rijk/ministeriele-regeling/regeling-tijdelijke-wet-groningen/BWBR0048350
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling Tijdelijke wet Groningen BWBR0048350 ministeriele-regeling geldend 2023-09-26 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048350 Regeling Tijdelijke wet Groningen

Regeling Tijdelijke wet Groningen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;
  • appartementsrecht: appartementsrecht als bedoeld in artikel 106, vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;
  • benadeelde: natuurlijk persoon die geen onderneming drijft of micro-onderneming als bedoeld in artikel 2, derde lid, van bijlage I van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), die zich in een bijzondere situatie bevindt of een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zich in een vastgelopen situatie bevindt;
  • beoordeling: beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, of artikel 13ia, eerste lid, van de wet;
  • Besluit: Besluit Tijdelijke wet Groningen;
  • bijzondere situatie: situatie als bedoeld in artikel 1a.1, tweede lid;
  • constructief verbonden gebouwen: gebouwen die met elkaar verbonden zijn door een gemeenschappelijke tussen- of scheidingsmuur of een gezamenlijke dakconstructie dan wel anderszins op zodanige wijze verbonden zijn dat het slopen van een bouwkundige constructie redelijkerwijs een aangrenzende bouwkundige constructie kan doen instorten;
  • gebouw met een licht verhoogd risico: gebouw met een licht verhoogd risico als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit;
  • gebouw met een normaal risico: gebouw met een normaal risico als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit;
  • gebouw met een verhoogd risico: gebouw met een verhoogd risico als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit;
  • Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • openbare registers: openbare registers als bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
  • openingsratio: verhouding tussen het totale oppervlak van deuren en ramen in een gevel ten opzichte van het totale geveloppervlak;
  • oplossen: bieden van financiële en andersoortige bijstand;
  • piekgrondversnelling: hoogste waarde op maaiveldniveau van de grondversnelling tijdens een aardbevingamplitude van de grootste absolute versnelling geregistreerd op een locatie tijdens een aardbeving;
  • projectmatige aanpak: de beoordeling, de voorbereiding of de uitvoering van de versterking voor een verzameling gebouwen van dezelfde eigenaar op basis van een overkoepelend plan;
  • toegelaten instelling: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet;
  • vastgelopen situatie: situatie als bedoeld in artikel 1a.1, derde lid;
  • vereniging van eigenaars: vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 124, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

Paragraaf 1a. Knelpuntentaak

Artikel 1a.1

1. Het Instituut heeft de taak knelpunten als gevolg van schade, niet zijnde bijzondere situaties of vastgelopen situaties, op te lossen die ontstaan door het kader, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de wet.

2.

Het Instituut heeft de taak een bijzondere situatie op te lossen waarin de benadeelde:

a. a. schade heeft geleden of ten aanzien van het gebouw waarvan hij eigenaar is een versterkingsbesluit ontvangt of heeft ontvangen; b. b. een aantoonbaar medisch, psychisch of sociaal probleem heeft; en c. c. door persoonlijke omstandigheden in ernstige financiële problemen is gekomen of dreigt te komen of failliet is gegaan of dreigt te gaan.

3.

Het Instituut heeft de taak een vastgelopen situatie op te lossen waarin de benadeelde:

a. a. in schrijnende omstandigheden terecht is gekomen of dreigt te komen:

        1°.
        doordat de algehele staat of conditie van het te herstellen of versterken pand zwak is als gevolg van constructieve problemen; of
      
      
        2°.
        door andere factoren;

1°. 1°. doordat de algehele staat of conditie van het te herstellen of versterken pand zwak is als gevolg van constructieve problemen; of 2°. 2°. door andere factoren; b. b. eigenaar is van een gebouw gelegen in een gemeente in het gebied waar het Instituut het bewijsvermoeden, bedoeld in artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek toepast; en c. c. in een situatie verkeert die niet op redelijke of adequate wijze kan worden opgelost met behulp van bestaande voorzieningen.

Artikel 1a.2

Het Instituut verzoekt de Commissie bijzondere situaties, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Commissie bijzondere situaties om advies over hulp in bijzondere situaties.

Artikel 1a.3

Het Instituut verzoekt een door de Minister benoemde onafhankelijk adviseur om advies over het oplossen van vastgelopen situaties. Het Instituut voorziet in de ondersteuning van de onafhankelijk adviseur.

Artikel 1a.4

1.

Een bijzondere situatie kan bij het Instituut worden aangedragen door:

a. a. een burgemeester van een gemeente in het gebied waar het Instituut het bewijsvermoeden, bedoeld in artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, toepast en waarin de benadeelde woonachtig is; b. b. de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman; of c. c. regionale zorg- en hulpverleners.

2.

Een vastgelopen situatie kan bij het Instituut worden aangedragen door:

a. a. een burgemeester van een gemeente, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. b. de Minister; of c. c. het Instituut.

Paragraaf 2. Verrijking risicoprofielen

Artikel 2.1

1.

Het risicoprofiel van een gebouw met een normaal of licht verhoogd risico wordt bijgesteld naar een licht verhoogd respectievelijk verhoogd risico indien dat het risicoprofiel is van een gebouw:

a. a. met dezelfde bouwkundige kenmerken dat gelegen is in:

        1°.
        een straal van 100 meter rond dat gebouw; of
      
      
        2°.
        een gebied binnen dezelfde PGA-contour als het gebied waarin dat gebouw gelegen is;

1°. 1°. een straal van 100 meter rond dat gebouw; of 2°. 2°. een gebied binnen dezelfde PGA-contour als het gebied waarin dat gebouw gelegen is; b. b. dat constructief verbonden is met dat gebouw; of c. c. met een licht verhoogd of verhoogd risico dat op basis van zijn plattegrond, opbouw, bouwjaar en openingsratio vergelijkbaar is met dat gebouw.

