40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen | BWBR0009549 | ministeriele-regeling | geldend | 1998-04-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009549 | Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen |
Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op:
a. a. installaties waar gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand die van buiten de inrichting afkomstig zijn, al dan niet in combinatie met gevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan, en waarvan de op enig moment vrijkomende warmte door de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen in de installatie gelijk is aan, dan wel meer dan 40% bedraagt van de totale warmte die op dat tijdstip vrijkomt; b. b. installaties waar gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand die van buiten de inrichting afkomstig zijn, al dan niet in combinatie met gevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan, en waarvan de op enig moment vrijkomende warmte door de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen in de installatie niet meer dan 40% bedraagt van de totale warmte die op dat tijdstip vrijkomt; c. c. installaties waar gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand die uitsluitend binnen de inrichting zijn ontstaan, en waarvan de op enig moment vrijkomende warmte door de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen in de installatie gelijk is aan, dan wel meer dan 40% bedraagt van de totale warmte die op dat tijdstip vrijkomt; d. d. installaties waar gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand die uitsluitend binnen de inrichting zijn ontstaan, en waarvan de op enig moment vrijkomende warmte door de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen in de installatie niet meer bedraagt dan 40% van de totale warmte die op dat tijdstip vrijkomt.
Artikel 3
1.
Deze regeling is niet van toepassing op installaties:
a. a. voor het uitsluitend verbranden van kadavers of dierlijke resten; b. b. voor het uitsluitend verbranden van infectieus ziekenhuisafval.
2.
De regeling is voorts niet van toepassing op:
a. a. het verbranden van brandbare vloeibare afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie, voor zover:
1º
het vloeipunt beneden 30° C ligt,
2º
de calorische waarde meer dan 30 MJ/kg bedraagt,
3º
de concentratie aan extraheerbare organische halogeenverbindingen en polychloorbifenylen de samenstellingsgrens uit het Besluit organisch halogeengehalte brandstoffen niet overschrijdt,
4º
deze uitsluitend op grond van het gehalte aan alifatische en naftenische koolwaterstoffen, polycyclische aromaten of (alk(en)yl)benzenen worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstof,
5º
het zwavelgehalte gelijk is aan dat van gasolie zoals bepaald in het Besluit zwavelgehalte brandstoffen,
6º
het asgehalte lager is dan 0,01 gewichtsprocent;
1º 1º het vloeipunt beneden 30° C ligt, 2º 2º de calorische waarde meer dan 30 MJ/kg bedraagt, 3º 3º de concentratie aan extraheerbare organische halogeenverbindingen en polychloorbifenylen de samenstellingsgrens uit het Besluit organisch halogeengehalte brandstoffen niet overschrijdt, 4º 4º deze uitsluitend op grond van het gehalte aan alifatische en naftenische koolwaterstoffen, polycyclische aromaten of (alk(en)yl)benzenen worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstof, 5º 5º het zwavelgehalte gelijk is aan dat van gasolie zoals bepaald in het Besluit zwavelgehalte brandstoffen, 6º 6º het asgehalte lager is dan 0,01 gewichtsprocent; b. b. het verbranden van klein chemisch afval, voor zover dat afkomstig is van huishoudens; c. c. het verbranden van gasvormige gevaarlijke afvalstoffen;
3. Deze regeling is niet van toepassing, indien degene die de inrichting drijft, voor 1 september 1998 het bevoegd gezag heeft medegedeeld dat de inrichting binnen vier jaar vanaf het tijdstip van die mededeling buiten bedrijf zal worden gesteld en dat zij gedurende die periode niet langer in werking zal zijn dan 16.000 uur.
Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien van inrichtingen
Artikel 4
1. Degene die een inrichting drijft, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder a, voldoet aan de voor die installatie geldende voorschriften die zijn opgenomen in bijlagen I en III.
2. Degene die een inrichting drijft, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder b, voldoet aan de voor die installatie geldende voorschriften die zijn opgenomen in bijlagen II en III.
3. Degene die een inrichting drijft, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder c, voldoet aan de voor die installatie geldende voorschriften die zijn opgenomen in bijlagen I en III, met uitzondering van onderdeel 1 van bijlage I.
4. Degene die een inrichting drijft, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder d, voldoet aan de voor die installatie geldende voorschriften die zijn opgenomen in bijlagen II en III, met uitzondering van onderdeel 1 van bijlage II.
Hoofdstuk 3. De aanvraag
Artikel 5
In een aanvraag om een vergunning voor het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of voor het in werking hebben van een inrichting waarbinnen zich een installatie bevindt, als bedoeld in artikel 2, vermeldt de aanvrager:
a. a. de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlagen I of II en die van toepassing zijn op die inrichting, en b. b. de meetmethode die wordt gehanteerd om aan de voorschriften voor afzonderlijke metingen die zijn opgenomen in bijlage III, te voldoen.
Hoofdstuk 4. Voorschriften op te nemen in de vergunning
Artikel 6
1.
Het bevoegd gezag geeft in de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder a, b, c, of d, aan:
a. a. de aard, de samenstelling en de hoeveelheid van de gevaarlijke afvalstoffen die als toevoeging in de installatie mogen worden verbrand; b. b. de totale capaciteit van de installatie.
2.
Het bevoegd gezag geeft in de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder b, of d, aan:
a. a. de minimale en de maximale hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen die als toevoeging in de installatie mogen worden verbrand; b. b. de laagste en de hoogste calorische waarde van de gevaarlijke afvalstoffen die als toevoeging in de installatie mogen worden verbrand; c. c. de maximale concentratiewaarde van verontreinigende stoffen in de gevaarlijke afvalstoffen die als toevoeging in de installatie mogen worden verbrand.
Artikel 7
Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder a en c, voorschriften, inhoudende dat:
a. a. terreinen, installaties en gebouwen, waar opslag, overslag, transport of verwerking van gevaarlijke afvalstoffen en reststoffen plaatsvindt, een bodembeschermende constructie hebben, die zodanig is ontworpen en uitgevoerd dat verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage III van het Lozingenbesluit bodembescherming, niet in de bodem binnendringen ten gevolge van het in werking hebben van de inrichting; b. b. de goede werking van een bodembeschermende constructie door middel van een monitor-systeem wordt bewaakt; c. c. de kwaliteit van de bodem ter plaatse, voorafgaand aan de onder a genoemde handelingen en onmiddellijk na het definitief staken daarvan, wordt vastgelegd door middel van een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd overeenkomstig het protocol bodemonderzoek milieuvergunning en BSB (SDU 1993), dan wel in een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen ander protocol of norm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot dat onderwerp; d. d. verspreiding van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen, wordt voorkomen.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Het bevoegd gezag kan in de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, nadere eisen stellen met betrekking tot voorschriften die in bijlagen I, II en III zijn opgenomen, voor zover dit uitdrukkelijk in deze bijlagen is vermeld.
Artikel 10
1. Het bevoegd gezag kan bij zijn beslissing omtrent een vergunning afwijken van voorschriften in de bijlagen I, II en III, voor zover dit uitdrukkelijk in deze bijlagen is vermeld.
2. Het bevoegd gezag meldt de in het eerste lid bedoelde afwijkingen aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 11
1. Voor zover het inrichtingen betreft waarvoor op de in artikel 12, eerste lid, bedoelde datum of eerder een vergunning is verleend, verbindt het bevoegd gezag de voorschriften die ingevolge dit besluit aan een vergunning dienen te worden verbonden, uiterlijk met ingang van 1 juli 2000 aan de vergunning.
2. Voor zover het inrichtingen betreft waarvoor op de in artikel 12, eerste lid, bedoelde datum of eerder een vergunning voor het lozen van afvalwater is verleend, verbindt het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalwater de voorschriften die ingevolge dit besluit aan een vergunning dienen te worden verbonden, uiterlijk met ingang van 1 juli 2000 aan de vergunning voor het lozen van afvalwater.
Artikel 12
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2.
Voor inrichtingen waarvoor op de in het vorige lid bedoelde datum of eerder een vergunning is verleend, treedt deze regeling, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, in werking met ingang van 1 juli 2000.
Voor inrichtingen waarvoor op de in het eerste lid bedoelde datum of eerder een vergunning voor het lozen van afvalwater is verleend, treedt deze regeling, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, in werking met ingang van 1 juli 2000.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen.