rijk/ministeriele-regeling/regeling-vergunningverlening-windenergie-op-zee-kavels-i-en-ii-hollandse-kust-zu/BWBR0040074
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid) BWBR0040074 ministeriele-regeling geldend 2017-11-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0040074 Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid)

Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid)

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • kavel I: kavel I van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Stcrt. 2016, 67082);
  • kavel II: kavel II van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in Kavelbesluit II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Stcrt. 2016, 67120);
  • minister: Minister van Economische Zaken;
  • P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie: de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
  • wet: Wet windenergie op zee.

Artikel 2

1. De aanvraag voor een vergunning voor kavel I of kavel II wordt ingediend in de periode tussen 15 december 2017 en 21 december 2017, 17:00 uur.

2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 3

1.

Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de wet, omvat ten minste:

a. a. een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeningen, met gebruikmaking van gerenommeerde rekenmodellen, omgevingsmodellen, windmodellen en windkaarten en die ten minste de locatiegegevens, het merk, type, de technische specificaties, waaronder ashoogte, rotordiameter en vermogenscurve van de windturbines, de lokale windgegevens voor het windpark en een berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie van het windpark omvat; b. b. de bescheiden waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat aan het van toepassing zijnde kavelbesluit wordt voldaan; c. c. informatie die aannemelijk maakt dat tijdig de verklaring, bedoeld in artikel 6.16d, eerste lid, onderdeel c, van het Waterbesluit kan worden overgelegd.

2. Bij de berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie zijn de beschikbaarheid, zogeffecten, elektriciteitsverliezen en terugregelverliezen opgenomen, waarbij voor het zogeffect, uitsluitend rekening wordt gehouden met het windpark waarvoor de aanvraag wordt gedaan en het windpark Luchterduinen.

3.

In het tijdschema, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden de realisatiedata vermeld van de volgende activiteiten:

a. a. de instemming door de exploitant van het windpark met de voorwaarden van de netbeheerder van het net op zee voor de aansluiting en het transport van elektriciteit overeenkomstig de Elektriciteitswet 1998; b. b. de verstrekking van opdrachten aan leveranciers en installateurs; c. c. de plaatsing van de eerste fundering; d. d. de plaatsing van de eerste windturbine; e. e. de start van de levering van elektriciteit; f. f. het buiten bedrijf stellen van het windpark.

4.

De raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel c, van de wet, omvat in ieder geval een exploitatieberekening met:

a. a. een specificatie van de investeringskosten per component van de productie-installatie; b. b. een overzicht van alle kosten en baten van de productie-installatie; c. c. een berekening van het projectrendement over de looptijd van het project.

5. In de raming van de maatschappelijke kosten bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt ten minste aandacht besteed aan de bezetting van het net van de netbeheerder van het net op zee uitgedrukt in het aantal MWh per jaar.

6.

De inventarisatie en analyse van de risicos, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel e, van de wet, omvat ten minste:

a. a. de risicos bij de bouw van het windpark; b. b. het risico van fluctuerende elektriciteitsprijzen en de waarde van garanties van oorsprong; c. c. de risicos bij de exploitatie van het windpark.

7. De omschrijving van de maatregelen ter borging van de kostenefficiëntie, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel f, van de wet omvat ten minste de methodes van risicobeheersing, de wijze waarop risicos in het verleden zijn geborgd en bij thans lopende projecten voor windenergie op zee worden geborgd, alsmede de voorgenomen mitigerende maatregelen ten aanzien van de in het zesde lid bedoelde risicos.

8.

Tot de bij de bouw en exploitatie van het windpark betrokken partijen, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel g, van de wet, worden gerekend:

a. a. de aanvrager en indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft, elke deelnemer aan het samenwerkingsverband; b. b. de verantwoordelijke partij voor het projectmanagement; c. c. de leverancier van de windturbines; d. d. de installateur van de windturbines; e. e. de leverancier van de funderingen; f. f. de installateur van de funderingen; g. g. de leverancier van de parkbekabeling; h. h. de installateur van de parkbekabeling; i. i. de verantwoordelijke voor het onderhoud en de bediening van het windpark.

9.

De beschrijving van de kennis en ervaring van de betrokken partijen, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel h, van de wet, betreft de kennis en ervaring bij windparken op zee en omvat:

a. a. het geïnstalleerd vermogen van de windparken waarvoor door de verantwoordelijke partij voor het projectmanagement tijdens de bouw het projectmanagement is gedaan; b. b. het aantal door de leverancier geleverde windturbines; c. c. het aantal door de installateur geïnstalleerde windturbines; d. d. het aantal door de leverancier geproduceerde funderingen; e. e. het aantal door de installateur geïnstalleerde funderingen; f. f. het aantal windturbines waarvoor door de leverancier parkbekabeling is geleverd; g. g. het aantal windturbines dat door de installateur van de parkbekabeling is aangesloten; h. h. het geïnstalleerd vermogen van de windparken dat de verantwoordelijke voor het onderhoud en de bediening in onderhoud heeft en bedient.

10.

Bij de aanvraag worden tevens de volgende gegevens gevoegd:

a. a. een samenvattende beschrijving van de realisatie, exploitatie en ontmanteling van het windpark; b. b. een financieringsplan, inclusief de beoogde financiers en het beoogde aandeel dat zij zouden dragen; c. c. indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft een door elke deelnemer ondertekende verklaring van deelname aan het samenwerkingsverband, en d. d. de meest recent vastgestelde jaarrekening van de aanvrager, de moederonderneming ervan, elk van de deelnemers aan het samenwerkingsverband of hun moederondernemingen, waarbij de jaarrekening betrekking heeft op een jaar dat ten hoogste drie kalenderjaren voor het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend.

Artikel 4

1. Bij de beoordeling van de technische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met het door de aanvrager overgelegde ontwerp voor het windpark, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

2. Bij de beoordeling van de financiële haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de gegevens, bedoeld in artikel 3, tiende lid, onderdelen b en d. De omvang van het eigen vermogen van de aanvrager bedraagt ten minste 20% van de totale investeringskosten voor het windpark waarop de aanvraag betrekking heeft.

3.

Op verzoek van de aanvrager wordt voor het bepalen van de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, meegerekend:

a. a. indien de aanvrager een samenwerkingsverband is, het eigen vermogen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; b. b. indien de aanvrager of een deelnemer aan een samenwerkingsverband een dochteronderneming is en mits de moederonderneming daarmee schriftelijk instemt, het overige eigen vermogen van de moederonderneming.

4. In het geval blijkt dat de aanvrager zowel een aanvraag voor een vergunning voor kavel I als voor kavel II heeft ingediend, wordt bij de beoordeling van de financiële haalbaarheid, bedoeld in het tweede lid, het geheel van de investeringskosten voor beide windparken betrokken.

5. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid dat de bouw en exploitatie van een windpark gestart kan worden binnen vier jaar na de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden, wordt in ieder geval rekening gehouden met het door de aanvrager verstrekte tijdschema, bedoel in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

6. Bij de beoordeling van de economische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel c, van de wet.

Artikel 5

1. De onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 24, derde lid, van de wet vindt plaats overeenkomstig de waardering in punten zoals opgenomen in de bijlage waarbij een hoger aantal punten leidt tot een hogere rangschikking.

2. Als bij de rangschikking van de aanvragen volgens de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel f, van de wet, zwaarder dan de criteria, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdelen a tot en met e, gezamenlijk.

3. Als bij toepassing van het tweede lid twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel e, van de wet, zwaarder dan de criteria, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdelen a tot en met d, gezamenlijk.

4. Als bij toepassing van het derde lid twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel d, van de wet, zwaarder dan de criteria, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdelen a tot en met c, gezamenlijk.

5. Als bij toepassing van het vierde lid twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel c, van de wet, zwaarder dan de criteria, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdelen a en b, gezamenlijk.

6. Als bij toepassing van het vijfde lid twee of meer aanvragen gelijk als hoogste worden gerangschikt, weegt het criterium, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zwaarder dan het criteria, genoemd in artikel 24, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel 6

De kosten voor de behandeling van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedragen € 0.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2017.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid).

Bijlage . behorende bij

Onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de wet