2.

Ook wordt het risicoprofiel van een gebouw met een normaal of licht verhoogd risico bijgesteld naar een licht verhoogd respectievelijk verhoogd risico indien:

a. a. het een meerlaagsgebouw met een hoofddraagconstructie van metselwerk betreft dat gelegen is in een gebied met een piekgrondversnelling van 0.15g of hoger; of b. b. het Instituut het gebouw heeft aangemerkt als acuut onveilig ook indien de acute onveiligheid is weggenomen door tijdelijke maatregelen.

3. Ook kan het risicoprofiel van een gebouw met een normaal of licht verhoogd risicoprofiel worden bijgesteld naar een licht verhoogd respectievelijk verhoogd risico indien het Instituut dat gebouw hiertoe aandraagt bij de Minister vanwege de mogelijke aantasting van de constructieve veiligheid van dat gebouw als gevolg van schade.

Paragraaf 3. Vergoeding beoordeling in eigen beheer

Artikel 3.1

1. De Minister kan een vergoeding als bedoeld in artikel 13ia, derde lid, van de wet verstrekken, indien de eigenaar en de opdrachtnemer de in bijlage 1 opgenomen modelbepalingen beoordelingsfase hebben overgenomen in hun overeenkomst.

2. De Minister betaalt de vergoeding aan de opdrachtnemer die de kosten in rekening brengt bij de eigenaar op basis van door de eigenaar aan de Minister overgelegde facturen of andere bewijsstukken of aan de eigenaar voor die kosten die de eigenaar al heeft voldaan aan de opdrachtnemer.

3. De Minister betaalt de opdrachtnemer of de eigenaar binnen 30 dagen na ontvangst van de facturen of andere bewijsstukken.

Artikel 3.2

De opdrachtnemer, bedoeld in artikel 3.1, heeft blijkens een opgave van referentieprojecten aantoonbare ervaring met het uitvoeren van seismische en constructieve berekeningen van gebouwen overeenkomstig de krachtens artikel 13h van de wet gestelde regels over de beoordeling van gebouwen en beschikt over een ISO 9001:2015 of daarmee vergelijkbaar certificaat.

Artikel 3.3

1.

De vergoeding wordt vastgesteld op basis van:

a. a. de in bijlage 2 opgenomen standaardbedragen; of b. b. de door de eigenaar overgelegde offertes van derden of andere bewijsstukken, indien het activiteiten betreft waarvoor geen standaardbedragen in bijlage 2 zijn opgenomen, voor zover die offertes of bewijsstukken zijn gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

2. De vergoeding omvat mede een aanspraak ter hoogte van € 890,50, berekend op basis van 6,5 arbeidsuren tegen een uurtarief van € 137 voor het inschakelen van een bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel adviseur.

3. In gevallen waarin door de bijzondere omstandigheden van het geval de vergoeding te laag is en dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de Minister deze verhogen.

4. Indien de eigenaar een projectmatige aanpak toepast, kunnen de standaardbedragen en de offertes of bewijsstukken betrekking hebben op meerdere gebouwen binnen het project.

5. Op het tweede lid zijn de artikelen 8a.1, 8a.2, 8a.4 en 8a.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar in de genoemde artikelen wordt gesproken over het Instituut of de Minister dit gelezen moet worden als de Minister, dat in artikel 8a.4, eerste lid, voor artikel 8a.3, eerste lid gelezen moet worden artikel 3.3, tweede lid en dat in artikel 8a.5, eerste lid, voor artikel 8a.3 gelezen moet worden artikel 3.3, tweede lid.

Artikel 3.4

1. De Minister kan de vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien blijkt dat de vergoeding is verleend op grond van door de eigenaar verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.

2. Indien de vergoeding niet is besteed aan de doeleinden waarvoor deze is verstrekt, kan de Minister het niet of onrechtmatig bestede deel terugvorderen.

Paragraaf 4. Vergoeding ontwerp versterkingsmaatregelen in eigen beheer

Artikel 4.1

1. De Minister kan een vergoeding als bedoeld in artikel 13ib, derde lid, van de wet verstrekken indien de eigenaar en de opdrachtnemer de in bijlage 1 opgenomen modelbepalingen ontwerpfase hebben overgenomen in hun overeenkomst.

2. Indien de eigenaar een toegelaten instelling is, is hij vrijgesteld van het gebruik van de modelbepalingen ontwerpfase.

3. De Minister betaalt de vergoeding aan de opdrachtnemer die de kosten in rekening brengt bij de eigenaar op basis van door de eigenaar overgelegde facturen of andere bewijsstukken of aan de eigenaar voor die kosten die de eigenaar al heeft voldaan aan de opdrachtnemer. Indien de eigenaar een toegelaten instelling is, kan betaling aan de eigenaar plaatsvinden voor kosten die de eigenaar nog zal voldoen aan de opdrachtnemer op grond van door de Minister in het besluit tot vergoeding aan te wijzen bewijsstukken die door de eigenaar zijn overgelegd.

4. De Minister betaalt de opdrachtnemer of de eigenaar binnen 30 dagen na ontvangst van de facturen of andere bewijsstukken.

Artikel 4.2

De vergoeding omvat, voor zover de eigenaar de te vergoeden activiteiten in eigen beheer uitvoert:

a. a. de kosten voor:

      1°.
      het laten maken van een definitief ontwerp;
    
    
      2°.
      het laten maken van een technisch ontwerp;
    
    
      3°.
      het natuurvrij laten maken van een gebouw;

1°. 1°. het laten maken van een definitief ontwerp; 2°. 2°. het laten maken van een technisch ontwerp; 3°. 3°. het natuurvrij laten maken van een gebouw; b. b. de vereiste leges en heffingen voor de versterking of de sloop en nieuwbouw; c. c. andere kosten waarvan de Minister op verzoek van de eigenaar voorafgaand aan het maken van die kosten heeft geoordeeld dat deze noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van de versterkingsmaatregelen.

Artikel 4.3

1. De vergoeding wordt vastgesteld op basis van door de eigenaar overgelegde offertes van derden of andere bewijsstukken, voor zover die offertes of bewijsstukken zijn gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

2. De vergoeding bedraagt ten hoogste 16,5% van de op basis van de beoordeling geraamde kosten voor de versterking van een gebouw, of van meerdere gebouwen binnen een project indien de eigenaar een projectmatige aanpak toepast.

3. In gevallen waarin door bijzondere omstandigheden de vergoeding te laag is en dit leidt tot onbillijkheden van overwegende aard kan de Minister de vergoeding verhogen.

Artikel 4.4

1. De Minister kan de vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien blijkt dat de vergoeding is verleend op grond van door de eigenaar verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.

2. Indien de vergoeding niet is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, kan de Minister het niet of onrechtmatig bestede deel terugvorderen.

Paragraaf 5. Vergoeding versterking in eigen beheer

Artikel 5.1

1. De Minister kan een budget als bedoeld in artikel 10g, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, verstrekken indien de eigenaar en de opdrachtnemer de in bijlage 1 opgenomen modelbepalingen uitvoeringsfase hebben overgenomen in hun overeenkomst.

2. Indien de eigenaar een toegelaten instelling is, is hij vrijgesteld van het gebruik van de modelbepalingen uitvoeringsfase.

3. De Minister betaalt uit het budget de kosten voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen aan de opdrachtnemer die de kosten in rekening brengt bij de eigenaar op basis van door de eigenaar overgelegde facturen van derden of andere bewijsstukken of aan de eigenaar voor die kosten die de eigenaar al heeft voldaan aan de opdrachtnemer. Indien de eigenaar een toegelaten instelling is, kan betaling aan de eigenaar plaatsvinden voor kosten die de eigenaar nog zal voldoen aan de opdrachtnemer op grond van door de Minister in het versterkingsbesluit aan te wijzen bewijsstukken die door de eigenaar zijn overgelegd.

4. De Minister betaalt de opdrachtnemer of de eigenaar binnen 30 dagen na ontvangst van de facturen of andere bewijsstukken.

Artikel 5.2

1.

Het budget bedraagt per gebouw dat is opgenomen in het versterkingsbesluit ten hoogste het bedrag dat wordt berekend op grond van de formule:

(1,5 x h) + v  n, waarbij h, v en n achtereenvolgens staan voor:

h: de herbouwwaarde;

v: de kosten voor onder meer voorzieningen en installaties die ten gevolge van de uitvoering van de versterkingsmaatregelen moeten worden vervangen of aangepast; en

n: de kosten voor de uitvoering van maatregelen die niet in eigen beheer plaatsvinden, of in geval van sloop en nieuwbouw het deel van de sloop en nieuwbouw waarop de vergoeding betrekking heeft dat niet in eigen beheer wordt uitgevoerd.

2. Indien het gebouw een beschermd monument is of tot een beschermd stads- of dorpsgezicht behoort, wordt onder v in de formule ook verstaan de kosten die ten gevolge van de uitvoering van de versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn voor het behoud van de monumentale waarden van beschermd monument of voor het behoud van het stads- of dorpsgezicht.

3. Voor voorzieningen en installaties als bedoeld in het eerste lid en voor maatregelen die als standaardmaatregelen zijn opgenomen in de Groninger Maatregelencatalogus, die als webtool beschikbaar is gesteld op www.maatregelencatalogus.nl wordt het budget vastgesteld op basis van de bij die voorzieningen, installaties of standaardmaatregelen behorende kostenramingen, voor zover die kostenramingen op de datum van het nemen van het versterkingsbesluit in de catalogus zijn opgenomen.

4. Indien in bijzondere omstandigheden de kostenraming bij een voorziening, installatie of standaardmaatregel naar het oordeel van de Minister aantoonbaar en substantieel afwijkt van het bedrag dat in die omstandigheden werkelijk nodig is voor de uitvoering van die maatregel, wordt de vergoeding vastgesteld op het bedrag dat werkelijk nodig is voor de uitvoering van die maatregel.

5. Voor voorzieningen, installaties en maatregelen die niet als standaardmaatregelen zijn opgenomen in de Groningen Maatregelencatalogus, wordt het budget vastgesteld overeenkomstig de bedragen in door de eigenaar overgelegde offertes van derden of andere bewijsstukken, voor zover die offertes of bewijsstukken zijn gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

Artikel 5.3

1. Het budget wordt vastgesteld op basis van door de eigenaar overgelegde offertes van derden of andere bewijsstukken, voor zover die offertes en bewijsstukken zijn gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

2. Indien het budget op een hoger bedrag is vastgesteld dan de door de Minister op basis van artikel 5.1, derde lid, betaalde kosten, vervalt de aanspraak van de eigenaar op het resterende bedrag van het budget.

3. Indien de eigenaar een projectmatige aanpak toepast kunnen de op grond van het eerste lid overgelegde facturen of andere bewijsstukken betrekking hebben op meerdere gebouwen binnen het project.

Artikel 5.4

De Minister kan bepalen dat het budget mag worden overschreden met een in het versterkingsbesluit genoemd percentage dat maximaal tien procent bedraagt van dat budget.

Artikel 5.5

1. De Minister kan het budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien blijkt dat het budget is verleend op grond van door de eigenaar verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.

2. Indien het budget niet is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, kan de Minister het niet of onrechtmatig bestede deel terugvorderen.

Paragraaf 6. Aanvraag voor het versterkingsbesluit wanneer voorbereiding is uitgevoerd in eigen beheer

Artikel 6.1

1.

Bij het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 13ja van de wet overlegt de eigenaar de volgende gegevens:

a. a. een uitvoeringsontwerp, inclusief kostenraming; b. b. een verklaring van de opdrachtnemer, bedoeld in artikel 4.1, dat het gebouw na uitvoering van de maatregelen aan de veiligheidsnorm voldoet; c. c. een budgetaanvraag voor de uitvoering van het uitvoeringsontwerp, indien de eigenaar deze in eigen beheer wenst uit te voeren; d. d. een uittreksel van de Kamer van Koophandel van ten hoogste drie maanden oud, indien de aanvrager een rechtspersoon is; e. e. een getekend machtigingsformulier, indien een gemachtigde de aanvraag doet; f. f. de gegevens om de benodigde vergunningsaanvragen in te dienen, indien de eigenaar deze niet zelf indient.

2. Het uitvoeringsontwerp, inclusief de kostenraming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt opgesteld volgens detailniveau 6 van de NEN 2699:2017 en maakt duidelijk welke activiteiten die zijn opgenomen in het uitvoeringsontwerp niet noodzakelijk zijn om het gebouw te laten voldoen aan de veiligheidsnorm.

Paragraaf 7. Vergoeding schade ten gevolge van de versterking

Artikel 7.1

1. Een eigenaar komt in aanmerking voor vergoeding van de schade die optreedt ten gevolge van de uitvoering van de versterkingsmaatregelen als bedoeld in artikel 10g, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit indien de schade op verzoek van de eigenaar niet door de Minister in natura wordt hersteld.

2. Een rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, komt niet in aanmerking voor vergoeding van de schade die een direct gevolg is van de voorbereiding of uitvoering van de versterkingsmaatregelen als bedoeld in artikel 13m, eerste lid, onderdeel b, van de wet indien hij de rechtmatige gebruiker is van een gebouw van een toegelaten instelling, tenzij de vergoeding betrekking heeft op compensatie voor ongemak, bedoeld in bijlage 2, tabel 2.2, eerste rij, of op vergoeding voor eigen tijd, bedoeld in bijlage 2, tabel 2.2, elfde rij.

3.

Een rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, van een gebouw van een toegelaten instelling komt in aanmerking voor vergoeding van schade door het verlies van een voorziening die aard- en nagelvast verbonden is met dat gebouw of een bij dat gebouw behorende buitenruimte indien:

a. a. het een voorziening betreft die kan worden aangemerkt als:

        1°.
        een tuinhuis met fundering;
      
      
        2°.
        een schutting of pergola;
      
      
        3°.
        een serre of veranda;
      
      
        4°.
        een uitbouw;
      
      
        5°.
        sierbeplanting of sierbestrating;
      
      
        6°.
        een vijver;
      
      
        7°.
        een garage;
      
      
        8°.
        een uitbreiding of vervanging van een keuken of badkamer;
      
      
        9°.
        een aanvullende installatie; of
      
      
        10°.
        een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen 1°. tot en met 9°. die met toestemming van de verhuurder is aangebracht; en

1°. 1°. een tuinhuis met fundering; 2°. 2°. een schutting of pergola; 3°. 3°. een serre of veranda; 4°. 4°. een uitbouw; 5°. 5°. sierbeplanting of sierbestrating; 6°. 6°. een vijver; 7°. 7°. een garage; 8°. 8°. een uitbreiding of vervanging van een keuken of badkamer; 9°. 9°. een aanvullende installatie; of 10°. 10°. een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen 1°. tot en met 9°. die met toestemming van de verhuurder is aangebracht; en b. b. hij die voorziening zelf heeft aangebracht, of kan aantonen dat hij deze tegen een financiële vergoeding van de vorige rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, heeft overgenomen.

4. De schade die deels voortvloeit uit de voorbereiding of uitvoering van versterkingsmaatregelen maar ook deels uit andere oorzaken, komt in aanmerking voor vergoeding, tenzij de Minister hier anders over beslist.

5. Indien de eigenaar of rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, in meerdere hoedanigheden recht heeft op vergoeding van dezelfde schade wordt slechts eenmaal een vergoeding hiervoor verstrekt.

Artikel 7.2

1.

De vergoeding wordt vastgesteld op basis van:

a. a. de bedragen, genoemd of bedoeld in bijlage 2; b. b. de overgelegde offertes van derden of andere bewijsstukken, indien het activiteiten betreft waarvoor geen bedragen in bijlage 2 zijn opgenomen, voor zover die offertes of bewijsstukken zijn gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd; of c. c. het door de Minister gehanteerde rekenmodel.

2. Indien de vergoeding niet overeenkomstig het eerste lid kan worden vastgesteld, stelt de Minister een onafhankelijk adviseur als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan die een advies uitbrengt over de hoogte van de vergoeding.

3. De eigenaar of rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, wordt door de Minister in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het advies uit te brengen. Indien de eigenaar of rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, daarvan gebruik maakt, wordt de onafhankelijk adviseur verzocht te beoordelen of de zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van zijn advies en zijn advies in dat geval aan te passen.

4. De Minister stelt in het geval, bedoeld in het tweede lid, de vergoeding vast overeenkomstig het advies. Voor zover de Minister afwijkt van het advies, motiveert hij dat.

5. In gevallen waarin door de bijzondere omstandigheden van het geval de vergoeding te laag is en dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de Minister deze verhogen.

6. Bij het vaststellen van de vergoeding kan de Minister rekening houden met de fiscale schade en de negatieve effecten op toeslagen of uitkeringen die een direct gevolg zijn van het toekennen van de vergoeding.

Artikel 7.3

Indien de schade, bedoeld in artikel 7.1, niet kwantificeerbaar is op het tijdstip waarop het versterkingsbesluit genomen wordt, kan de Minister de hoogte van de vergoeding voor de schade opnemen in een apart besluit dat wordt genomen nadat het versterkingsbesluit is vastgesteld.

Artikel 7.4

De Minister kan de schadevergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien blijkt dat de vergoeding is verleend op grond van door de eigenaar of rechtmatige gebruiker, niet zijnde de eigenaar, verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.

Paragraaf 8. Verkorte termijn voor het nemen van een versterkingsbesluit

Artikel 8.1

Als gevallen als bedoeld in artikel 13j, derde lid, van de wet waarvoor de redelijke termijn voor het nemen van een versterkingsbesluit maximaal zes maanden bedraagt na de dagtekening van de beoordeling en waarvoor de verlenging van die termijn maximaal zes maanden bedraagt, worden aangewezen gevallen waarin uit de beoordeling, uitgevoerd op basis van een typologie, blijkt dat de soort maatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, ertoe leiden dat de uitvoering van de versterking naar verwachting ten hoogste vier maanden in beslag zal nemen.

Paragraaf 8a. Vergoeding bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel advies

Artikel 8a.1

1.

De eigenaar komt in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig advies indien tegen de adviseur geen ernstige bezwaren bestaan en de adviseur:

a. a. beschikt over grondige inhoudelijke kennis en ruime ervaring op het gebied van bouwprocessen, blijkens:

        1°.
        een afgeronde bouwkunde opleiding op minimaal MBO-niveau 4;
      
      
        2°.
        minimaal vijf jaar relevante werkervaring in de bouw; en
      
      
        3°.
        aantoonbare ervaring met financiële aspecten van bouwprojecten;

1°. 1°. een afgeronde bouwkunde opleiding op minimaal MBO-niveau 4; 2°. 2°. minimaal vijf jaar relevante werkervaring in de bouw; en 3°. 3°. aantoonbare ervaring met financiële aspecten van bouwprojecten; b. b. op de hoogte is van huidige eisen ten aanzien van vergunningen en relevante regelgeving; c. c. versterkingsadviezen kan vertalen in versterkingsmaatregelen, indien hij wordt ingeschakeld in het kader van het versterkingstraject; d. d. rapporten over schade en schadecalculaties kan beoordelen, indien hij wordt ingeschakeld in het kader van het schadetraject; en e. e. onafhankelijk is, inhoudende dat hij geen arbeidsrelatie heeft tot de exploitant, de aandeelhouders van de exploitant of de overheid en dat hij niet eerder betrokken is geweest bij het gebouw in het kader van het versterkingstraject door de Minister.

2.

De eigenaar komt in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, voor de kosten die hij maakt voor bodemkundig advies indien tegen de adviseur geen ernstige bezwaren bestaan en de adviseur:

a. a. beschikt over grondige inhoudelijke kennis en ruime ervaring in de gebouwde omgeving op het gebied van bodemonderzoek, blijkens:

        1°.
        een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op funderingstechnologie; en
      
      
        2°.
        minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin;

1°. 1°. een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op funderingstechnologie; en 2°. 2°. minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin; b. b. literatuuronderzoek kan verrichten naar geohydrologische omstandigheden; c. c. grondboringen kan laten uitvoeren en beoordelen; d. d. bodemmonsters kan laten afnemen en analyseren; e. e. gedetailleerde rapportages kan uitwerken en bevindingen kan formuleren; f. f. een bodemkundige opbouw kan beschrijven en over de risicos voor de gebouwde omgeving kan adviseren; g. g. toezicht kan houden op bouwprojecten bij grondverzet-, hei- en bronbemalingsactiviteiten; en h. h. onafhankelijk is, inhoudende dat hij geen arbeidsrelatie heeft tot de exploitant, de aandeelhouders van de exploitant of de overheid en dat hij niet eerder betrokken is geweest bij het gebouw in het kader van het versterkingstraject door de Minister.

3.

De eigenaar komt in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, voor de kosten die hij maakt voor ecologisch advies indien tegen de adviseur geen ernstige bezwaren bestaan en de adviseur:

a. a. beschikt over grondige inhoudelijke kennis en ruime ervaring in de gebouwde omgeving op het gebied van natuurbescherming, soortherkenning en het zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten, blijkens:

        1°.
        een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op ecologie of biologie;
      
      
        2°.
        minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin; en
      
      
        3°.
        binnen de kaders van het soortenmanagementplan, bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van de Omgevingsregeling, aantoonbare ecologische kennis en ervaring heeft in soort-specifieke ecologie;

1°. 1°. een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op ecologie of biologie; 2°. 2°. minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin; en 3°. 3°. binnen de kaders van het soortenmanagementplan, bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van de Omgevingsregeling, aantoonbare ecologische kennis en ervaring heeft in soort-specifieke ecologie; b. b. de potentie van gebouwen voor soorten kan herkennen; c. c. kennis heeft van algemeen erkende onderzoeksmethoden; d. d. gedetailleerde rapportages kan uitwerken en bevindingen kan formuleren; e. e. specifieke ecologische maatregelen, die gerelateerd zijn aan het schade- of versterkingstraject, kan begeleiden en controleren, en oplossingen kan bieden indien hierdoor knelpunten ontstaan; f. f. kan adviseren over het natuurvrij maken buiten de gestelde reguliere perioden of de impact van de voorgestelde ecologische maatregelen kan aanduiden; en g. g. onafhankelijk is, inhoudende dat hij geen arbeidsrelatie heeft tot de exploitant, de aandeelhouders van de exploitant of de overheid en dat hij niet eerder betrokken is geweest bij het gebouw in het kader van het versterkingstraject door de Minister.

4.

De eigenaar komt in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, voor de kosten die hij maakt voor hydrologisch advies indien tegen de adviseur geen ernstige bezwaren bestaan en de adviseur:

a. a. beschikt over grondige inhoudelijke kennis en ruime ervaring in de gebouwde omgeving op het gebied van grondwaterpeil en grondwateronttrekkingen, blijkens:

        1°.
        een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op geohydrologie; en
      
      
        2°.
        minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin;

1°. 1°. een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau met het accent op geohydrologie; en 2°. 2°. minimaal vijf jaar relevante werkervaring daarin; b. b. bureau- of effectenstudies kan uitvoeren op basis van beschikbare grondwatermodellen en grondwaterpeilingen; c. c. grondwaterpeilingen kan laten uitvoeren; d. d. gedetailleerde rapportages kan uitwerken en bevindingen kan formuleren; en e. e. onafhankelijk is, inhoudende dat hij geen arbeidsrelatie heeft tot de exploitant, de aandeelhouders van de exploitant of de overheid en dat hij niet eerder betrokken is geweest bij het gebouw in het kader van het versterkingstraject door de Minister.

5.

De eigenaar komt in aanmerking voor een vergoeding als bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, voor de kosten die hij maakt voor financieel advies indien tegen de adviseur geen ernstige bezwaren bestaan en de adviseur:

a. a. beschikt over grondige inhoudelijke kennis en ruime ervaring op het gebied van persoonlijke financiën, blijkens:

        1°.
        een afgeronde financiële opleiding op minimaal hbo-niveau; en
      
      
        2°.
        minimaal vijf jaar relevante werkervaring in de financiële sector of de financiële adviessector.; en

1°. 1°. een afgeronde financiële opleiding op minimaal hbo-niveau; en 2°. 2°. minimaal vijf jaar relevante werkervaring in de financiële sector of de financiële adviessector.; en b. b. onafhankelijk is, inhoudende dat hij geen arbeidsrelatie heeft tot de exploitant, de aandeelhouders van de exploitant of de overheid en dat hij niet eerder betrokken is geweest bij het gebouw in het kader van het versterkingstraject door de Minister.

Artikel 8a.2

Bij het indienen van een aanvraag voor de vergoeding, bedoeld in artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet, bij het Instituut respectievelijk de Minister, overlegt de eigenaar de naam en contactgegevens van de bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel adviseur waarvan de eigenaar gebruik wenst te maken.

Artikel 8a.3

1. Het Instituut of de Minister verstrekt de vergoeding aan de eigenaar in de vorm van een aanspraak ter hoogte van € 2.740, berekend op basis van 20 arbeidsuren tegen een uurtarief van € 137 per uur.

2. Het Instituut of de Minister neemt een besluit over de aanspraak op vergoeding binnen vier weken na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 8a.4

1. Indien het aantal arbeidsuren, genoemd in artikel 8a.3, eerste lid, ontoereikend blijkt door de complexiteit van het te leveren bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel advies, kan de eigenaar een aanvraag tot vergoeding van aanvullende arbeidsuren doen.

2. Bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, overlegt de eigenaar een raming en onderbouwing van de verwachte aanvullende benodigde arbeidsuren voor het bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel advies aan de Minister of het Instituut.

3. Het Instituut of de Minister neemt een besluit over het verhogen van de aanspraak op vergoeding binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 8a.5

1. Het Instituut of de Minister betaalt de vergoeding aan degene die de kosten voor het leveren van bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel advies bij de eigenaar in rekening brengt, op basis van een gespecificeerde factuur. De vergoeding bedraagt niet meer dan de hoogte van de aanspraak, bedoeld in artikel 8a.3, eventueel verhoogd op grond van artikel 8a.4.

2. De factuur, op basis waarvan de vergoeding betaald wordt, is voorzien van een handtekening van de eigenaar. De eigenaar verklaart hiermee akkoord te zijn met de arbeidsuren die de adviseur heeft gefactureerd.

3. De vergoeding wordt betaald binnen 30 dagen na het overleggen van de ondertekende factuur.

Artikel 8a.6

Vervallen

Artikel 8a.7

1. De artikelen 8a.1, tweede lid, 8a.2, 8a.3, 8a.4 en 8a.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtmatige gebruiker van een gebouw niet zijnde de eigenaar voor de kosten die hij maakt voor financieel advies, met dien verstande dat waar in de genoemde artikelen wordt gesproken over eigenaar dit gelezen moet worden als rechtmatige gebruiker van een gebouw niet zijnde de eigenaar en waar wordt gesproken over artikel 13n, vierde of vijfde lid, van de wet dit gelezen moet worden als artikel 13m, eerste lid, van de wet.

2. Artikel 7.1, tweede lid, is niet van toepassing op het eerste lid.

Paragraaf 9. Herbeoordeling

Artikel 9.1

Vervallen

Artikel 9.2

1. Indien uit een beoordeling die heeft plaatsgevonden volgens de NPR 9998:2018 tijdvak 2 of een eerdere versie van de NPR 9998 blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, stelt de Minister op verzoek van de eigenaar vast of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet overeenkomstig artikel 10f, eerste lid, van het Besluit, tenzij voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen al een versterkingsbesluit is genomen, of een aannemingsovereenkomst of depotovereenkomst is gesloten.

2. Indien een gebouw is gesplitst in appartementsrechten en de versterkingsmaatregelen uit het versterkingsadvies ook zien op de gemeenschappelijke delen, wordt het verzoek gedaan door de vereniging van eigenaars.

3. Indien het gebouw constructief is verbonden met andere gebouwen, overlegt de Minister met de eigenaren van alle constructief verbonden gebouwen of de herbeoordeling wordt uitgevoerd voor al deze gebouwen. Indien hiervoor steun ontbreekt, kan de Minister beslissen of deze herbeoordeling desondanks plaatsvindt.

4. Het verzoek wordt ingediend bij de Minister met gebruikmaking van een door de Minister vastgesteld formulier.

5. Het verzoek kan worden gedaan tot en met het tijdstip dat vermeld is in de brief waarmee het formulier aan de eigenaar wordt verstrekt. Dat tijdstip is ten minste zes maanden na dagtekening van die brief.

Artikel 9.3

1.

De vergoeding, bedoeld in artikel 22b, zesde lid, van de wet bedraagt:

a. a. bij een gebouw dat niet gesplitst is in appartementsrechten: € 13.000 per adres; en b. b. bij een gebouw dat is gesplitst in appartementsrechten: € 13.000 per adres dat op 6 november 2020 bestond.

2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt uitgekeerd aan de eigenaar.

3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt uitgekeerd aan de houder van de appartementsrechten van dat adres.

Paragraaf 10. Beoordeling veiligheid en bepalen maatregelen versterking

Artikel 10.1

De opname op locatie van een mogelijk aan een typologie toe te delen gebouw vindt plaats aan de hand van de in bijlage 3 opgenomen checklist.

Artikel 10.2

Als typologieën worden de in bijlage 4 opgenomen typologieën vastgesteld.

Artikel 10.3

Een gebouw wordt niet toegedeeld aan een typologie als bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a of b, van het Besluit, indien:

a. a. de bouwkundige staat van het gebouw zodanig is dat deze de constructieve samenhang negatief beïnvloedt; b. b. het gebouw een hellend dakvlak heeft en het dakvlak onvoldoende in staat is de seismische krachten over te dragen naar de stabiliteitselementen van de constructie; c. c. een aan- of opbouw aan het gebouw is aangebracht die niet als ondergeschikt kan worden beschouwd; d. d. een wijziging aan de draagconstructie van het gebouw is aangebracht ten opzichte van de oorspronkelijke draagconstructie die een significant effect kan hebben op het seismisch gedrag van het gebouw; e. e. het gebouw weliswaar niet constructief is verbonden met een ander gebouw maar de onderlinge afstand tussen de gebouwen zo klein is dat bij een seismische belasting het gedrag van het ene gebouw het gedrag van het andere gebouw kan beïnvloeden, waarbij een ondergeschikte aanbouw van een gebouw buiten beschouwing blijft; f. f. ten minste vijf vierkante meter van de oppervlakte van de vloer van de tweede bouwlaag of in het geval van Metselwerk-D ten minste vijf vierkante meter van de oppervlakte van de vloer van de tweede of hogere bouwlagen ontbreekt ten behoeve van een vide; g. g. sprake is van verschillende vloerniveaus van de tweede bouwlaag of in het geval van Metselwerk-D de tweede of hogere bouwlagen, waarbij het niveauverschil meer dan twintig centimeter bedraagt en geen van de vloerniveaus ten minste 90 procent van het vloeroppervlak van de beschouwde bouwlaag bedraagt.

Artikel 10.4

De beoordeling van een aan een typologie toegedeeld gebouw aan de hand van de typologie, de ontwerpdatum, locatie en afmetingen van het gebouw en de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, vindt plaats met de in bijlage 5 opgenomen vlekkentabel die bij die typologie hoort, met inachtneming van de in bijlage 7 opgenomen voorwaarden.

Artikel 10.5

De beoordeling van een aan een typologie toegedeeld gebouw aan de hand van de typologie en de locatie, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, vindt plaats met de in bijlage 6 opgenomen vlekkenkaart die bij die typologie hoort.

Artikel 10.6

De individuele beoordeling van een gebouw volgens de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit, vindt plaats met inachtneming van de in bijlage 7 opgenomen voorwaarden.

Artikel 10.7

1. De bepaling welke soort maatregelen nodig is volgens de NPR 9998 voor een aan een typologie toegedeeld gebouw waarvoor aan de hand van de typologie, de ontwerpdatum, locatie en afmetingen van het gebouw en de NPR 9998 is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats met de in bijlage 5 opgenomen vlekkentabel die bij die typologie hoort met inachtneming van de in bijlage 8 opgenomen voorwaarden.

2. De bepaling welke soort maatregelen nodig is volgens de NPR 9998 aan de hand van de typologie en de locatie voor een aan een typologie toebedeeld gebouw waarvan aan de hand van de typologie en de locatie is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats met de in bijlage 6 opgenomen vlekkenkaart die bij die typologie hoort met inachtneming van de in bijlage 8 opgenomen voorwaarden.

3. De bepaling welke soort maatregelen nodig is volgens de NPR 9998 voor een voor een individueel beoordeeld gebouw dat niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats met inachtneming van de in bijlage 8 opgenomen voorwaarden.

Artikel 10.8

Als de te hanteren versie van de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, aanhef, van het Besluit, wordt de NPR 9998:2020 aangewezen.

Paragraaf 11. Hoogte financiële middelen duurzaam herstel en oplossen knelpunten

Artikel 11.1

De hoogte van de financiële middelen voor de uitgaven van het Instituut inzake tegemoetkomingen in het kader van duurzaam herstel als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de wet is het bedrag opgenomen voor Duurzaam herstel in de tabel behorende bij de artikelsgewijze toelichting op beleidsartikel 5 in onderdeel B van de memorie van toelichting van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het desbetreffende jaar.

Artikel 11.2

1. De hoogte van de financiële middelen voor de uitgaven van het Instituut voor het oplossen van knelpunten als gevolg van schade, niet zijnde bijzondere situaties of vastgelopen situaties, die ontstaan door het kader, bedoeld in artikel 2, zesde lid van de wet, is het bedrag opgenomen voor de knelpunten IMG in de tabel behorende bij de artikelsgewijze toelichting op beleidsartikel 5 in onderdeel B van de memorie van toelichting van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het desbetreffende jaar.

2. De hoogte van de financiële middelen voor de uitgaven van het Instituut voor het oplossen van knelpunten als gevolg van schade is voor zover het bijzondere situaties betreft het bedrag opgenomen voor de Commissie bijzondere situaties in de tabel behorende bij de artikelsgewijze toelichting op beleidsartikel 5 in onderdeel B van de memorie van toelichting van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het desbetreffende jaar.

3. De hoogte van de financiële middelen voor de uitgaven van het Instituut en de Minister voor het oplossen van knelpunten als gevolg van schade is voor zover het vastgelopen situaties betreft het bedrag opgenomen voor vastgelopen dossiers in de tabel behorende bij de artikelsgewijze toelichting op beleidsartikel 5 in onderdeel B van de memorie van toelichting van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het desbetreffende jaar.

Paragraaf 12. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 12.1

1. Op een aanvraag voor een subsidie op grond van de Subsidieregeling versterking gebouwen Groningen die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het recht van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip.

2. Indien op het moment van de inwerkingtreding van deze regeling een versterkingsbesluit genomen is op basis van Besluit versterking gebouwen Groningen maar nog geen aanvraag voor een subsidie op grond van de Subsidieregeling versterking gebouwen Groningen is ingediend, neemt de Minister een besluit over de aanspraak op versterking en vergoeding van schade ten gevolge van de versterking op basis van deze regeling.

3. Op een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming zelf aangebrachte voorzieningen huurders Groningen die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het recht van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip.

4. Op een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming huurders, woningcorporaties en particuliere verhuurders aardbevingsgebied Groningen die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het recht van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip.

Artikel 12.2

Indien een subsidie, vergoeding of tegemoetkoming is verstrekt op basis van een in artikel 12.4 genoemde ministeriële regeling of beleidsregel of op basis van een overeenkomst die is gesloten voor 1 juli 2023, wordt voor dezelfde activiteit geen vergoeding verstrekt op basis van deze regeling.

Artikel 12.3

Met de beroepseisen ter zake van een opdrachtnemer die de beoordeling, het ontwerp van maatregelen of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen als bedoeld in deze regeling uitvoert worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 12.3a

Met de beroepseisen ter zake van het leveren van bouwkundig, bodemkundig, ecologisch, hydrologisch of financieel advies, genoemd in deze regeling, worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 12.3b

Op aanvragen die zijn ingediend, op subsidies die zijn verleend en op subsidies die zijn vastgesteld op grond van de Subsidieregeling versterking gebouwen Groningen blijft die regeling van toepassing.

Artikel 12.4

De volgende ministeriële regeling en beleidsregels worden ingetrokken:

a. a. de Subsidieregeling versterking gebouwen Groningen; b. b. het Besluit versterking gebouwen Groningen; c. c. de Beleidsregel tegemoetkoming zelf aangebrachte voorzieningen huurders Groningen; d. d. de Beleidsregel tegemoetkoming huurders, woningcorporaties en particuliere verhuurders aardbevingsgebied Groningen.

Artikel 12.5

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2023.

Artikel 12.6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet Groningen.

Bijlage 1. Modelbepalingen beoordelingsfase, ontwerpfase en uitvoeringsfase, behorende bij de

Bijlage 2. Standaardbedragen vergoeding uitvoering beoordelingsfase in eigen beheer en vergoeding schade, behorende bij de

^1 MRS: Modale-responsspectrumberekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

^2 NLPO: Niet-lineaire push-over-berekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

^3 NLTH: Niet-lineair(e) tijdsdomein(berekening als bedoeld in de NPR 9998:2020

Bijlage 3. Checklist voor opname van een mogelijk aan een typologie toe te delen gebouw, behorende bij

Onderstaande checklist is de basis voor de opname van een gebouw dat mogelijk onder een typologie valt. De checklist bestaat uit zes onderdelen. Tabel 3.1 betreft aspecten die in de opname altijd aan bod moeten komen, voor alle gebouwen die naar verwachting aan een typologie kunnen worden toegedeeld. Tabel 3.2 ziet op aspecten in de opname van gebouwen die naar verwachting in de typologie STAAL-A vallen. Tabel 3.3 gaat over aspecten in de opname van gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie. De tabellen 3.4 en 3.5 zien op het vaststellen van scheurvorming voor gebouwen met metselwerk als materiaal van de constructie. Tot slot ziet tabel 3.6 op de onderdelen die mogelijk een uitsluitingsgrond kunnen vormen zodat het gebouw niet aan de betreffende typologie kan worden toegedeeld.

^1 De kolom Opmerkingen is met name bedoeld voor die gevallen waarbij anders of onbekend is geconstateerd

Bijlage 4. Vaststelling typologieën, behorende bij

Bijlage 5. Vlekkentabellen, behorende bij

Deze bijlage ziet op de beoordeling of wordt voldaan aan de veiligheidsnorm voor een aan een typologie toegedeeld gebouw aan de hand van de typologie, de ontwerpdatum, locatie en afmetingen van het gebouw, de toegepaste ontwerpnorm  indien bekend  en de NPR 9998, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. Deze bijlage bevat daartoe vlekkentabellen (onderdeel 5b van deze bijlage) en een toelichting daarop in de vorm van een aantal te doorlopen stappen (onderdeel 5a van deze bijlage).

Bijlage 6. Vlekkenkaarten, behorende bij de

Bijlage 7. Voorwaarden voor individuele beoordeling van een gebouw volgens de NPR 9998, behorende bij

De individuele beoordeling (inclusief de opname op locatie, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, van het besluit) van een gebouw volgens de NPR 9998 vindt plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden:

Bijlage 8. Voorwaarden bepaling maatregelen, behorende bij

De bepaling welke soort maatregelen nodig is, bedoeld in artikel 10.7, vindt plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden: