40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling stimulering biologische productiemethode | BWBR0006677 | ministeriele-regeling | geldend | 2006-07-05 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006677 | Regeling stimulering biologische productiemethode |
Regeling stimulering biologische productiemethode
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. Hectaretoeslag
Artikel 2
De minister kan ter vermindering van de belasting voor het milieu en de natuur door de landbouw op grond van de volgende bepalingen een subsidie verstrekken ten behoeve van de biologische produktiemethode en van de biologische teelt van veevoedergewassen.
Artikel 3
1.
De subsidie kan slechts worden verleend aan natuurlijke personen en rechtspersonen, indien:
a. a. zij voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf exploiteren; b. b. de natuurlijke persoon dan wel de directeur/bedrijfsleider op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor eigen rekening en risico als eigenaar, gerechtigde of, in het in artikel 4 bedoelde geval, als pachter een landbouwbedrijf exploiteert; c. c. de natuurlijke persoon dan wel de directeur/bedrijfsleider op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
2. Indien meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon voor gezamenlijke rekening en risico een landbouwbedrijf exploiteert, kan een subsidie worden verleend indien ten minste een van de natuurlijke personen dan wel rechtspersonen op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening eigenaar, gerechtigde of, in het in artikel 4 bedoelde geval, pachter van dit landbouwbedrijf is en voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, en indien ten minste een van de natuurlijke personen dan wel de directeuren/bedrijfsleiders van de rechtspersonen voldoet aan het eerste lid, onderdeel c.
3. Een subsidie voor de biologische teelt van veevoedergewassen kan slechts worden verleend aan natuurlijke of rechtspersonen indien zij zijn aangesloten bij de Stichting Skal te Zwolle.
Artikel 4
1. Indien de aanvrager het landbouwbedrijf geheel of gedeeltelijk pacht dan wel op het landbouwbedrijf of op een gedeelte daarvan een gebruiksrecht heeft, kan de subsidie slechts worden verleend indien de pachter of de gerechtigde gedurende de periode waarvoor de verplichtingen zijn aangegaan, een gebruiksrecht heeft ten aanzien van de grond waarop het biologisch teeltplan van toepassing is.
2. In het geval dat het gebruiksrecht, bedoeld in het eerste lid, een kortere dan de daar genoemde periode beslaat, kan een subsidie slechts worden verleend indien de verpachter of eigenaar toestemming heeft gegeven voor het deelnemen aan de regeling.
Artikel 4a
Bij een besluit als bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan de minister bepalen dat subsidie slechts wordt verleend ten behoeve van:
a. a. bij dat besluit bepaalde gewassen, groepen van gewassen of productierichtingen; b. b. arealen die tenminste, onderscheidenlijk ten hoogste, overeenkomen met een bij dat besluit bepaalde omvang; c. c. bedrijven waarvan, gelet op de economische omstandigheden, de noodzaak van een financiële ondersteuning van de omschakeling groter is ten opzichte van andere bedrijven; d. d. bedrijven die aantoonbaar beschikken over afzetgaranties van biologisch geproduceerde producten; e. e. bedrijven waarvan de directeur onderscheidenlijk bedrijfsleider beschikt over een bij dat besluit bepaalde mate van opleiding of vakbekwaamheid; f. f. het stadium van omschakeling van bedrijven onderscheidenlijk productierichtingen; g. g. andere bij dat besluit nader gedefinieerde bedrijven.
Artikel 5
1.
Een subsidie kan slechts worden verleend indien de aanvrager zich verplicht om gedurende een periode van vijf jaren:
a. a. het gehele landbouwbedrijf dan wel een of meer van de productierichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, te gaan voeren overeenkomstig het biologisch teeltplan of b. b. het gehele landbouwbedrijf dan wel een of meer van de productierichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, voort te zetten overeenkomstig het biologisch teeltplan; en voor de productierichtingen waarvoor geen verplichting ingevolge onderdeel a of b is aangegaan, de goede landbouwpraktijken in acht neemt.
2. De periode van vijf jaren geldt voor elk afzonderlijk perceel waarop de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft.
3. Wijzigingen met betrekking tot het biologisch teeltplan of de percelen waarop dit plan betrekking heeft worden vooraf ter goedkeuring aan de stichting Skal voorgelegd en, direct na goedkeuring, in afschrift aan Dienst Regelingen gezonden.
4. Een bijdrage voor de biologische teelt van veevoedergewassen kan slechts worden verleend indien aan de aanvrager geen recht op een bijdrage is of wordt verleend op grond van de Subsidieregeling extensivering vleesstierenhouderij.
5. De subsidieverlening wordt geweigerd aan, onderscheidenlijk ingetrokken voor aanvragers die door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling hebben ingediend in het lopende kalenderjaar alsmede, indien er sprake was van opzet, in het voorafgaande kalenderjaar, ingevolge een regeling gebaseerd op Verordening (EEG) nr. 2078/92 onderscheidenlijk hoofdstuk VI van de Verordening (EC) nr. 1257/1999.
6. De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden met ingang van de datum van de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk op enige datum daarna die door de aanvrager op het biologisch teeltplan is aangegeven.
Artikel 6
1. Indien de subsidieontvanger vóór de afloop van de periode waarin de verplichtingen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, gelden, één of meer percelen waarop het biologisch teeltplan betrekking heeft, verkoopt, verpacht of daarop een gebruiksrecht vestigt, kan de bedrijfsopvolger zich er tegenover de minister toe verbinden de verplichtingen voortvloeiend uit de subsidieverlening verder na te komen.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt de bedrijfsopvolger die de in het eerste lid bedoelde verbintenis aangaat, vanaf het moment dat deze verbintenis is aangegaan, aangemerkt als de subsidieontvanger.
3. Artikel 3, eerste lid, onderdelen b en c, alsmede het tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien de bedrijfsopvolger de in het eerste lid bedoelde verbintenis niet aangaat, wordt de subsidieverlening ingetrokken voor de betrokken percelen. Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, tenzij:
a. a. de subsidieontvanger de op de betrokken percelen betrekking hebbende verplichtingen reeds drie jaren is nagekomen, b. b. de subsidieontvanger zijn landbouwactiviteiten definitief beëindigt en c. c. overname van deze verbintenis niet te verwezenlijken valt.
Artikel 6a
1. Indien de subsidieontvanger gedurende de periode waarin zijn verplichtingen gelden in het biologisch teeltplan opgenomen percelen ruilt in het kader van een project op grond van de Landinrichtingswet, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groninger, en Gronings-Drentse Veenkoloniën of de Regeling reconstructie oude glastuinbouwgebieden, komt hij de verplichtingen ten aanzien van deze percelen verder na op de nieuw verkregen, gelijkwaardige, percelen, met dien verstande dat de verplichtingenperiode van vijf jaar ter zake opnieuw begint op het tijdstip van verkrijging van de nieuwe percelen.
2. Indien de oppervlakte van de nieuw verkregen percelen meer dan 10% kleiner is dan de oppervlakte van de geruilde percelen, wordt de subsidie naar evenredigheid verlaagd.
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
1. De aanvraag tot subsidieverlening wordt bij Dienst Regelingen ingediend.
2. Voor de aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in het tweede lid, maakt de aanvrager gebruik van een daartoe vastgesteld formulier.
3. Door het indienen van het aanvraagformulier verplicht de aanvrager zich tot nakoming van de daarin gestelde voorwaarden en verplichtingen, en stemt hij in met een doorgifte door de Stichting Skal aan Dienst Regelingen van alle gegevens betrekking hebbende op de uitoefening van de biologische productiemethode op zijn landbouwbedrijf.
4.
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:
a. a. een bouwplan met betrekking tot het gehele landbouwbedrijf over het jaar waarin de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend; b. b. een biologisch teeltplan; c. c. in voorkomend geval: andere stukken die voor de vaststelling van het subsidiebedrag relevant zijn.
5. a. a. Indien de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft op de subsidie, bedoel in artikel 10, derde lid, of vierde lid, voor zover het subsidie voor veevoedergewassen betreft die nog niet als biologische producten kunnen worden afgezet, bevat het biologisch teeltplan ten minste de navolgende gegevens:
een overzicht met betrekking tot de percelen van de produktierichtingen waarvoor de verplichtingen worden aangegaan, waaruit blijkt dat de omschakeling op een evenwichtige wijze zal plaatsvinden en binnen vijf jaar na de ingangsdatum van de verplichtingen zal zijn voltooid, met dien verstande dat voor de betrokken percelen het bedrijfsaansluitingscertificaat zal zijn verkregen, en waaruit blijkt dat op elk afzonderlijk omgeschakeld perceel ten minste vijf jaren de biologische produktiewijze zal worden toegepast;
de ingangsdatum van de verplichtingen;
de meest actuele versie van de door Dienst Regelingen verstrekte topografische kaart, schaal 1:10.000, met unieke perceelsnummering van voormelde percelen;
een afschrift van de bedrijfsaansluitingsbevestiging.
-
een overzicht met betrekking tot de percelen van de produktierichtingen waarvoor de verplichtingen worden aangegaan, waaruit blijkt dat de omschakeling op een evenwichtige wijze zal plaatsvinden en binnen vijf jaar na de ingangsdatum van de verplichtingen zal zijn voltooid, met dien verstande dat voor de betrokken percelen het bedrijfsaansluitingscertificaat zal zijn verkregen, en waaruit blijkt dat op elk afzonderlijk omgeschakeld perceel ten minste vijf jaren de biologische produktiewijze zal worden toegepast;
-
de ingangsdatum van de verplichtingen;
-
de meest actuele versie van de door Dienst Regelingen verstrekte topografische kaart, schaal 1:10.000, met unieke perceelsnummering van voormelde percelen;
-
een afschrift van de bedrijfsaansluitingsbevestiging. b. b. Indien de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft op de subsidie, bedoeld in artikel 10, vierde lid, met uitzondering van subsidies voor veevoedergewassen die nog niet als biologische producten kunnen worden afgezet, bevat het biologisch teeltplan ten minste de navolgende gegevens:
de meest actuele versie van de door Dienst Regelingen verstrekte topografische kaart, schaal 1:10.000, met unieke perceelsnummering van de percelen van de productierichtingen waarop de biologische productiemethode reeds wordt toegepast en gedurende de komende vijf jaar zal worden voortgezet; de ingangsdatum van de verplichtingen; een afschrift van het meest recente bedrijfsaansluitingscertificaat. -
de meest actuele versie van de door Dienst Regelingen verstrekte topografische kaart, schaal 1:10.000, met unieke perceelsnummering van de percelen van de productierichtingen waarop de biologische productiemethode reeds wordt toegepast en gedurende de komende vijf jaar zal worden voortgezet;
-
de ingangsdatum van de verplichtingen;
-
een afschrift van het meest recente bedrijfsaansluitingscertificaat.
6.
De subsidieontvanger is verplicht gedurende de looptijd van de verplichtingen bij de boekhouding te bewaren:
a. a. bewijsstukken waaruit blijkt dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, voldoet aan artikel 4, eerste lid; b. b. een verklaring van de verpachter dan wel de eigenaar dat deze instemt met het deelnemen aan deze regeling met het landbouwbedrijf dat geheel of gedeeltelijk verpacht is dan wel waarop enig gebruiksrecht is gevestigd, in het in artikel 4, tweede lid, bedoelde geval; c. c. de bedrijfsaansluitingsbevestiging en, voor zover van toepassing, de bedrijfsaansluitingscertificaten die betrekking hebben op alle jaren waarin de verplichtingen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, gelden.
Artikel 9
Een aanvraag tot subsidieverlening kan slechts worden ingediend, indien de aanvrager op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor de betrokken percelen niet reeds een subsidie is verleend op grond van deze regeling.
Artikel 10
1. De subsidie wordt ten hoogste gedurende vijf jaren verleend.
2. De subsidie wordt verleend op basis van de gegevens van het bouwplan van het jaar van indienen van de aanvraag in combinatie met het biologisch teeltplan.
3.
De subsidie bedraagt voor gewassen die op het tijdstip van indienen van de aanvraag nog niet als biologische producten kunnen worden afgezet, met uitzondering van veevoedergewassen, ten hoogste:
a. a. € 226,89 per jaar per hectare:
1º.
akkerbouwgewas;
2º.
hazelaars;
3º.
doperwten;
4º.
knolselderij, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan één hectare;
5º.
schorseneren;
6º.
spinazie, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan twee hectaren;
7º.
spruitkool;
8º.
stamsperziebonen (groen), voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare;
9º.
tuinbonen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare;
10º.
was- en bospeen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan een halve hectare;
11º.
winterpeen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare, of
12º.
witlofwortel;
13º.
kruiden, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan twee hectare.
1º. 1º. akkerbouwgewas; 2º. 2º. hazelaars; 3º. 3º. doperwten; 4º. 4º. knolselderij, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan één hectare; 5º. 5º. schorseneren; 6º. 6º. spinazie, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan twee hectaren; 7º. 7º. spruitkool; 8º. 8º. stamsperziebonen (groen), voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare; 9º. 9º. tuinbonen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare; 10º. 10º. was- en bospeen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan een halve hectare; 11º. 11º. winterpeen, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan anderhalve hectare, of 12º. 12º. witlofwortel; 13º. 13º. kruiden, voor zover de geteelde oppervlakte groter of gelijk is aan twee hectare. b. b. € 1.134,45 per jaar per hectare tuinbouw, met uitzondering van de in onderdeel a genoemde gewassen of gewasgroepen, zwarte bes of zure kers, en c. c. € 1.361,34 per jaar per hectare fruitteelt, met uitzondering van de in onderdelen a en b genoemde gewassen of gewasgroepen.
4.
De subsidie bedraagt voor veevoedergewassen en voor gewassen die op het tijdstip van indienen van de aanvraag als biologische producten kunnen worden afgezet:
a. a. € 181,51 per hectare in het eerste jaar, b. b. € 158,82 per hectare in het tweede jaar, c. c. € 136,13 per hectare in het derde jaar, d. d. € 113,45 per hectare in het vierde jaar, e. e. € 90,76 per hectare in het vijfde jaar, van de vijfjarige periode waarin de verplichtingen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, gelden, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 22.689,01 per landbouwbedrijf bedraagt en, indien dit bedrag zou worden overschreden, de onder a tot en met e genoemde vergoedingen naar evenredigheid worden verminderd.
5. Geen subsidie wordt verleend indien het subsidiebedrag minder dan € 4.537,80 zou bedragen.
6. De subsidieontvanger dient vóór het einde van elk verplichtingenjaar van de periode van vijf jaar, genoemd in artikel 5, eerste lid, bij Dienst Regelingen middels een daartoe vastgesteld formulier een aanvraag tot subsidievaststelling in voor het betrokken verplichtingenjaar.
7. Bij een besluit als bedoeld in artikel 14, eerste lid, stelt de minister de subsidiebedragen vast voor gewassen die op het tijdstip van het indienen van de aanvraag nog niet als biologische producten kunnen worden afgezet, met uitzondering van veevoedergewassen.
8. De minister stelt de subsidie vast.
Artikel 10a
1.
Bij een besluit als bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan de minister bepalen dat bij subsidies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a:
a. a. per ontvanger niet meer subsidie wordt verstrekt dan een bij dat besluit bepaald bedrag, of b. b. de subsidie wordt berekend op grond van het derde lid.
2. In zoverre in afwijking van artikel 10, derde lid, bedraagt de subsidie, in geval van toepassing van het eerste lid, onderdeel a, en in geval het totaal van de door de betrokken subsidieontvanger aangevraagde subsidie meer bedraagt dan het uit hoofde van het eerste lid bepaalde bedrag, per hectare voor de in artikel 10, derde lid, onderscheiden jaren en categorieën het desbetreffende in dat lid genoemde bedrag, vermenigvuldigd met de uitkomst van de deling van het ingevolge het eerste lid, onderdeel a, bepaalde bedrag door het totaal van de aangevraagde subsidie, berekend op de grondslag van artikel 10, derde lid.
3.
In zoverre in afwijking van artikel 10, derde lid, bedraagt de subsidie, in geval van toepassing van het eerste lid, onderdeel b, per hectare voor de in artikel 10, derde lid, onderscheiden jaren en categorieën het desbetreffende in dat lid genoemde bedrag, vermenigvuldigd met de uitkomst van de deling van: a. het bedrag dat wordt verkregen door het totaal van de aangevraagde subsidie te berekenen op de grondslag van artikel 10, derde lid en op het aldus berekende bedrag een korting toe te passen van:
1º 1º 20% voor zover dit bedrag hoger is dan € 90.756,04, doch niet hoger dan € 136.134,06; 2º 2º 40% voor zover dit bedrag hoger is dan € 136.134,06, doch niet hoger dan € 181.512,08; 3º 3º 60% voor zover dit bedrag hoger is dan € 181.512,08, doch niet hoger dan € 226.890,11; 4º 4º 80% voor zover dit bedrag hoger is dan € 226.890,11, doch niet hoger dan € 272.268,13; 5º 5º 100% voor zover dit bedrag hoger is dan € 272.268,13; door b. het totaal van de aangevraagde subsidie, berekend op de grondslag van artikel 10, derde lid.
Artikel 11
De Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is belast met het toezicht op de naleving van de in deze regeling gestelde voorschriften. Zij kan daartoe gebruik maken van de diensten van de stichting SKAL.
Artikel 11a
1.
Ingeval de subsidieverlening betrekking heeft op een subsidie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt de subsidieverlening gewijzigd, indien:
a. a. de subsidieontvanger, binnen de periode waarop de subsidieverlening betrekking heeft, wijzigingen doorvoert in het biologisch teelt- of bouwplan, na voorafgaande goedkeuring daarvan door de stichting Skal, en b. b. het bedrag aan subsidie, berekend over het gewijzigde biologische teelt- of bouwplan lager is dan het bedrag waarop de subsidieverlening betrekking heeft.
2. De wijziging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van het verplichtingenjaar waarin de wijziging van het biologische teelt- of bouwplan op het landbouwbedrijf wordt toegepast.
Artikel 12
1.
De subsidieverlening of -vaststelling wordt ingetrokken indien:
a. a. de subsidieontvanger wijzigingen in het biologisch teelt- of bouwplan heeft doorgevoerd zonder voorafgaande goedkeuring van de stichting SKAL of b. b. aan de subsidieontvanger een subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling extensivering vleesstierenhouderij.
2. Indien de in artikel 10, zesde lid, bedoelde aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend na de uiterste termijn voor indiening, wordt de subsidie met 1% per werkdag, tot een maximum van 25 dagen, lager vastgesteld.
3. De subsidieverlening of -vaststelling wordt ingetrokken voor het betrokken verplichtingenjaar indien bij controle blijkt dat de oppervlakte waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend ten minste 2% en ten minste 20 are doch ten hoogste 10% en ten hoogste 2 hectare groter is dan de bij de controle geconstateerde oppervlakte.
4. Indien de aanvrager door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidievaststelling heeft ingediend, wordt de subsidieverlening onderscheidenlijk -vaststelling geweigerd, gewijzigd onderscheidenlijk ingetrokken, en wordt de betrokken subsidieontvanger voor het betreffende kalenderjaar uitgesloten van alle steun voor plattelandsontwikkeling ingevolge een regeling gebaseerd op hoofdstuk VI van Verordening (EG) nr. 1257/1999. In het geval van een opzettelijk onjuiste aanvraag tot subsidieverlening onderscheidenlijk -vaststelling wordt de subsidieontvanger tevens voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten.
5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de rente over de periode vanaf de eerste uitbetaling tot aan het moment van algehele voldoening. Indien de ingetrokken subsidie, vermeerderd met de wettelijke rente, kan worden verrekend met de betaling van de subsidie voor een volgende periode, wordt geen toepassing gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De door de subsidieontvanger te betalen rente is de wettelijke rente in Nederland geldende op de laatste dag van de kalendermaand waarin de subsidie werd betaald.
7. Geen wettelijke rente is verschuldigd indien de oorzaak van het onverschuldigd betalen bij de minister is gelegen.
Artikel 13
1.
- Artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, vindt geen toepassing ten aanzien van reeds uitbetaalde subsidies indien niet-nakoming van de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen het gevolg is van:
a. a. overlijden van de subsidieontvanger; b. b. overmacht; c. c. onteigening of gedwongen verkoop in de zin van de Onteigeningswet van de oppervlakte grond waarop het biologisch teeltplan betrekking heeft, voorzover deze onteigening of gedwongen verkoop niet te voorzien was op de dag waarop de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend.
2. Een subsidieontvanger dient het beroep op een van de in het eerste lid bedoelde gevallen bij Dienst Regelingen in binnen een termijn van tien werkdagen, te rekenen vanaf het tijdstip waarop dit voor hem mogelijk is. Dit beroep gaat vergezeld van bewijzen.
Artikel 14
1. De minister kan per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vaststellen voor subsidieaanvragen op grond van deze regeling.
2. De minister stelt voor iedere aanvraagperiode een subsidieplafond vast voor de op grond van deze regeling te verstrekken subsidies en kan daarbij onderscheid maken tussen subsidies ter zake van artikel 5, eerste lid, onderdeel a dan wel onderdeel b dan wel de gewasgroep onderscheidenlijk de productierichting.
3. Indien een subsidieplafond dreigt te worden overschreden kan de minister besluiten dat geen aanvragen tot subsidieverlening meer kunnen worden ingediend.
4. De minister maakt de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, bekend in de Staatscourant.
Artikel 14a
1.
Gelijktijdig met de vaststelling van een subsidieplafond stelt de minister, bij in de Staatscourant bekend te maken besluit, de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag vast op basis van:
a. a. de volgorde van de datum van ontvangst van de aanvragen door Dienst Regelingen, of b. b. een beoordeling van de mate waarin de desbetreffende subsidieaanvraag bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen van de regeling.
2. Ingeval de verdeling geschiedt overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, en door toewijzing van de aanvragen tot subsidieverlening met dezelfde datum van ontvangst het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt de rangschikking door middel van een loting verricht door een notaris van de op dezelfde dag ontvangen aanvragen. De loting geschiedt door een door de minister of Dienst Regelingen aan te wijzen notaris.
3.
Ingeval de verdeling geschiedt overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, stelt de minister tevens de criteria vast aan de hand waarvan de beoordeling van de aanvraag tot subsidieverlening zal plaatsvinden, alsmede de rangorde van die criteria en de onderlinge wegingsfactoren. Tot de criteria kunnen in ieder geval behoren:
a. a. de doelmatigheid van de subsidieinzet bij het omschakelende bedrijf; b. b. de continuïteit en de economische perspectieven van het bedrijf, waarbij de volgende elementen mede bepalend kunnen zijn:
het opleidingsniveau of de vakbekwaamheid van de subsidieontvanger;
de aanwezigheid van mogelijkheden voor de afzet van biologisch geproduceerde producten;
- het opleidingsniveau of de vakbekwaamheid van de subsidieontvanger;
- de aanwezigheid van mogelijkheden voor de afzet van biologisch geproduceerde producten; c. c. de financiële levensvatbaarheid van het bedrijf; d. d. de betekenis van het bedrijf voor de instandhouding en verbetering van de natuurwaarden en de biodiversiteit op bedrijfsniveau, lokaal, regionaal of nationaal niveau; e. e. de betekenis van het bedrijf voor de ontwikkeling van de biologische landbouw op lokaal, regionaal of nationaal niveau; f. f. de omvang van het om te schakelen areaal; g. g. de gewasgroep, groepen van gewassen of productierichting; h. h. de betekenis van het omschakelende bedrijf voor de diversificatie van de biologische bedrijvigheid op lokaal, regionaal of nationaal niveau; i. i. het stadium van omschakeling van bedrijven onderscheidenlijk productierichtingen.
4. Ingeval de verdeling geschiedt overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, zal, indien noodzakelijk, de nadere rangorde van de aanvragen worden vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.
5. De minister kan één of meer adviseurs, als bedoeld in afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, belasten met de advisering ten aanzien van de subsidieaanvragen.
Paragraaf 3. Subsidie ter stimulering van de biologische productiemethode
Artikel 14b
De minister kan ter stimulering van de omschakeling naar of voortzetting van de biologische productiemethode aan biologische landbouwers subsidie verlenen.
Artikel 14c
1.
Subsidie wordt verleend voor:
a. a. de eenmalige aansluitingsbijdrage bedoeld in artikel 2 van het Skal-bijdragereglement en b. b. de basisbijdrage, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van het Skal-bijdragereglement.
2. Geen subsidie wordt verleend voor incassokosten, administratiekosten en overige kosten verbonden aan de inning van de in het eerste lid bedoelde bedragen.
3. De subsidie bedraagt 100% van de in het eerste lid bedoelde bedragen.
4. Het subsidieplafond voor de op grond van deze regeling te verstrekken subsidie bedraagt € 5.600.000,00.
Artikel 14d
1.
De subsidie kan jaarlijks worden verstrekt gedurende een periode van vijf jaar aan biologische landbouwers die
– – in Nederland gevestigd zijn en – – bij de Stichting Skal zijn aangesloten.
2. De subsidie kan voor het hele jaar of een deel daarvan worden vergoed afhankelijk van de periode dat de biologische landbouwer de biologische productiemethode uitoefent.
3. Op de aanvraag tot subsidieverlening is artikel 8, eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14e
De beslissing tot verlening van een subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is ter verkrijging van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of wegens het uitblijven ervan.
Paragraaf 4. Slotbepalingen
Artikel 15
1. De Beschikking extensivering akker- en tuinbouwprodukten wordt ingetrokken.
2. Voor de afhandeling van aanvragen, waaronder begrepen de behandeling van bezwaarschriften betreffende beslissingen op aanvragen, blijft de Beschikking extensivering akker- en tuinbouwprodukten van kracht.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 16a
Deze regeling berust op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering biologische productiemethode.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage I. Het Controlereglement Skal-controle, bedoeld in
Het bestuur van de Stichting Skal;
Gelet op artikel 31 van de Statuten der Stichting (Stcrt. 1993, 73);
heeft in zijn vergadering van 30 september 1993 vastgesteld het navolgende reglement.
Artikel 1
Dit reglement neemt over de terminologie van de Landbouwkwaliteitswet (Stb. 1971, 371), het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode (Stb. 1992, 661), de Landbouwkwaliteitsregeling biologische productiemethode (Stcrt. 1992, 253) en de Statuten van de Stichting Skal (Stcrt. 1993, 73) en verstaat voorts onder: