40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling verkeerslichten | BWBR0009151 | ministeriele-regeling | geldend | 1997-12-21 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009151 | Regeling verkeerslichten |
Regeling verkeerslichten
Artikel 1
Ten aanzien van de toepassing, inrichting, plaatsing, kleur, afmeting en materiaal van verkeersregelinstallaties worden de volgende voorschriften vastgesteld:
-
-
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. verkeerslichten, driekleurige verkeerslichten, tweekleurige verkeerslichten en tram/bus-lichten: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; b. driekleurige fietslichten: driekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; c. tweekleurige fietslichten: tweekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; d. rijstrooklichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 73 van het RVV 1990; e. voetgangerslichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 74 van het RVV 1990; f. bruglichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 72 van het RVV 1990; g. verkeerslantaarns: toestellen voor het tonen van verkeerslichten; h. norm NEN 3322: de norm NEN 3322:2010, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 mei 2010; i. norm NEN 3384: de norm NEN 3384:2017, Verkeersregelinstallaties – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 september 2017; j. conflictpunt: het punt, waar het eerste conflict optreedt van een verkeersbeweging met een andere verkeersbeweging, met het oog waarop de verkeersregeling plaatsvindt; k. norm NEN-EN 12368: de norm NEN-EN 12368:2006, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 september 2006; l. verkeersregelinstallatie: voorziening voor het regelen van het verkeer door het tonen van verkeerslichten aan weggebruikers; m. toeritdoseringslichten: verkeerslichten voor het doseren van verkeer op een toerit; n. rotondedoseerlichten: verkeerslichten voor het doseren van verkeer bij nadering van een rotonde; o. lensmiddellijn: middellijn van het licht uitstralende deel van de lens van een verkeerslicht.
-
a. a. verkeerslichten, driekleurige verkeerslichten, tweekleurige verkeerslichten en tram/bus-lichten: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; b. b. driekleurige fietslichten: driekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; c. c. tweekleurige fietslichten: tweekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; d. d. rijstrooklichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 73 van het RVV 1990; e. e. voetgangerslichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 74 van het RVV 1990; f. f. bruglichten: verkeerslichten als bedoeld in artikel 72 van het RVV 1990; g. g. verkeerslantaarns: toestellen voor het tonen van verkeerslichten; h. h. norm NEN 3322: de norm NEN 3322:2010, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 mei 2010; i. i. norm NEN 3384: de norm NEN 3384:2017, Verkeersregelinstallaties – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 september 2017; j. j. conflictpunt: het punt, waar het eerste conflict optreedt van een verkeersbeweging met een andere verkeersbeweging, met het oog waarop de verkeersregeling plaatsvindt; k. k. norm NEN-EN 12368: de norm NEN-EN 12368:2006, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 september 2006; l. l. verkeersregelinstallatie: voorziening voor het regelen van het verkeer door het tonen van verkeerslichten aan weggebruikers; m. m. toeritdoseringslichten: verkeerslichten voor het doseren van verkeer op een toerit; n. n. rotondedoseerlichten: verkeerslichten voor het doseren van verkeer bij nadering van een rotonde; o. o. lensmiddellijn: middellijn van het licht uitstralende deel van de lens van een verkeerslicht.
-
- Bij de plaatsing van verkeerslichten moet worden vermeden dat weggebruikers door het verkeerslicht dan wel door de verkeerslantaarn worden gehinderd in de waarneming van het overige verkeer.
-
- Verkeerslichten moeten zodanig worden geplaatst, dat het voor weggebruikers duidelijk is naar welk licht zij zich moeten richten.
-
- Om verblindingsverschijnselen te voorkomen moet bij nacht de lichtsterkte worden gereduceerd, tenzij de omgevingsverlichting dit onnodig of ongewenst maakt.
-
-
Verkeersregelinstallaties moeten voldoen aan de in de normen NEN-EN 12368 en NEN 3322 gestelde eisen, met dien verstande dat bij toepassing van de eisen van de norm NEN-EN 12368:
a. lantaarns worden toegepast die geschikt zijn voor het temperatuurgebied volgens klasse B (§ 5.1 NEN-EN 12368); b. brede bundellichten worden toegepast van type W (§ 6.4 NEN-EN 12368) met: – lichtsterkteniveau (§ 6.3/6.4 NEN-EN 12368) volgens A 3/1; – maximum fantoomeffect (§ 6.6 NEN-EN 12368) volgens minimaal klasse 4 of hoger; – optisch niveau bij toepassing van symbolen (§ 6.8 NEN-EN 12368) volgens klasse S1; en – achtergrondschilden (§ 6.9 NEN-EN 12368) volgens klasse C4.
-
a. a. lantaarns worden toegepast die geschikt zijn voor het temperatuurgebied volgens klasse B (§ 5.1 NEN-EN 12368); b. b. brede bundellichten worden toegepast van type W (§ 6.4 NEN-EN 12368) met:
–
lichtsterkteniveau (§ 6.3/6.4 NEN-EN 12368) volgens A 3/1;
–
maximum fantoomeffect (§ 6.6 NEN-EN 12368) volgens minimaal klasse 4 of hoger;
–
optisch niveau bij toepassing van symbolen (§ 6.8 NEN-EN 12368) volgens klasse S1; en
–
achtergrondschilden (§ 6.9 NEN-EN 12368) volgens klasse C4.
– – lichtsterkteniveau (§ 6.3/6.4 NEN-EN 12368) volgens A 3/1; – – maximum fantoomeffect (§ 6.6 NEN-EN 12368) volgens minimaal klasse 4 of hoger; – – optisch niveau bij toepassing van symbolen (§ 6.8 NEN-EN 12368) volgens klasse S1; en – – achtergrondschilden (§ 6.9 NEN-EN 12368) volgens klasse C4. 6. 6. Bij de regeling van het verkeer door middel van drie- of tweekleurige verkeerslichten, drie- of tweekleurige fietslichten, tram/bus-lichten, voetgangerslichten, rotondedoseerlichten en toeritdoseringslichten moet worden voldaan aan de gestelde eisen in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5, paragraaf 1, 2 en 4, van NEN 3384. 6a. 6a. Bij driekleurige verkeerslichten die incidenteel het verkeer regelen nabij het inrijden van een tunnel, maar geen conflicterende verkeersstromen regelen, en bij toeritdoseringslichten, mag de in de NEN 3384, paragraaf 4.4.3, bedoelde geelknipperfase korter duren dan 15 seconden, maar moet deze minimaal 6 seconden bedragen.
Driekleurige verkeerslichten
-
- De verkeerslantaarns van driekleurige verkeerslichten zijn samengesteld uit een rood, een geel en een groen licht, die in een verticaal vlak zijn aangebracht; het rode licht boven, het gele licht in het midden en het groene licht onder.
-
- De volgorde, waarin de lichten verschijnen is: groen, geel, rood, groen, enz.
-
- De verkeerslantaarns van driekleurige verkeerslichten zijn samengesteld uit lichten met een gelijke lensmiddellijn van 200 mm (±10%) of 300 mm (±10%). Indien buiten de bebouwde kom richtingpijlen worden gebruikt bedraagt de lensmiddellijn 300 mm (±10%).
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Vervallen.
Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij of rechtsaf voor fietsers vrij bij verkeerslichten
28a. 28a. Onder de verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht kan een bord met de tekst ’Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij’ of ’Rechtsaf voor fietsers vrij’ aanwezig zijn. 28b. 28b. In plaats van het bord als genoemd in punt 28a kan rechts naast de verkeerslantaarn van een driekleurig verkeerslicht een bord in verschijnuitvoering met de tekst ’Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij’ of ’Rechtsaf voor fietsers vrij’ aanwezig zijn.
Driekleurige fietslichten
Tweekleurige verkeerslichten
-
Het gestelde in de punten 9 tot en met 23, 28a en 28b is van overeenkomstige toepassing op tweekleurige verkeerslichten.
-
De verkeerslantaarns van tweekleurige verkeerslichten zijn samengesteld uit een rood en een geel licht, die in een verticaal vlak zijn aangebracht: het rode licht boven en het gele licht onder.
-
De volgorde, waarin de lichten verschijnen, is: geel en rood; na het tonen van het rode licht wordt geen licht getoond.
-
Voordat het gele licht verschijnt moet gedurende korte tijd knipperend geel worden getoond, indien ter plaatse de toegestane maximumsnelheid hoger is dan 50 km per uur. In andere gevallen mag knipperend geel vooraf worden getoond, indien een waarschuwing vooraf gewenst wordt geacht.
-
Tweekleurige verkeerslichten mogen worden toegepast in situaties waarin slechts bepaalde verkeersstromen moeten worden gestopt en wel
– op kruisingen en splitsingen van wegen nabij beveiligde overwegen en beweegbare bruggen. Alleen die richtingen, die de ontruiming van de overweg of de brug in de weg staan mogen worden voorzien van tweekleurige verkeerslichten; – in geval van automatische hoogtedetectie; – bij uitritten van hulpverleningsdiensten; – bij beweegbare bruggen in de plaats van bruglichten. In afwijking van het bepaalde in punt 39 zijn in dit geval de punten 9, 10, 12, 14, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 88, 89, 97, 98 en 99 van overeenkomstige toepassing.In deze gevallen worden ten behoeve van het overige verkeer geen verkeerslichten toegepast. In de ruststand van een dergelijke regeling zijn de lichten van de tweekleurige verkeerslichten gedoofd. – – op kruisingen en splitsingen van wegen nabij beveiligde overwegen en beweegbare bruggen. Alleen die richtingen, die de ontruiming van de overweg of de brug in de weg staan mogen worden voorzien van tweekleurige verkeerslichten; – – in geval van automatische hoogtedetectie; – – bij uitritten van hulpverleningsdiensten; – – bij beweegbare bruggen in de plaats van bruglichten. In afwijking van het bepaalde in punt 39 zijn in dit geval de punten 9, 10, 12, 14, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 88, 89, 97, 98 en 99 van overeenkomstige toepassing.
-
Tweekleurige verkeerslichten mogen voorts worden toegepast in situaties waarin een incidenteel voorkomende verkeersstroom onderling regelen van conflicterende verkeersstromen met verkeerslichten tijdelijk noodzakelijk maakt en wel
– bij het oversteken van een weg of rijbaan door langzaam verkeer; – bij het oversteken of afbuigen van of naar een weg of rijbaan door openbaar vervoer; – bij het oversteken van een weg of rijbaan door ander verkeer bij zeer lage verkeersintensiteiten; – bij het gebruik van een uitrit door openbaar vervoer.In deze gevallen worden op de hoofdrichting tweekleurige verkeerslichten toegepast en op de zijrichting al naar gelang het geval driekleurige verkeerslichten, driekleurige fietslichten, voetgangerslichten, tram/bus-lichten dan wel een combinatie van deze lichten. Zolang zich geen verkeer op de zijrichting heeft gemeld zijn de lichten van de tweekleurige verkeerslichten gedoofd en wordt in de op de zijrichting geplaatste verkeerslichten het rode licht getoond. – – bij het oversteken van een weg of rijbaan door langzaam verkeer; – – bij het oversteken of afbuigen van of naar een weg of rijbaan door openbaar vervoer; – – bij het oversteken van een weg of rijbaan door ander verkeer bij zeer lage verkeersintensiteiten; – – bij het gebruik van een uitrit door openbaar vervoer.
-
In andere situaties dan genoemd in de punten 43 en 44 worden tweekleurige verkeerslichten niet toegepast.
Tweekleurige fietslichten
Rijstrooklichten
-
De verkeerslantaarns van rijstrooklichten zijn samengesteld uit:
a. een rood licht voorzien van een kruis; b. een groen licht voorzien van een loodrecht naar beneden wijzende pijl; c. een wit licht voorzien van een schuin naar links naar beneden wijzende pijl; d. een wit licht voorzien van een schuin naar rechts naar beneden wijzende pijl; e. een wit licht voorzien van de afbeelding van het woord BUS; ea. een wit licht voorzien van de afbeelding van het woord LIJNBUS; f. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord A3 van bijlage 1 van het RVV 1990; g. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord F9 van bijlage 1 van het RVV 1990 of h. een wit en rood licht uitstralende afbeelding van bord A1 van bijlage 1 van het RVV 1990.
a. a. een rood licht voorzien van een kruis; b. b. een groen licht voorzien van een loodrecht naar beneden wijzende pijl; c. c. een wit licht voorzien van een schuin naar links naar beneden wijzende pijl; d. d. een wit licht voorzien van een schuin naar rechts naar beneden wijzende pijl; e. e. een wit licht voorzien van de afbeelding van het woord BUS; ea. ea. een wit licht voorzien van de afbeelding van het woord LIJNBUS; f. f. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord A3 van bijlage 1 van het RVV 1990; g. g. een wit licht voorzien van de afbeelding van bord F9 van bijlage 1 van het RVV 1990 of h. h. een wit en rood licht uitstralende afbeelding van bord A1 van bijlage 1 van het RVV 1990. 48. 48. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de verkeerslantaarns van rijstrooklichten. De achtergrondschilden mogen slechts in tunnels achterwege blijven. 49. 49. Een rijstrooklicht wordt aangebracht boven de rijstrook waarvoor het licht geldt en wel met het midden van de lantaarn ter hoogte van het midden van de rijstrook. 50. 50. De onderkant van het achtergrondschild dan wel van de verkeerslantaarn, indien geen achtergrondschild aanwezig is, moet zich binnen de bebouwde kom ten minste 4,50 m en buiten de bebouwde kom ten minste 5 m boven het wegdek bevinden. 51. 51. Als boven een rijstrook een rijstrooklicht wordt getoond, als bedoeld in punt 47 onder b tot en met h, dan wordt ter plaatse boven elk van de overige rijstroken, waarvan het gebruik aan het verkeer in dezelfde richting niet is ontzegd door een doorgetrokken streep op het wegdek, ook een rijstrooklicht getoond. 52. 52. In een rijstrooklicht mag slechts één van de lichten genoemd in punt 47 zijn ontstoken. 53. 53. Een licht van een rijstrooklicht en een licht van een twee- of driekleurig verkeerslicht mogen ter plaatse boven dezelfde rijstrook niet tezamen worden ontstoken. 54. 54. Indien boven een rijstrook een licht als bedoeld in punt 47 onder c of d is ontstoken, dan moet boven dezelfde rijstrook in een daarna geplaatst rijstrooklicht een licht als bedoeld in punt 47 onder a zijn ontstoken. 55. 55. Tijdens de inschakelprocedure en uitschakelprocedure behoeft aan het gestelde in punt 54 niet te worden voldaan.
Tram/bus-lichten
Vervallen.
Vervallen.
-
Tram/bus-lichten moeten worden toegepast bij drie- of tweekleurige verkeerslichten:
– indien ter plaatse voor trams en/of autobussen een eigen ruimte, gescheiden van het overige verkeer, beschikbaar is, of – indien ter plaatse bestuurders van trams en/of autobussen vanuit eenrijstrook een richting mogen volgen die aan het overige verkeer in die rijstrook niet is toegestaan.
– – indien ter plaatse voor trams en/of autobussen een eigen ruimte, gescheiden van het overige verkeer, beschikbaar is, of – – indien ter plaatse bestuurders van trams en/of autobussen vanuit eenrijstrook een richting mogen volgen die aan het overige verkeer in die rijstrook niet is toegestaan. 61. 61. Tram/bus-lichten worden zo geplaatst dat het voor de betrokken bestuurder van de tram en/of autobus duidelijk is naar welk licht hij zich moet richten. Desgewenst mag bij het tram/bus-licht worden aangegeven voor welk openbaar vervoermiddel het tram/bus-licht geldt. 62. 62. Tram/bus-lichten worden gezien vanuit de richting waaruit het tram- en/of autobusverkeer nadert direct rechts en/of links geplaatst van het tramspoor, de rijstrook, de busbaan of de busstrook. 63. 63. In plaats van of als aanvulling op tram/bus-lichten naast tramspoor, rijstrook of busbaan mogen tram/bus-lichten boven het tramspoor, de rijstrook, de busbaan of de busstrook worden aangebracht, indien dit met het oog op de waarneembaarheid of herkenbaarheid van de tram/bus-lichten dan wel door het ontbreken van voldoende ruimte noodzakelijk is. 64. 64. Tram/bus-lichten worden gezien vanuit de richting waaruit het tram- en/of autobusverkeer nadert aangebracht vóór het conflictpunt. 65. 65. Is bij een tram/bus-licht een oversteekplaats voor voetgangers of (brom)fietsers aanwezig, dan mag, in afwijking van het bepaalde in punt 64, het tram/bus-licht worden aangebracht voorbij het conflictpunt tot een punt direct na de oversteekplaats. 66. 66. Bij plaatsing van een tram/bus-licht ter zijde van het tramspoor, de rijstrook, de busbaan of de busstrook moet de onderkant van de verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild zich ten minste 2,20 m boven het wegdek en de zijkant zich ten minste 0,60 m naast dat tramspoor, die rijstrook of die busbaan bevinden. 67. 67. Is een tram/bus-licht aangebracht boven het tramspoor, de rijstrook, de busbaan of de busstrook dan moet de onderkant van de verkeerslantaarn dan wel de onderkant van het achtergrondschild zich binnen de bebouwde kom ten minste 4,50 m en buiten de bebouwde kom ten minste 5 m boven het wegdek bevinden. 68. 68. Indien ter plaatse meerdere richtingen moeten worden geregeld wordt volstaan met één tram/bus-licht indien voor die richtingen altijd gelijktijdig wit, geel of rood licht wordt getoond. In andere gevallen wordt voor iedere richting dan wel gelijktijdig geregelde richtingen een afzonderlijk tram/bus-licht toegepast. Een en ander geschiedt overeenkomstig de afbeeldingen opgenomen in bijlage II, behorende bij dit besluit. 69. 69. Indien aan rechtdoorgaand openbaar vervoer wit licht wordt getoond, moet aan kruisend en aan met een pijl geregeld, conflicterend verkeer rood licht worden getoond. Indien aan afbuigend openbaar vervoer wit licht wordt getoond, moet aan het verkeer dat wordt doorsneden, rood licht worden getoond. 70. 70. Knipperend wit licht mag slechts worden toegepast in de volgende gevallen:
–
voor de onderlinge afwikkeling van openbaar vervoerbewegingen;
–
voor afslaande autobussen indien aan het rechtdoorgaande verkeer of afslaande verkeer, waaraan voorrang moet worden verleend, groen licht of geel licht wordt getoond;
–
indien de openbaar vervoerbeweging op een overigens geregelde kruising of splitsing van wegen een niet-geregelde voetgangersbeweging kruist.
– – voor de onderlinge afwikkeling van openbaar vervoerbewegingen; – – voor afslaande autobussen indien aan het rechtdoorgaande verkeer of afslaande verkeer, waaraan voorrang moet worden verleend, groen licht of geel licht wordt getoond; – – indien de openbaar vervoerbeweging op een overigens geregelde kruising of splitsing van wegen een niet-geregelde voetgangersbeweging kruist. 71. 71. De frequentie van het knipperend wit bedraagt 80 tot 120 onderbrekingen per minuut met een licht-donkerverhouding van 1:1.
Voetgangerslichten
Vervallen.
Vervallen.
Bruglichten
-
Het gestelde in de punten 9, 12, 14 en 17 tot en met 21 is van overeenkomstige toepassing op bruglichten.
-
Als bruglicht mag worden toegepast:
a. een knipperend rood licht, of b. een rood licht. In de plaats van bruglichten mogen tweekleurige verkeerslichten worden aangebracht.
a. a. een knipperend rood licht, of b. b. een rood licht. In de plaats van bruglichten mogen tweekleurige verkeerslichten worden aangebracht. 88. 88. Achtergrondschilden worden aangebracht om of achter de verkeerslantaarns van bruglichten. De achtergrondschilden mogen slechts achterwege blijven, indien de beschikbare ruimte zo gering is dat het schild zich te dicht naast de rijbaan zou bevinden of indien de bruglichten uitsluitend zijn bedoeld voor voetgangers en/of (brom)fietsers. 89. 89. Bruglichten worden gezien vanuit de richting waaruit het verkeer nadert vóór de slagbomen rechts van de rijbaan geplaatst en rechts van fiets- en voetpaden. 90. 90. In bruglichten als bedoeld in punt 87, onder a, worden geen pijlen of symbolen aangebracht. 91. 91. De frequentie van het knipperen van de lichten als bedoeld in punt 87, onder a, bedraagt minimaal 40 en maximaal 60 onderbrekingen per minuut met een licht-donkerverhouding van 1:1. 92. 92. Indien twee bruglichten als bedoeld in punt 87 onder a op één mast worden geplaatst, worden deze naast elkaar aangebracht. Deze bruglichten hebben een gelijke lensmiddellijn. 93. 93. De onderlinge afstand van de lichten als bedoeld in punt 92 moet gelijk zijn aan eenmaal de lensmiddellijn. 94. 94. De in punt 92 bedoelde lichten moeten beurtelings verlicht en gedoofd zijn. 95. 95. Indien bruglichten als bedoeld in punt 87 onder b op een zijweg zijn geplaatst, kunnen deze lichten van een pijl worden voorzien. 96. 96. Alle per rijbaan bij elkaar behorende bruglichten dienen hetzij volgens punt 87 onder a hetzij volgens punt 87 onder b hetzij volgens punt 92 te zijn uitgevoerd. 97. 97. Bij gebruik van bruglichten mogen op de slagbomen knipperende rode lichten worden aangebracht. 98. 98. De lichten op de slagbomen mogen slechts branden, zolang het bijbehorende bruglicht brandt. Het gestelde in de punten 91 en 94 is van overeenkomstige toepassing. 99. 99. De lensmiddellijn van de lichten op de slagbomen bedraagt ten hoogste 150 mm.
Gele knipperlichten
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Rotondedoseerlichten
Akoestische signalen bij voetgangerslichten
Akoestische signalen bij gele knipperlichten bij openbaar vervoer banen
-
Bij gele knipperlichten bij openbaar vervoer banen kan een akoestisch signaal aanwezig zijn.
-
Het akoestische signaal is een belsignaal.
-
Tijdens de werking van een geel knipperlicht bij een openbaar vervoer baan is het aantal belsignalen per seconde ten minste 2 en ten hoogste 3.
-
Het geluidsniveau van het belsignaal is afgestemd op het geluidsniveau van het omgevingsgeluid.
-
Verkeersregelinstallaties, of onderdelen daarvan, die in gebruik zijn genomen voor 1 juli 2019, die niet voldoen aan deze regeling voldoen aan de Regeling verkeerslichten zoals deze luidde op 30 juni 2019.
Artikel 2
De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 1991, nr. RV 93679B, houdende voorschriften over de inrichting, plaatsing en uitvoering van verkeerslichten (Stcrt. 133), wordt ingetrokken.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verkeerslichten.