40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen | BWBR0007155 | ministeriele-regeling | geldend | 2007-11-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0007155 | Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen |
Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
De minister kan van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een subsidie of een uitkering wordt verstrekt, de afwijking uitdrukkelijk vermeldt.
Hoofdstuk II. Jaarlijkse instellingssubsidie, vierjaarlijkse instellingssubsidie, subsidie aan aangewezen instellingen dan wel subsidie aan fondsen
Artikel 3
Aan een instelling kan tezelfdertijd zowel een jaarlijkse als een vierjaarlijkse instellingssubsidie worden verleend.
Artikel 4
1. De minister betaalt per kwartaal als voorschot een evenredig deel van de subsidie die aan een instelling is verleend.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hem te bepalen termijnen.
Artikel 5
Indien de minister voorschotten toekent voordat hij een beschikking tot een subsidieverlening heeft genomen, worden de voorschotten zo mogelijk gebaseerd op het bedrag dat in het voorgaande jaar als subsidie is verleend.
Artikel 6
Het bestuursverslag, de jaarrekening, het financieel verslag en het activiteitenverslag, bedoeld in de artikelen 24 en 33 tot en met 36 van het Besluit, van instellingen met een vierjaarlijkse instellingssubsidie, van aangewezen instellingen en van fondsen voldoen aan de eisen genoemd in:
a. a. de bijlage IA bij deze regeling voor zover het betreft instellingen met een jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie en aangewezen instellingen; en b. b. de bijlage IB bij deze regeling voor zover het betreft de fondsen.
Artikel 7
1.
Indien de verleende subsidie minder dan € 125.000 per jaar bedraagt:
a. a. kan in plaats van een jaarrekening een financieel verslag worden ingediend; b. b. is artikel 37, eerste en tweede lid, van het Besluit niet van toepassing, tenzij in bijlage IA bij deze regeling anders is bepaald.
2. De rapportage over de naleving van de subsidiebepalingen, bedoeld in artikel 37 van het Besluit, geschiedt overeenkomstig de als bijlagen IIA en IIB bij deze regeling gevoegde controleprotocollen met gebruikmaking van de bij die bijlagen opgenomen accountantsverklaringen.
Artikel 8
Bij het niet tijdig indienen van de jaar- of eindverantwoording, bedoeld in de artikelen 24, onderscheidenlijk 33, van het Besluit, wordt de subsidie voor iedere maand dat de subsidieontvanger in verzuim is, verlaagd met 1% van het subsidiebedrag genoemd in het besluit tot verlening van subsidie, tot een maximum van € 10.000.00 per maand. Elke volgende maand dat de subsidieontvanger in verzuim blijft, wordt de subsidie met eenzelfde bedrag verlaagd.
Hoofdstuk IIA. Nadere subsidievoorschriften voor vierjaarlijkse instellingssubsidies cultuuruitingen 2009 tot en met 2012
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 9
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. a. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit, niet zijnde een aangewezen instelling of een fonds; b. b. regio:
1°.
noorden: provincies Groningen, Friesland en Drenthe,
2°.
oosten: provincies Overijssel en Gelderland,
3°.
midden: provincies Flevoland en Utrecht, of
4°.
zuiden: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;
1°. 1°. noorden: provincies Groningen, Friesland en Drenthe, 2°. 2°. oosten: provincies Overijssel en Gelderland, 3°. 3°. midden: provincies Flevoland en Utrecht, of 4°. 4°. zuiden: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg; c. c. gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Den Haag of gemeente Rotterdam; d. d. podium: voorziening in een gebouw bestemd voor de presentatie van podiumkunsten.
2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidie aan instellingen voor de uitvoering van hun activiteiten in de jaren 2009 tot en met 2012.
Paragraaf 2. Financieel kader
Artikel 9a
Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk is voor de jaren 2009 tot en met 2012 jaarlijks een bedrag van € 75 miljoen beschikbaar.
Paragraaf 3. Subsidiecriteria voor toneel-, dans- , opera- en jeugdgezelschappen
Artikel 9b
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van toneelrepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft; b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en c. c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van toneel.
2. Aan ten hoogste acht instellingen kan subsidie worden verstrekt, waarbij in iedere regio, uitgezonderd de regio zuiden, en in iedere gemeente steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt. In de regio zuiden kan aan ten hoogste twee instellingen subsidie worden verstrekt.
Artikel 9c
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft; b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en c. c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans.
2. Aan ten hoogste vijf instellingen kan subsidie worden verstrekt, met dien verstande dat in de regio’s noorden, oosten en zuiden en in de gemeenten Amsterdam en Rotterdam steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt.
Artikel 9d
Indien geen van de subsidieaanvragen ingediend voor een regio of een gemeente op grond van de artikelen 9b en 9c voldoet aan alle in deze artikelen bedoelde vereisten, kan de minister niettemin aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekken in die regio of gemeente.
Artikel 9e
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van operarepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. haar standplaats heeft in de regio zuiden; en b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.
2. Er wordt aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekt.
Artikel 9f
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van repertoire op het terrein van de podiumkunsten voor de jeugd tot 18 jaar een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium; en b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.
Artikel 9g
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van Friestalig toneelrepertoire voor alle leeftijden een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. haar standplaats heeft in de regio noorden; en b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.
2. Er wordt aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekt.
Paragraaf 4. Subsidiecriteria voor internationale festivals
Artikel 9h
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van een of meer van de scheppende of uitvoerende kunsten een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de activiteiten van de instelling:
a. a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten; b. b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en c. c. niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere instantie die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.
2. Op elk terrein van de scheppende of uitvoerende kunsten of op elk duidelijk te onderscheiden onderdeel daarvan wordt ten hoogste aan één instelling subsidie verstrekt.
Paragraaf 5. Subsidiecriteria voor productiehuizen, instellingen gericht op de presentatie van beeldende kunst, post-academische instellingen en instellingen gericht op ontwikkeling en vernieuwing
Artikel 9i
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de ontwikkeling en presentatie door beginnende of freelance makers van vernieuwende of experimentele activiteiten op het terrein van de podiumkunsten, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. beschikt over voorzieningen die geschikt zijn om beginnende makers van podiumkunsten te begeleiden; b. b. de presentatie van de te verrichten activiteiten op een podium kan garanderen; c. c. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en d. d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders.
Artikel 9j
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van een vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. a. beschikt over een ruimte die geschikt is voor het tonen van de presentaties; b. b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; c. c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en d. d. niet overwegend gericht is op het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed.
Artikel 9k
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van een programma op het terrein van de podiumkunsten, architectuur, beeldende kunst, vormgeving, nieuwe media of film, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling beschikt over voorzieningen die geschikt zijn om de deelnemers aan het programma te begeleiden.
Artikel 9l
De minister kan aan een instelling op het terrein van de amateurkunst of cultuureducatie, de architectuur, het erfgoed, de film, de letteren, media en bibliotheken, de nieuwe media of vormgeving, dan wel op het intercultureel terrein, met als kernactiviteit de ontwikkeling of vernieuwing van het betreffende terrein door de begeleiding of de presentatie van talent, de facilitering van experimenten, het uitvoeren van onderzoek of het anderszins bijdragen aan verdieping op het betreffende terrein, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling niet overwegend gericht is op het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed.
Paragraaf 6. Subsidiecriteria voor overige ondersteunende instellingen
Artikel 9m
1.
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het uitvoeren van één of meer ondersteunende taken op een terrein van het cultuurbestel, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling:
a. a. niet als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak of een onderdeel daarvan; en b. b. zich niet beweegt op een terrein waarop al een sectorinstituut werkzaam is.
2.
Ondersteunende taken als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. a. nationale of internationale vertegenwoordiging en promotie van het betreffende terrein van scheppende of uitvoerende kunsten; b. b. verzorging van educatie, informatie en reflectie over ontwikkelingen op het betreffende terrein door middel van exposities, lezingen, studiedagen en publicaties; c. c. inventariseren, waarderen en ontsluiten van erfgoed; d. d. verzorging van documentatie en archivering van relevant materiaal op het betreffende terrein door middel van een archief, een bibliotheek of een video- en mediatheek; e. e. afstemming en coördinatie tussen relevante partijen op het betreffende terrein.
3. Een sectorinstituut als bedoeld in het eerste lid, onder b, is een aangewezen instelling waar alle ondersteunende taken als bedoeld in het tweede lid, voor zover deze op het betreffende terrein van scheppende of uitvoerende kunsten voorkomen, worden uitgeoefend.
Artikel 9n
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verrichten van coördinerende activiteiten inzake één of meer ondersteunende taken als bedoeld in artikel 9m, tweede lid, op het terrein van de cultuureducatie dan wel op het interculturele of het internationale terrein een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling niet als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak of een onderdeel daarvan.
Paragraaf 7. Subsidieaanvraag
Artikel 9o
1. Een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage IV.
2. Een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt bij voorkeur elektronisch ingediend. De indiening geschiedt via de website www.cultuursubsidie.nl.
3. Als tijdstip van ontvangst van een elektronisch ingediende subsidieaanvraag geldt het tijdstip waarop het aanvraagformulier aan de hand waarvan die subsidieaanvraag wordt ingediend, elektronisch is ontvangen. In aansluiting op de elektronische verzending van het aanvraagformulier wordt een ondertekende afdruk van de laatste pagina van het formulier per post toegezonden aan de minister.
4. Wordt een subsidieaanvraag schriftelijk ingediend dan geschiedt dit op een door de minister vastgesteld aanvraagformulier.
Paragraaf 8. Subsidieverlening
Artikel 9p
1.
De subsidie wordt verleend op grond van de volgende overwegingen:
a. a. het belang van de activiteiten van de subsidieaanvrager; b. b. de positie van de subsidieaanvrager in het cultuurbestel; en c. c. de samenhang tussen de subsidieaanvragen.
2.
Bij de verlening van subsidies als bedoeld in de artikelen 9i en 9j gelden tevens als overwegingen:
a. a. de spreiding van instellingen over het land; en b. b. de aanwezigheid van een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst zoals bedoeld in het Bekostigingsbesluit WHW in de plaats van vestiging van de instelling.
Artikel 9q
Onverminderd de artikelen 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en 4 van het Besluit wordt de subsidieverlening geweigerd, indien de aanvraag wordt ingediend door een instelling die bekostiging ontvangt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of door een instelling waarvan de activiteiten naar het oordeel van de minister het initieel onderwijs overlappen waarvoor op grond van die wet bekostiging mogelijk is.
Hoofdstuk III. Projectsubsidies
Artikel 10
Subsidie in de kosten van projecten op het terrein van het specifiek cultuurbeleid wordt verstrekt met toepassing van dit hoofdstuk, tenzij voor een bepaalde sector van dat terrein een aparte regeling is vastgesteld.
Artikel 10a
Een experiment of project op het terrein van de monumentenzorg komt voor subsidie in aanmerking indien het experiment of project naar het oordeel van de minister:
a. a. een bijdrage zal kunnen leveren aan het behoud van monumenten van bouwkunst; en b. b. een landelijke voorbeeldfunctie zal kunnen hebben.
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 12a
1. In afwijking van artikel 7, derde lid, van het Besluit worden aanvragen voor een subsidie voor een experiment of project als bedoeld in artikel 10a ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de uitvoering van het experiment of het project is voorgenomen.
2. De beslissing op aanvragen als bedoeld in het eerste lid wordt genomen vóór 1 januari.
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
In de beschikking tot subsidieverlening worden de hoogte en het tempo van de bevoorschotting vastgesteld.
Artikel 15
Vervallen
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
Artikel 37, eerste en tweede lid, van het Besluit zijn niet van toepassing indien de verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt.
Hoofdstuk IV. Specifieke uitkeringen
Artikel 18
Een uitkering aan een provincie of een gemeente ten behoeve van het door het desbetreffende openbaar lichaam te voeren cultuurbeleid wordt verstrekt met toepassing van dit hoofdstuk, tenzij voor het verstrekken van een dergelijke uitkering een aparte regeling is vastgesteld.
Artikel 19
De uitkering bestaat uit een bedrag voor de door de minister in de beslissing tot toekenning van een uitkering aangeduide doelen.
Artikel 20
Geen uitkering ten behoeve van doelen wordt verstrekt ten behoeve van apparaatskosten van het betrokken openbaar lichaam.
Artikel 21
In de beschikking tot toekenning van een uitkering worden de hoogte en het tempo van de bevoorschotting geregeld.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22
Ten aanzien van subsidies die zijn verstrekt voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, blijft de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen zoals die op 31 december 2008 luidde, van kracht.
Artikel 23
Vervallen
Artikel 24
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 25
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen.
Bijlage IA. Handboek verantwoording cultuursubsidies instellingen 2009–2012 (inclusief musea en sectorinstituten)
Bijlage IB. Handboek verantwoording cultuursubsidies fondsen 2009–2012
Bijlage IC. Handboek verantwoording cultuursubsidies musea april 2005
Vervallen
Bijlage IIA. Controleprotocol cultuursubsidies instellingen
Bijlage IIB. Controleprotocol cultuursubsidies fondsen
Bijlage IIIA. Model-accountantsverklaring instellingssubsidie
Vervallen
Bijlage IIIB. Model-accountantsverklaring projectsubsidie
Vervallen
Bijlage IV. Inrichtingseisen subsidieaanvragen vierjaarlijkse instellingssubsidies 2009–2012
Vervallen