40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen | BWBR0009295 | ministeriele-regeling | geldend | 1998-04-09 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009295 | Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen |
Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen
Hoofdstuk 1. Toelatingseisen verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. Eisen aanhangwagens achter fietsen
Artikel 2
Indien het achterlicht als bedoeld in artikel 3.8.1, onder a, en de niet-driehoekige retroreflector als bedoeld in artikel 3.8.1, onder b, van het Voertuigreglement samen één inrichting vormen, moet deze inrichting als geheel zowel aan de eisen gesteld in de artikelen 3 tot en met 9 als aan de eisen gesteld in de artikelen 10 tot en met 17 voldoen.
Artikel 3
1. Achterlichten moeten zodanig zijn samengesteld, dat bij normaal gebruik een goede werking verzekerd is en blijft. Zij mogen ten aanzien van de constructie of de uitvoering geen ernstige gebreken vertonen.
2.
Achterlichten moeten zodanig zijn ingericht, dat zij aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek kunnen worden bevestigd, zodanig dat de optische as van het retroreflecterend gedeelte horizontaal en evenwijdig aan het vlak van het achterwiel is gericht.
De beoordeling geschiedt door proefmontage.
3. Het achterlicht mag zijn voorzien van een schakeling die ervoor zorgt dat tijdens stilstand licht wordt uitgestraald, mits de lichtsterkte van het uitgezonden licht geen fluctuaties vertoont.
Artikel 4
1.
Achterlichten met verwisselbare lichtbron moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. a. daarin één van de gloeilampen volgens figuur 1, voorzien van één van de lampvoeten volgens figuur 2, deugdelijk kan worden bevestigd; b. b. de gloeilamp zonder gebruik van gereedschap op gemakkelijke wijze in de lamphouder kan worden aangebracht: indien daartoe enig deel van het achterlicht moet worden uitgenomen, of moet worden gedemonteerd, moet dit deel, na weer te zijn aangebracht, niet kunnen uitvallen of lostrillen; c. c. wanneer het achterlicht wordt onderworpen aan trillingen of schokken, de gloeilamp gefixeerd blijft en blijft werken.
2.
De beoordeling van het bepaalde in het eerste lid geschiedt door meting met de kalibers volgens:
a. a. figuur 3, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A zover in de lamphouder kan worden ingeschroefd dat het in verbinding komt met de contacten van de lamphouder en het achterlicht daarna op normale wijze kan worden gemonteerd, en indien kaliber B niet in de lamphouder past, of b. b. figuur 4, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd, en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder, waarna het achterlicht op normale wijze gemonteerd kan worden, en indien kaliber B deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder.
3. Achterlichten met niet-verwisselbare lichtbron moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het reflectorsysteem, het lenssysteem en het gedeelte dat de lichtbron omvat, deel uitmaken van een onafscheidelijk geheel dat bij de vervaardiging hermetisch gesloten is en dat niet uit elkaar genomen kan worden.
Artikel 5
Achterlichten moeten worden onderworpen aan beproevingen overeenkomstig de Internationale Standaard ISO 6742-1-1987, voor wat betreft de weerstand tegen:
a. a. trillingen, b. b. warmte, c. c. water, d. d. corrosie, en e. e. brandbare vloeistoffen.
Artikel 6
Ten aanzien van de elektrische karakteristieken van achterlichten met niet-verwisselbare lichtbron moet aan de volgende eisen worden voldaan:
a. a. de nominale spanning, zijnde 6 volt, moet duurzaam en goed leesbaar op het achterlicht zijn aangebracht; b. b. het afgenomen vermogen van het achterlicht mag bij 6 volt effectief niet meer dan 0,6 Watt met een tolerantie van 10% bedragen.
Artikel 7
1. De lichtsterkte van het achterlicht, uitgedrukt in candela, moet worden gemeten overeenkomstig het gestelde daaromtrent in paragraaf 6.1.1.1. van ISO 6742-1-1987, waarbij de waarden van de achterwaartse lichtuitstraling ten minste moeten overeenkomen met de waarden behorende bij de desbetreffende hoeken, zoals aangegeven in tabel 5.
2. In geval van achterlichten met verwisselbare lichtbron moeten de in het eerste lid bedoelde metingen worden uitgevoerd met kleurloze standaardlampen van de voor het achterlicht voorgeschreven typen, die zodanig zijn ingesteld dat zij de normale lichtstroom van 2,0 lumen uitstralen die voor deze lamptypen is voorgeschreven.
3. In geval van achterlichten met een niet-verwisselbare lichtbron moeten de metingen worden uitgevoerd bij het achterlicht op een testspanning van 6 volt effectief.
Artikel 8
1. De kleur van het uitstralende licht van het achterlicht moet rood zijn en de gemeten kleurcoördinaten moeten liggen binnen de grenzen van de chromatische coördinaten (CIE-publikatie 15.2 van 1986) die in tabel 6 zijn weergegeven.
2. De kleur van achterlichten met verwisselbare lichtbron wordt gemeten, met gebruikmaking van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2856°K, overeenkomend met lichtbron A.
3. De kleur van achterlichten met een niet-verwisselbare lichtbron wordt gemeten aan de hand van het door het achterlicht uitgezonden licht bij een testspanning van 6 volt effectief.
Artikel 9
Op het achterlicht moet:
a. a. het fabrieks- of handelsmerk en de typeaanduiding duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht; b. b. een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.
Paragraaf 3. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens
Paragraaf 3.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens
Artikel 10
1. Het retroreflecterend oppervlak van de retroreflector mag niet meer dan 7000 mm
2. Het oppervlak moet eenvoudig van vorm zijn en tevens zodanige afmetingen hebben dat het, inclusief montuur, onder te brengen is binnen een vierkant van 140 mm bij 140 mm.
Artikel 11
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 7 gestelde eisen.
Artikel 12
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, ten minste nog aan de in de tabel 8 gestelde eis voldoen.
Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, mag:
a. a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.
Artikel 14
1. Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, wordt de kleur vastgesteld op de wijze zoals omschreven in onderdeel G van bijlage 1.
2.
De kleur van het retroreflecterende licht moet rood zijn en de gemeten kleurcoördinaten moeten zijn gelegen binnen het gebied dat wordt bepaald door de onderstaande trichromatische coördinaten (CIE-publikatie 15.2. van 1986):
a. a. grens naar geel Y ó 0,335; b. b. grens naar purper Z ó 0,008.
Artikel 15
1. De retroreflector moet deugdelijk kunnen worden bevestigd.
2. De voor een fiets bestemde retroreflector moet op tweewielige fietsen gemonteerd kunnen worden in de ruimte tussen bagagedrager en achterspatbord.
3. De bevestiging moet zodanig zijn uitgevoerd dat de ingestelde stand niet wijzigt als gevolg van bewegingen van het voertuig.
4. De bevestiging van de retroreflector mag, nadat een beproeving volgens onderdeel H van bijlage 1 is uitgevoerd, geen zichtbare corrosie vertonen.
Artikel 16
1. Nadat de beproeving zoals vermeld in onderdeel H van bijlage 1 is uitgevoerd, wordt de sterkte beproefd volgens onderdeel I van bijlage 1.
2. De hechting van het retroreflecterend materiaal moet zodanig zijn dat dit materiaal zonder gebruikmaking van gereedschap en zonder beschadiging niet kan worden verwijderd van de ondergrond.
Artikel 17
Op de retroreflector moet:
a. a. het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht; b. b. een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.
Paragraaf 3.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen
Artikel 18
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van re-troreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr. 88.
Artikel 19
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 27 gestelde eisen.
Artikel 20
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
a. a. de breedte van de retroreflecterende cirkel mag niet meer dan 15 mm bedragen; b. b. het verschil tussen de grootste en de kleinste breedte van de retroreflec-terende cirkel mag niet meer bedragen dan 20% van de gemiddelde breedte; c. c. de retroreflecterende cirkel mag op niet meer dan 4 plaatsen onderbroken zijn: deze onderbrekingen mogen niet groter zijn dan 15 mm; indien dit in verband met de constructie noodzakelijk is, mag een van de onderbrekingen worden vergroot tot 50 mm; d. d. de binnendiameter van de retroreflecterende cirkel mag niet kleiner zijn dan de nominale velgdiameter verminderd met 150 mm.
Artikel 21
1. De lichtsterktecoëfficiënt van de re-troreflector, te meten volgens de methode zoals omschreven in CIE-publikatie nr. 54 (TC 2-3) 1982, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 9 gestelde eisen.
2. De referentie-as voor de meting mag evenwijdig aan de as van het wiel worden verplaatst.
3. De verhouding tussen de hoogste en de laagste lichtsterkte-coëfficiënt, gemeten over bogen van 30° bij een waarnemingshoek van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 3:1.
4. De verhouding tussen de gemiddelde lichtsterktecoëfficiënten, gemeten over verschillende bogen van 30° bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 10:1.
5. De gemiddelde lichtsterktecoëfficiënt wordt bepaald door het wiel achter een opening met een boog van 30° zodanig te laten draaien dat een constante waarde wordt verkregen.
D = binnendiameter retroreflecterend gedeelte in cm.
Indien binnendiameter kleiner is dan 42 cm, wordt aangehouden: D = 42.
Artikel 22
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 21.
Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag:
a. a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.
Artikel 24
1. Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van bijlage 2 heeft ondergaan, wordt de kleur vastgesteld op de wijze zoals omschreven in CIE-publikatie 15.2 van 1986, waarbij de retroreflector wordt aangestraald door een standaardlichtbron A.
2. De kleur van het retroreflecterende licht moet wit of geel zijn en de gemeten kleurcoördinaten moeten zijn gelegen binnen het gebied dat wordt bepaald door de in tabel 10 opgenomen trichromatische coördinaten.
Artikel 25
1. De retroreflector moet deugdelijk aan het wiel kunnen worden bevestigd.
2. De bevestiging moet zodanig zijn uitgevoerd dat de ingestelde stand zal blijven gehandhaafd.
3.
De bevestiging van de retroreflector mag nadat, een beproeving volgens onderdeel G van bijlage 2, is uitgevoerd geen zichtbare
corrosie vertonen.
Artikel 26
1. Nadat de beproeving volgens onderdeel G van bijlage 2 is uitgevoerd wordt de sterkte van de retroreflector beproefd aan de hand van onderdeel H van bijlage 2.
2. De hechting van het retroreflecterend materiaal moet zodanig zijn dat dit materiaal zonder gebruikmaking van gereedschap en zonder beschadiging niet kan worden verwijderd van de ondergrond.
Artikel 27
Op de retroreflector moet:
a. a. het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht; b. b. een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.
Paragraaf 3.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Artikel 28
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in Richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I.
Artikel 29
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 30 tot en met 32 gestelde eisen.
Artikel 30
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 11 gestelde eisen voldoen.
Artikel 31
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 3, ten minste nog aan de in tabel 12 gestelde eis voldoen.
Artikel 32
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, mag:
a. a. de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen; b. b. in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.
Paragraaf 4. Eisen rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens
Artikel 33
De afgeknotte driehoek moet voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr. 69.
Hoofdstuk 2. Mechanische koppelinrichtingen
Artikel 34
Op mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een driewielig motorrijtuig zijn de eisen van richtlijn 94/20/EG van overeenkomstige toepassing
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 35
Met de in dit besluit vastgestelde technische normen of technische eisen dan wel geëiste onderzoeken worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, respectievelijk daaraan gelijkwaardige onderzoeken, vastgesteld, respectievelijk geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 36
De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1994, nr. R 186408, houdende toelatingseisen voor voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers (Stcrt. 229), wordt ingetrokken.
Artikel 37
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 38
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen.