 20
Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidieverplichtingen door de stichting. De verklaring van getrouwheid is mede gebaseerd op het voor de scholen in overleg met de stichting opgestelde controleprotocol en geschiedt volgens het in het protocol opgenomen model.
Artikel 21
De minister stelt de subsidie vast uiterlijk 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend.
Paragraaf 8. Slotbepalingen
Artikel 22
1. Indien de Minister wijziging noodzakelijk acht in het functioneren van de stichting ten aanzien van de door de Minister gesubsidieerde activiteiten, treedt deze in overleg met de stichting.
2. De stichting voert overeengekomen wijzigingen uit voor zover deze niet in strijd zijn met haar statutaire doelstelling en rekening houdend met reeds aangegane verplichtingen.
3. Ingeval van door de Minister noodzakelijk geachte wijzigingen in het functioneren van de stichting, wordt tevens voorzien in overeenkomstige aanpassing van de subsidie.
Artikel 23
1. Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.
2. Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.
Artikel 24
De Bekostigingsbeschikking Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland, PO/PJ/99/12343, 7 juli 1999, wordt ingetrokken.
Artikel 25
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, behoudens het bepaalde in artikel 3, derde en vierde lid en artikel 4, derde en vierde lid en de bedragen genoemd in de bijlage, terug tot en met 1 januari 2002.
Artikel 26
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland.