40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling sturing van en toezicht op het Kadaster | BWBR0032460 | ministeriele-regeling | geldend | 2013-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032460 | Regeling sturing van en toezicht op het Kadaster |
Regeling sturing van en toezicht op het Kadaster
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- de Kaderwet: de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;
- de wet: de Organisatiewet Kadaster.
Paragraaf 2. Bestuur en raad van toezicht van de Dienst
Artikel 2
De Dienst informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de raad van bestuur met het oog op een door de minister te treffen voorziening.
Artikel 3
De raad van toezicht oefent onafhankelijk van bestuur en minister toezicht uit. De raad van toezicht heeft een interne toezichtfunctie en is daarbij gericht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken in de Dienst. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van de taak naar het belang van de Dienst en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de Dienst betrokkenen af.
Paragraaf 3. Financieel toezicht
Artikel 4
De Dienst zendt jaarlijks voor 1 september ter informatie de conceptbegroting voor het daaropvolgende jaar aan de Minister en voor 1 oktober de begroting voor het daaropvolgende jaar aan de Minister.
Artikel 5
1. Het aan de minister voor te leggen meerjarenbeleidsplan omvat de periode van het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren.
2.
In het meerjarenbeleidsplan komen aan de orde:
a. a. de interne en externe ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de door de Dienst gelegde en te leggen beleidsaccenten in termen van strategie, doelstellingen en resultaten; b. b. veranderingen in de werkwijze van de Dienst voor zover deze politiek relevant worden geacht of financieel van substantiële omvang zijn; c. c. markt- en nevenactiviteiten; d. d. de toelichting op de investeringen; e. e. zwaarwegende technische en juridische aspecten die van invloed kunnen zijn op wet- en regelgeving; f. f. zwaarwegende veranderingen in het beleid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van het personeel; g. g. de stand van zaken rond de informatiebeveiliging en, indien aan de orde, de verbeteringsmaatregelen, alsmede belangrijke wijzigingen in het informatiebeveiligingsbeleid; h. h. de begrote gecomprimeerde balans per ultimo van het begrotingsjaar; i. i. de meerjarencijfers voor de vier jaren na het eerstvolgende begrotingsjaar omtrent de geraamde totale omzet en de totale kosten alsmede de verwachte positie van het eigen en vreemd vermogen; j. j. wijzigingen ten opzichte van aannames en uitgangspunten in het vorige meerjarenbeleidsplan; k. k. de hoogte van de na te streven efficiency en de te behalen besparingen, mede in relatie tot de interne en externe ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de Dienst; l. l. de wijze waarop invulling is gegeven aan de jaarbrief van de Minister.
Artikel 6
1. De aandachtspunten voor de accountantscontrole zijn uitgewerkt in de bijlage bij deze regeling.
2. De minister informeert de Dienst over het voornemen een review van de accountantscontrole te laten uitvoeren door de accountantsdienst van het Rijk. Het besluit tot het uitvoeren van een review van de accountantscontrole wordt vergezeld van een toelichting waaruit de aanleiding blijkt, alsmede de procedure die zal worden gevolgd en de informatie die de Dienst ten behoeve van dit onderzoek beschikbaar dient te stellen.
3.
Bij de aanwijzing van de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet, bedingt de Dienst dat de controles en de verklaringen daarover mede betreffen:
a. a. een toereikende scheiding tussen de baten en lasten casu quo ontvangsten en uitgaven uit de bij of krachtens een wet aan de Dienst opgedragen taken dan wel andere activiteiten; b. b. de juiste en volledige hantering van de vastgestelde tarieven; c. c. dat de kosten van de strategische eenheden zijn gebaseerd op het vastgestelde kostprijscalculatiemodel.
Artikel 7
1.
De Dienst behoeft de voorafgaande instemming van de minister voor:
a. a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon; b. b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen waarvan de waarde een bedrag van 10 miljoen euro overschrijdt; c. c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen waarvan de waarde een bedrag van 10 miljoen euro overschrijdt; d. d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur, verhuur of pacht van registergoederen waarvan de huur of pacht een bedrag van jaarlijks 10 miljoen euro overschrijdt; e. e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening indien deze afzonderlijk dan wel alle (deel)kredietovereenkomsten en (deel)overeenkomsten van geldleningen gezamenlijk een bedrag van 10 miljoen euro overschrijden; f. f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de Dienst zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij de Dienst zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt; g. g. het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 33 van de Kaderwet; h. h. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling.
2. Indien de Dienst een beslissing wil nemen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, waarvan de bedragen, genoemd in het eerste lid, niet overschreden worden maar waarvan de waarde meer bedraagt dan 5 miljoen euro, informeert de Dienst de minister over de beslissing.
3. De Dienst legt een voorgenomen beslissing als bedoeld in het eerste lid niet voor dan nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. De Dienst behoeft de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening, indien deze een bedrag afzonderlijk dan wel alle (deel)kredietovereenkomsten en (deel)overeenkomsten van geldleningen gezamenlijk van 2,5 miljoen euro overschrijden.
4. Voor zover de in het eerste lid genoemde voornemens zijn opgenomen in de begroting, bedoeld in artikel 26 van de Kaderwet, hoeven deze niet afzonderlijk ter instemming aan de minister te worden voorgelegd.
Paragraaf 4. Informatie-uitwisseling
Artikel 8
Bij de inrichting van de jaarrekening wordt onderscheid gemaakt tussen de baten en lasten, alsook tussen de ontvangsten en uitgaven uit de bij of krachtens een wet aan de Dienst opgedragen taken dan wel uit andere activiteiten.
Artikel 9
1.
In aanvulling op titel 9, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 18 en 19 van de Kaderwet bevat het jaarverslag in ieder geval de volgende onderdelen:
a. a. de wijze van toepassing van de in artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen ter beveiliging van de gegevens van de Dienst; b. b. de relevante gegevens over de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening; c. c. de risico’s die zich in een verslagjaar hebben voorgedaan alsmede de werking van de beheersmaatregelen; d. d. het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat is gevoerd op grond van de Algemene wet bestuursrecht, en de resultaten daarvan; e. e. het aantal verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de resultaten daarvan; f. f. het aantal ingediende klachten, al dan niet gedaan op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, en de resultaten daarvan; g. g. het aantal klachten op grond van de Wet Nationale ombudsman. en de resultaten daarvan; h. h. mededelingen omtrent de verwachte gang van zaken, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de kwaliteit van de taakuitoefening afhankelijk is; i. i. het gevoerde integriteitsbeleid; j. j. de ontwikkeling van de prestaties van de organisatie gerelateerd aan de vastgestelde kernprestatie-indicatoren en een toelichting daarbij; k. k. een bedrijfsvoeringparagraaf waarin onder andere wordt ingegaan op het financieel en materieel beheer; l. l. de wijze waarop de Dienst invulling heeft gegeven aan internationale wet- en regelgeving.
2. Uit het jaarverslag valt af te leiden op welke wijze de realisatie in het boekjaar overeenkomt met dan wel afwijkt van de begroting.
3.
Het jaarverslag is voorzien van:
a. a. een verslag van het bestuur; b. b. een verslag van de raad van toezicht; c. c. een op risicomanagement gebaseerd in-control-statement van het bestuur, waarin in ieder geval wordt ingegaan op de financiële en operationele processen van de Dienst; d. d. een verslag van de Gebruikersraad en de ondernemingsraad.
4.
Bij de aanbieding van het jaarverslag aan de minister informeert de Dienst de minister over:
a. a. de toepassing van de arbeidsvoorwaarden van het personeel; b. b. de gemiddelde loonsom per werknemer over het desbetreffende boekjaar; c. c. het aantal ingediende schadeclaims, onderverdeeld naar taak en de resultaten daarvan.
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
1.
De minister legt de volgende voornemens tijdig aan de Dienst voor met het oog op een uitvoeringstoets:
a. a. voor het functioneren van de Dienst relevante beleidsvoornemens; b. b. voorgenomen wet- en regelgeving; c. c. overige voornemens tot het opdragen van taken of het stellen van regels met betrekking tot de uitoefening van de taken bij of krachtens een wet waarvoor hij eerste verantwoordelijke is; en d. d. voornemens tot het stellen van Beleidsregels in de zin van artikel 21 Kaderwet.
2. In de uitvoeringstoets worden in ieder geval de financiële, organisatorische en juridische gevolgen van het in het eerste lid genoemde voornemen, beschreven, alsmede de gevolgen voor de bedrijfsvoering, de gebruikers en afnemers van de Dienst.
3. De minister reageert op de door de Dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
4. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de Dienst de minister van de intentie van de Dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.
5. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de Dienst voorgelegde voornemen op voor de Dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de Dienst.
Artikel 12
1. De Dienst evalueert op een daartoe door de minister gedaan verzoek of uit eigen beweging de uitvoering van nieuw of bijgesteld beleid dan wel nieuwe of bijgestelde wet- en regelgeving.
2. Bij het verzoek formuleert de minister de door de Dienst te beantwoorden vragen en wordt de termijn bepaald waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.
3. De minister reageert op de door de Dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
Artikel 13
De Dienst verschaft de Minister structureel informatie over lopende dan wel in voorbereiding zijnde ICT-projecten waarover aan het Adviescollege ICT-toetsing, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Adviescollege ICT-toetsing advies wordt gevraagd, of waarover door de Minister aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gerapporteerd.
Artikel 14
Vervallen
Artikel 15
Indien de minister na overleg met de Dienst een derde aanwijst om in het kader van het toezicht op het functioneren van de Dienst onderzoek te doen naar een door de minister te bepalen onderdeel van de Dienst of van de taakuitoefening door de Dienst, verstrekt de Dienst aan deze derde op de door de derde te bepalen wijze de ter zake van het onderzoek gevraagde informatie voor zover dit niet beperkt is door een wet of contract.
Artikel 16
De minister verstrekt de Dienst informatie met betrekking tot:
a. a. aanschrijvingen; b. b. politieke aangelegenheden en de meningsvorming door de minister of de Staten-Generaal met betrekking tot de Dienst en de toekomst van de Dienst, c. c. (inter)nationaal overleg; d. d. (ontwikkeling van) rechtstreeks werkende EG-regelgeving; e. e. overleg met andere departementen en resultaten daarvan; f. f. klachten over het functioneren van de Dienst; g. g. overige ontwikkelingen die het functioneren van de Dienst beïnvloeden.
Artikel 17
1. De Dienst legt tot hem gerichte voorstellen tot taakopdracht door een ander bestuursorgaan tijdig voor aan de minister met het oog op het verkrijgen van diens instemming.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voornemens van de Dienst tot het verrichten van markt- of nevenactiviteiten.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling sturing van en toezicht op het Kadaster.
Artikel 19
Vervallen
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2013.