rijk/ministeriele-regeling/regeling-tegemoetkoming-ouders-van-thuiswonende-gehandicapte-kinderen/BWBR0010997
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen BWBR0010997 ministeriele-regeling geldend 2000-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010997 Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen

Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *AKW:*
    Algemene Kinderbijslagwet;

    *AWBZ:*
    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

    *indicatiebesluit:* een besluit van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ, onderscheidenlijk van de stichting, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ, waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager, ten behoeve van wie een aanvraag om een indicatiebesluit is ingediend, is aangewezen op een of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit, onderscheidenlijk artikel 9, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg;

    *kind:* het kind, bedoeld in artikel 2;

    *Minister van SZW:* Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    *overige posten met betrekking tot de uitvoering van deze regeling:* de uitgaven en ontvangsten met betrekking tot de interesten en ontvangsten;

    *peildag:* de eerste dag van een kwartaal zijnde 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober;

    *SVB:* Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    *valutadag:* de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;

    *vreemdeling:* hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;

    *Wet Suwi:*
    Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2

1. Kind is de persoon die de leeftijd van drie jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt en die blijkens een geldig indicatiebesluit is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 8, 9 en 13 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, waarbij voor behandeling, begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24 uren.

2. Met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld een medisch advies van een door de SVB aan te wijzen onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie, waaruit blijkt dat een persoon die de leeftijd van drie jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt en die in het buitenland woont, een vergelijkbare zorgbehoefte heeft als de persoon, bedoeld in het eerste lid.

3. Met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, wordt wat betreft de zorg als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken ABWZ, die in verband met een zintuiglijke handicap wordt verleend, gelijkgesteld een verklaring afgegeven door een toegelaten ZG-zorgaanbieder met erkende deskundigheid, waaruit blijkt dat een persoon die de leeftijd van drie jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt, al dan niet in combinatie met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3

Vervallen

Paragraaf 2. Het recht op en de hoogte van een tegemoetkoming

Artikel 4

1. De natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort heeft over dat kwartaal recht op een tegemoetkoming ten behoeve van dat kind op grond van deze regeling, mits in dat kwartaal met betrekking tot het desbetreffende kind een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 2, geldt.

2. Waar de natuurlijke persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

3.

Geen recht op een tegemoetkoming heeft de persoon:

a. a. die ten behoeve van het kind een Nederlandse of buitenlandse vergoeding ontvangt die qua doelstelling en hoogte vergelijkbaar is met de tegemoetkoming, bedoeld in deze regeling; b. b. in wiens huishouden het kind op commerciële basis is opgenomen.

4. Geen recht op een tegemoetkoming heeft de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

5.

In afwijking van het vierde lid heeft wel recht op een tegemoetkoming de vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of b. b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

6.

Het recht op een tegemoetkoming aan de vreemdeling, bedoeld in het vijfde lid, eindigt met ingang van de dag waarop:

a. a. onherroepelijk voor de vreemdeling negatief op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of b. b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Artikel 5

De tegemoetkoming voor het kind bedraagt € 215,80 per kwartaal.

Artikel 5a

1.

Indien een persoon:

a. a. over de vier kwartalen van een kalenderjaar gerekend vanaf 1 januari 2010 recht heeft gehad op een tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5; b. b. met betrekking tot dat kalenderjaar een partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en c. c. deze persoon of diens partner in dat kalenderjaar belastbare winst uit een of meer ondernemingen als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of belastbaar resultaat uit een of meer werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft genoten niet meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

heeft deze persoon in aanvulling op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, recht op een extra tegemoetkoming van € 1460 over dat kalenderjaar.

2. Indien een persoon of diens partner voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en recht heeft op meer dan een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5, heeft hij dan wel zijn partner recht op ten hoogste een extra tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid.

3. De SVB betaalt de in het eerste lid bedoelde extra tegemoetkoming zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarover recht op de desbetreffende extra tegemoetkoming bestaat.

Paragraaf 3. Het geldend maken van het recht op een tegemoetkoming

Artikel 6

1. De SVB stelt op aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat.

2. De aanvraag wordt ingediend door middel van een door de SVB beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

3. Bij de aanvraag wordt het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, overgelegd, tenzij de SVB het medisch advies, bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint.

4. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt mede op grond van de door een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ, onderscheidenlijk een stichting als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ, aan de SVB verstrekte gegevens, indien dat wettelijk is toegestaan. In dat geval wordt bij de aanvraag het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, overgelegd indien de SVB daarom verzoekt.

5. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, kan niet eerder ingaan dan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag om een tegemoetkoming werd ingediend. De SVB is bevoegd in bijzondere gevallen van de eerste zin af te wijken.

6. Indien de SVB medisch advies als bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint, geschiedt de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het vierde lid mede op grond van dit advies. Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing.

7. De aanvraag om de extra tegemoetkoming wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op de extra tegemoetkoming bestaat.

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

1. De artikelen 14a tot en met 16, 18, 19, 19a, 20, 21a, 22 tot en met 24, 24a, eerste lid, 24b, 24c, 24d, 29d, 30 en 31 van de AKW en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 5 en 5a, met dien verstande dat in artikel 18, eerste lid, van de AKW, met betrekking tot de extra tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5a, voor het kwartaal wordt gelezen: het kalenderjaar.

2. De artikelen 35, zesde lid, 38, tweede lid, 46, 48, 49 en hoofdstuk 9 van de Wet SUWI en artikel 121 van de Wet financiering sociale verzekeringen zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van deze regeling.

Artikel 8a

1. De SVB stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat.

2. Indien de SVB niet in staat is tijdig een besluit te nemen, stelt de SVB de aanvrager daarvan in kennis en kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vier weken worden verlengd.

Artikel 9

De SVB kan een aan een persoon ten onrechte betaalde tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 5 en 5a, verrekenen met een andere tegemoetkoming of met de kinderbijslag die die persoon of een andere persoon die tot dat huishouden behoort voor een kind ontvangt.

Paragraaf 4. De financiering

Artikel 10

1. In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door het Rijk.

2. De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.

3. Met inachtneming van artikel 10a, eerste lid, brengt de SVB de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van de SVB, in rekening bij de Minister van SZW.

Artikel 10a

1. Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van SZW in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

2. De uitkeringslasten in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5, en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5a.

Artikel 10aa

Vervallen

Artikel 10b

1.

De Minister van SZW stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 10a, van:

a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke maand, en b. b. 1/12^de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

2. De Minister van SZW kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 10c

Vervallen

Artikel 10d

Vervallen

Artikel 10e

1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, uitgesplitst naar tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5, en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5a en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van SZW de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 10f

Vervallen

Artikel 10g

Artikel 16, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op verstrekking van tegemoetkomingen krachtens deze regeling.

Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11

Deze regeling berust mede op de artikelen 121, tweede lid, en 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 12

1. Tot 1 oktober 2010 wordt onder kind mede verstaan de persoon die de leeftijd van drie jaar maar nog niet die van achttien jaar heeft bereikt en ten behoeve van wie over het eerste kwartaal van 2010, op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 recht op tegemoetkoming bestond en ten behoeve van wie dat recht niet met ingang van 1 april 2010 op grond van genoemde regeling is beëindigd. Voorts wordt tot 1 oktober 2010 onder kind verstaan de persoon die de leeftijd van drie jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en ten behoeve van wie in het vierde kwartaal van 2009 of in het eerste kwartaal van 2010 is bepaald dat met ingang van 1 april 2010 recht bestaat op een tegemoetkoming op grond van genoemde regeling.

2. De persoon tot wiens huishouden een kind behoort en ten behoeve van welk kind over het eerste kwartaal van 2010 recht op tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 bestond, maar ten behoeve van wie geen recht op tegemoetkoming bestaat over het vierde kwartaal van 2010 omdat er in dat kwartaal geen indicatiebesluit geldt als bedoeld in artikel 2, heeft over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 recht op een uitkering die per kwartaal de helft bedraagt van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.

3. Indien een persoon recht heeft op een uitkering als bedoeld in het tweede lid, en met ingang van 1 januari 2011 recht heeft op een tegemoetkoming, heeft, in afwijking van het tweede lid, over dat kwartaal geen recht op uitkering.

4. Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 4 wordt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, gelijkgesteld met de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.

5. Paragraaf 4 van deze regeling, zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en Gezin, tot wijziging van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 in verband met de wijziging van de indicatiestelling en de invoering van een extra tegemoetkoming voor alleenverdieners blijft van toepassing met betrekking tot tegemoetkomingen die in 2009 en in het eerste kwartaal van 2010 zijn verstrekt.

Artikel 12a

1. De tegemoetkoming die wordt toegekend naar aanleiding van een aanvraag waarbij een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt overgelegd kan, in afwijking van artikel 6, vijfde lid, ingaan vanaf de eerste dag van het tweede kwartaal 2011.

2. De aanvraag om een tegemoetkoming waarbij een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt overgelegd en die met terugwerkende kracht betrekking heeft op kwartalen vanaf het tweede kwartaal 2011 wordt ingediend voor 1 januari 2013.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.